Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Naar het Fransch van Baron De Langsdorff

Toegangswegen naar Oeganda.--Hoe de jachtkaravaan werd gevormd.--In de boschwildernis.--Eerste ontmoeting met de olifanten.--Mislukking!--Nieuwe hoop, nieuwe teleurstelling.--Een mooie revanche.

Oeganda is dat deel van Engelsch Centraal Afrika, dat tusschen het Victoria en het Albert Nyanza is gelegen en dat zich naar het Noorden uitstrekt op den rechteroever van den Nijl tot Gondokoro en de grens van den Egyptischen Soedan. Moderne en vlugge gemeenschapsmiddelen maken, dat men er van twee verschillende kanten kan binnenkomen.

In het Zuidoosten brengt een spoorweg in twee dagen, door Engelsch Oost-Afrika, van Mombassa aan de kust naar het Victoria Nyanza, en na vier dagen varens op het meer wordt men op den anderen oever ontscheept te Entebbe, de hoofdstad. In het Noorden verbindt een maandelijksche stoombootdienst door de moerassige streken van den Boven-Nijl Khartoem met Gondokoro in Oeganda. Achthonderd kilometers scheiden die beide poorten van Oeganda, Gondokoro in het Noorden en Entebbe in het Zuiden; achthonderd kilometer door het oerwoud, door moerassen en dicht struikgewas, die na Engelsch Oost-Afrika een der wildrijkste streken van de aarde vormen.

Na veertien dagen varens op den Nijl komt de van Khartoem vertrokken reiziger te Gondokoro aan. De engelsche administrateur, die er zetelt, had voor mij dragers besteld, die de bagage zullen vervoeren, en op den dag na mijn aankomst te Gondoroko had het vertrek naar het bosch plaats. Mijn karavaan bestond uit drie-en-dertig dragers onder bevel van een hoofdman Simoni. Het waren kustbewoners van het Victoria Nyanza, Baganda's of inboorlingen van het eigenlijke Oeganda, dat oude koninkrijk, dat zijn naam aan de kolonie heeft gegeven en welks beschaving te midden van de afrikaansche barbaarschheid Stanley had verbaasd. Buitendien zouden een korporaal, Gabriseï, en vier soldaten uit Nubië van de "King's African Rifles" mij tot geleide dienen en strekken tot verhooging mijner deftigheid. Voor mijn persoonlijken dienst had ik een egyptischen kok, Boetros, en een boy uit Entebbe, Josaïs; een nubische geweerdrager, een klein, dor, zenuwachtig mannetje, Aboe Doema, was beladen met een zware karabijn, kaliber 500, en een licht wapen, een Lee Metford was toevertrouwd aan een inlandschen gids, Lado, een uitstekend speurder en groot jager. Aan de spits van dat troepje trok ik met wapens en bagage het bosch in langs de oevers van den Nijl op zoek naar olifanten.

Van toen af gingen elken morgen in de vroegte, terwijl de dragers de tent opbergden en zich tot vertrek gereed maakten, Aboe Doema, Lado en ik uit het kamp op weg en trokken verder het bosch in ter vervolging van antilopen, in afwachting van ernstiger wild. Twee dragers met de welluidende namen van Kaoeka en Pétéro, volgden ons op eenigen afstand, maar zonder ons uit het oog te verliezen en droegen water, mijn flesch met thee en mondvoorraad. Met een meer of minder langen omweg, al naar gelang we wild ontmoeten of de vervolging ons ophoudt, zullen we de volgende rustplaats bereiken. Simoni, de hoofdman, had er de karavaan heen geleid; de dragers hadden de tent opgeslagen; Boetros had de plek voor de keuken gekozen in de schaduw van een boom. Zoodra ik aankwam, diende mijn boy mij een stevige lunch voor, en daarna herstelde een siësta de krachten na de doorgestane vermoeienissen.

Op een avond kwam tegen zonsondergang het hoofd van het dorp, omringd door met lansen en schilden gewapende wilden, mij een bezoek brengen. In zijn gevolg droegen een lange reeks vrouwen en kinderen op het hoofd manden met meel, het voedsel voor mijn troepje. Het meel is het belangrijkste voedsel, vleesch is het dessert, en er is niets, dat men niet van een drager gedaan kan krijgen, als men hem dat laatste belooft. Na een gelukkige jacht liet ik dan ook steeds Aboe Doema op schildwacht staan en dadelijk na mijn aankomst in het kamp, waarheen Kaoeka en Pétéro mijn trofeeën droegen, zond ik vier of vijf dragers terug, om de rest van het dier te halen.

Ze moesten soms vijf of zes uren extra marcheeren door het bosch; maar wat kwam er dat op aan! Boetros verdeelde het vleesch en op zulk een avond hingen vóór de groote vuren de stukken vleesch, aan lange stokken geregen, langzaam te braden. Rondom die vuren zaten die groote kinderen, de dragers, door het vooruitzicht van de smulpartij opgevroolijkt, in drukke groepjes te praten, te lachen en te zingen. Een van hen, Nitala, haalde zijn fluit voor den dag, een rietstengel, met drie gaten doorboord, en de drie rauwe, schelle tonen werden onophoudelijk herhaald, zonder dat noch de musicus, noch het gehoor het moede werden. En zoo liep de avond ten einde, tot het licht in de tent uitging vrij laat in den nacht. Alleen de wachtsoldaat was nog wakker, en alle geraas was in het kamp verboden. Bij tusschenpoozen klonk het geluid van de voetstappen des bewakers in de algemeene stilte, en de houtmassa's, die hij in de vlammen wierp van het wachtvuur knetterden en wierpen schooven van vonken omhoog, waardoor de wanden der tent werden verlicht. Soms drong het gegrom van den Nijl tot ons door, die de watervallen passeerde; zonderlinge klanken stegen in het duister omhoog, het lugubere gehuil van een hyena, het blaffen van een jakhals of het geschreeuw van een nachtvogel, en rondom scheen het in nacht gehulde bosch te trillen van die geheimzinnigheid, die verdween waar de vuren oplaaien om het slapende kamp.

Zoo verliep de dag in het bosch, en dat was ons leven vanaf het vertrek uit Gondoroko. Er was een overvloed van antilopen, gazellen en wilde zwijnen en gedurende die eerste marschdagen zwelgden de dragers in weelde; maar van olifanten vonden we geen spoor, en de inboorlingen die ik ondervroeg op de plekken van rust, wezen met hun uitgestrekten arm naar het Zuiden en antwoordden: "Daarginds, verder!"

Wij hadden de samenvloeiing bereikt van den Nijl en de rivier Uma, een soort van bergstroompje met uitgedroogde bedding. Een dag van rust, aan de dragers gegund, gaf mij de gelegenheid, de oevers hoogerop te exploreeren, waar veel wild moest zijn. Wij wilden het hooge struikgewas nagaan achter een breede vlakte, bedekt met dat zeer hooge gras, het "olifantengras", dat, langer opschietend dan de lengte van een mensch, meestal door den wind naar één richting is gekeerd en, als men er van die zijde nabijkomt, een werkelijk dreigend aanzien heeft.

Vroeg in den morgen verlieten wij dus het kamp, Lado, Aboe Doema, mijn beide dragers, Kaoeka, Pétéro en ik. Anderhalf uur lang kwamen we langzaam vooruit over een smal pad tusschen twee gele, bewegelijke muren. Mijn geduld liep op een eind, toen plotseling Lado stilstond, zich halverwege omkeerde, terugdeinsde en, mij haastig aan den arm grijpend, mij achteruit met zich mee sleepte. Met de andere hand wees hij mij op enkele schreden afstands van het pad een enorme massa, een breeden rug, en boven de grassen uit stak de vierkante kop met de groote snijtanden uit van een olifant. In een oogwenk was ons troepje op het pad neergehurkt en verborgen, maar te laat; de olifant had ons geroken terzelfdertijd toen wij hem hadden gezien, en met uitgestrekten staart, opgeheven ooren en den snuit half opgericht en naar ons toe gekeerd, ging hij weg door het platgetrapte gras. Verderop zagen we de buiging van een tweeden rug, en langzaam verhief zich met groote voorzichtigheid een lange, grijsachtige slang, die zich in alle richtingen draaide. Ook die had ons geroken en verwijderde zich. Andere olifanten vertoonden zich; wij konden hooren, hoe ze hun kaken bewogen en hoe hun ooren met hollen klank tegen hun hoofd sloegen. We waren bij de kudde beland.

Er was op dat oogenblik eenige wanorde in ons troepje. Mijn dragers waren haastig teruggeweken; wij moesten het magazijn van het Lee Metfordgeweer ledigen, de patronen verwisselen, en er geblindeerde kogels in doen. Die waren onder in den zak en niet zonder rumoer leegde Lado hem op het pad. Dat nam alles tijd; het metaalachtige geluid van de patronen had de olifanten verschrikt en toen wij eindelijk gereed waren, waren de dieren stil en geheimzinnig verdwenen. Hoeveel waren er? Naar mijne meening vier of vijf; twintig, zei een der dragers; dertig beweerde Lado, en als ieder jager, die een Europeaan geleidt, wees hij mij, dat de snijtanden reusachtig waren.

Maar er was geen tijd te verliezen; er was nu contact gekregen, en wij moesten volgen, en Lado bleek weer een eerste jager. Door de hooge grassen, de verbrande open plekken, te midden van een menigte gelijke sporen volgde hij, met de oogen naar den grond gekeerd en een langen grashalm in de hand, het spoor van onze dieren. Soms aarzelde hij, een enkele maal verloor hij het spoor en draaide dan in een kring rond of hervatte hoogerop het gevolgde spoor en altijd boog weer de roede van den grashalm en wees het gezochte merk.

Hoe lang liepen wij zoo voort? Ik wist het niet, zoozeer was onze aandacht in beslag genomen, en de zon stond al hoog aan den hemel, toen wij op een open ruimte kwamen en vijf olifanten doodstil zagen staan te snuiven in den wind; die stilte en die dreigende onbewegelijkheid maakten nog meer indruk op ons dan hun bewegingen. Geen spier van hun reuzenlichamen bewoog, alleen ging de snuit langzaam omhoog, snoof aanhoudend de lucht in, ging weer neer en ontrolde zich opnieuw.

Het waren wijfjes. "Lissa, wacht," zei Lado en plotseling de hand uitstrekkend, wees hij naar twee groote, grijze plekken in de verte, die ik met mijn kijker spoedig herkende als twee troepen olifanten. Op een open weide te midden van wilgen met groene bladeren stonden een paar reuzenboomen, en in de schaduw daarvan stonden de groote dieren dicht opeen, net als gewoon vee in Afrika en Europa tijdens de middaghitte van den dag. Op den voorgrond lagen bij een jongen wilg twee andere olifanten. Ze hadden mooie snijtanden en ons besluit was spoedig genomen; we zouden op die laatste afgaan.

We liepen om de rustende groep heen en kwamen vlug vooruit. Het terrein, dat uit de verte vlak had geschenen, bleek vol holen en gaten en zeer steenachtig, en wat een weide scheen, was een ruime vlakte, met het afschuwelijke olifantengras bedekt. De zon overgoot het veld met licht, en de lucht weerkaatste de heete stralen. Alles sliep in de omgeving bij het eentonig gesjirp van de krekels; een zacht windje bewoog lichtelijk de toppen der hooge grasstengels en het groene loof der boomen, en dat geruisch stoorde de liggende dieren niet in hun rust. Zouden wij dien godsvrede verbreken en den dood brengen, waar vrede en veiligheid heerschten? Maar de teerling is geworpen! Lado ging voorop met het 500-geweer en Aboe Doema volgde mij met het Lee Metford.

Wij konden in het hooge gras niets anders zien dan de toppen der beide boomen en Lado liep er vlug heen, met vasten, beslisten stap. We waren op een afstand van tweehonderd meter, op honderd meter, op vijftig meter, en Lado liep maar door, zonder zich te bekommeren om het geluid der geknakte stengels. Om mijn geweer te grijpen, had ik de hand uitgestoken; maar hij vatte die in de zijne en trok mij zoo naar den wilg en de beide liggende olifanten. Vijf-en-twintig meter! twintig meter! vijftien meter! Het kon haast niet waar wezen; ze moesten ons zien of ons hooren, en tusschen de stengels door keek een der olifanten onzen kant uit en knipte met zijn kleine oogen in onze richting. Blijkbaar moest hij iets zien, zonder te begrijpen wat het was, want hij bewoog zich niet: de olifant was bijna blind. De andere, het slachtoffer, waar ik het op gemunt had, bespeurde niets en bleef bezig, op onverschillige manier met zijn snuit de takken van den jongen wilg te schillen. Zijn reusachtige ooren zwaaiden heen en weer, als mechanisch bewogen. Tien meter! Tot hoe ver zou Lado gaan? Nog enkele schreden, en eindelijk liet Lado mijn hand los, stak mij het geweer toe en verborg zich, terwijl hij mij met den vinger den slaap aanwees, als, o noodlottige dwaling, de plek, waarop ik moest schieten. Gauw, dacht ik, anders zal het dier mij zien, en het schot ging af.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and Prejudice

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.