
Public-domain ebook
Een Kapitein van Vijftien Jaar De Walvischjagers
by Jules Verne
Dutch422 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #18425.

Public-domain ebook
by Jules Verne
Dutch422 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #18425.
The opening · free to read
Den 2n Februari 1873 bevond zich de Schoener-brik Pelgrim op 43° 57' Z.B. en op 165° 19' W.L. van den meridiaan van Greenwich.
Dit vaartuig van vierhonderd ton, uitgerust te San-Francisco voor de groote visscherij in de zuidpoolzeeën, behoorde in eigendom aan James W. Weldon, een rijken Californischen reeder, die al sedert vele jaren het bevel over dezen bodem toevertrouwd had aan kapitein Hull.
De Pelgrim was een van de kleinste, maar de beste vaartuigen die James W. Weldon ieder jaar uitzond zoowel door de Behringstraat naar de noordpool-zeeën als naar de streken van Van Diemensland of van kaap Hoorn, tot den zuidpool-oceaan. Het schip liep uitstekend. Het licht te hanteeren tuig stelde het in staat, zich met een kleine bemanning in het gezicht der ongenaakbare ijsbanken van het zuidelijk halfrond te wagen. Kapitein Hull was geheel te huis te midden van die ijsbergen die tot in de nabijheid van Nieuw-Zeeland of van de kaap de Goede Hoop afdrijven, onder een veel lagere breedte dan die, welke zij in de noordpool-zeeën van den aardbol bereiken. Weliswaar worden daar slechts ijsbergen van geringe afmetingen aangetroffen, die reeds afgebrokkeld waren door de schokken en ingevreten door het warmer water, en waarvan het grootste gedeelte in de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan door warmer lucht of water wordt opgelost.
Onder de bevelen van kapitein Hull, die een goed zeeman en daarenboven een der bekwaamste harpoeniers der vloot was, stond een bemanning van vijf matrozen en een leerling. Dit was voorzeker een kleine bemanning voor de walvischvangst, die een vrij talrijk personeel vordert. Er is volk noodig zoowel om de booten die den walvisch moeten aanvallen te besturen als om de gevangen dieren in stukken te hakken. Maar, naar het voorbeeld van zekere reeders, vond ook James W. Weldon het veel zuiniger om te San-Francisco slechts het tot het bestuur van het vaartuig benoodigde aantal matrozen aan te werven. Nieuw-Zeeland leverde genoeg harpoeniers, zeelieden van allerlei natiën, deserteurs en allerlei slag van volk op, die hij voor den tocht kon huren en als zeer bekwame visschers te boek stonden. Was de kampanje eenmaal afgeloopen, dan werden zij afgemonsterd en wachtten dan tot dat de walvischvaarders het volgend jaar opnieuw hunne diensten kwamen inroepen. Op deze wijze werd er een beter gebruik van de beschikbare zeelieden gemaakt en grooter voordeelen van hun medehulp getrokken.
Zoo had men aan boord van den Pelgrim gehandeld.
De schoenerbrik had haar kampanje op de grens van den zuidpoolcirkel afgelegd. Maar haar volle lading van vaten traan en walvischbaarden had zij niet kunnen verkrijgen. Toen reeds werd de vangst moeielijk. De tot het uiterste vervolgde walvisschen werden schaarsch. De echte walvisch, die den naam draagt van "Nordcaper" in den noordelijken Oceaan en dien van "Sulpher-boltone" in de zuidelijke zeeën, verdween al meer en meer. De visschers hadden zich moeten vergenoegen met den "vinvisch" of "snavelwalvisch", een reusachtig zoogdier, welks aanvallen niet zonder gevaar zijn.
Hiertoe nu had kapitein Hull zich gedurende dezen tocht verplicht gezien; maar op zijn volgende reis was hij van plan een hoogere breedte te halen en als het moest, zich in het gezicht te begeven van Clarie-land en Adelie-land waarvan de ontdekking, die door den Amerikaan Wilkes betwist werd, wel degelijk te danken is aan den beroemden kommandant der Astrolabe en der Zelée, den Franschman Dumont d'Urville.
Over het geheel was de kampanje niet gelukkig voor den Pelgrim geweest. In het begin van Januari, namelijk tegen het midden van den noordelijken zomer, en hoewel de tijd voor den terugkeer van de walvischvaarders nog niet gekomen was, had zich kapitein Hull gedwongen gezien het vischwater te verlaten. Zijn hulp-equipage,--een samenraapsel van vrij ongelukkige sujetten,--begon weerspannig te worden, zoodat hij er zich zoo spoedig mogelijk van moest afmaken.
De Pelgrim wendde dus den steven naar het noord-westen, naar de kust van Nieuw-Zeeland, die hij den 15en Januari in het gezicht kreeg. Hij liet het anker vallen te Waitemata, in de haven van Auckland, gelegen in de golf van Chouraki, op de oostkust van het noordelijk gelegen eiland en ontscheepte daar de visschers die voor den tocht gehuurd waren.
De bemanning was niet tevreden. Er ontbraken ten minste twee honderd vaten traan aan de lading van den Pelgrim. Nooit had men slechter vangst gehad. Kapitein Hull kwam dus thuis met de teleurstelling van een voortreffelijk jager, die voor 't eerst van zijn leven platzak terugkomt, of althans bijna. Zijn eigenliefde, zeer geprikkeld, was er mede gemoeid en hij vergaf dien schoeljes niet, wier weerspannigheid de resultaten zijner kampanje op het spel had gezet.
Tevergeefs beproefde men te Auckland een nieuwe visschersbemanning aan te werven. Al de beschikbare zeelieden hadden zich op de andere walvischvaarders ingescheept. Men moest dus de hoop opgeven de lading van den Pelgrim vol te maken en kapitein Hull was op het punt Auckland te verlaten, toen hem door iemand verzocht werd den overtocht mede te mogen maken, 't geen hij niet kon weigeren.
Mevrouw Weldon, de vrouw van den reeder van den Pelgrim, bevond zich toen juist te Auckland met haar zoontje Jack, een jongen van 5 jaar, en een harer bloedverwanten, haar neef Benedictus. James W. Weldon, die wegens handelszaken somtijds verplicht was Nieuw-Zeeland te bezoeken, had hen er alle drie gebracht en meende hen natuurlijk met zich mede naar San-Francisco terug te nemen.
Maar op het oogenblik dat de familie zou vertrekken, werd de kleine Jack vrij ernstig ziek en moest zijn vader, die door zijn zaken gedwongen was te vertrekken, Auckland verlaten en zijn vrouw, zijn zoon en zijn neef Benedictus achter laten.
Drie maanden waren verloopen,--drie lange maanden van scheiding, die voor Mevrouw Weldon zeer pijnlijk waren. Evenwel herstelde haar kind en zij kon nu vertrekken, toen men haar de aankomst van den Pelgrim berichtte.
Om nu naar San-Francisco te vertrekken, bevond Mevr. Weldon zich dezer dagen in de noodzakelijkheid in Australië een van de vaartuigen op te zoeken van de transatlantische compagnie, de "Golden Age", die van Melbourne over Papeiti naar de landengte van Panama varen. Daarna, eenmaal te Panama, moest zij op het vertrek wachten van de Amerikaansche stoomboot, die een geregelden dienst daarstelt tusschen de landengte en Californië. Van daar dan vertraging, overscheping, allerlei bezwaren in één woord die voor een vrouw en een kind zeer onaangenaam zijn. Op dit oogenblik liep de Pelgrim Auckland binnen. Zij aarzelde niet en vroeg aan kapitein Hull haar aan boord te nemen om haar, haren zoon, neef Benedictus en Nan, een oude negerin die sedert hare kindsheid bij haar in dienst was, naar San-Francisco over te brengen. Drie duizend zeemijlen op een zeilschip! Maar het schip van kapitein Hull was zoo behoorlijk in orde en de moesson was nog zoo goed aan weerszijden van den aequator! Kapitein Hull nam het volgaarne aan en stelde dadelijk zijn eigen kajuit ter beschikking van Mevr. Weldon. Hij wilde dat zij gedurende den overtocht, die een veertig à vijftig dagen kon duren, zoo goed mogelijk aan boord van zijn walvischvaarder gelogeerd zou zijn.
Er waren dus voor Mevr. Weldon eenige voordeelen in gelegen, om den overtocht in deze omstandigheden te ondernemen. Het eenige nadeel was dat deze noodzakelijk eenige vertraging zou ondervinden door de omstandigheid dat de Pelgrim te Valparaiso in Chili moest gaan lossen. Daarna had hij slechts langs de Amerikaansche kust te houden, met den wind van de landzijde, die de vaart in deze streken zeer aangenaam maakt.
Mevr. Weldon was overigens een moedige vrouw, die niet bang was op zee. Zij had den leeftijd van dertig jaren bereikt, was flink en gezond en gewoon lange zeereizen te maken, daar zij met haren man de vermoeienissen van talrijke tochten gedeeld had; zij had daarom geen vrees voor de meer of minder gewaagde kansen van een verblijf aan boord van een vaartuig van middelmatige afmeting. Zij kende kapitein Hull als een uitmuntend zeeman, in wien James W. Weldon het meeste vertrouwen stelde. De Pelgrim was een stevig vaartuig, een snelle zeiler en stond goed aangeteekend in de vloot der Amerikaansche walvischvaarders. De gelegenheid bood zich aan, men moest er gebruik van maken en Mevr. Weldon maakte er gebruik van.
Neef Benedictus,--dat spreekt van zelf,--zou haar begeleiden.
Deze neef was een goede man van omstreeks vijftig jaren. Doch in weerwil van zijn vijftigjarigen leeftijd, zou het niet voorzichtig geweest zijn hem alleen te laten uitgaan. Hij was eer lang dan groot, eer smal dan mager, met een beenachtig gelaat, een ontzaglijk hoofd en lange haren; men herkende in zijn eindeloos figuur een van die waardige geleerden met gouden bril, onschadelijke en goede wezens, die bestemd zijn hun gansche leven groote kinderen te blijven en zeer oud te worden, als honderdjarigen die als zuigelingen sterven.
"Neef Benedictus,"--zooals men hem steeds en niet alleen in zijn familie noemde, en werkelijk was hij een van die goede wezens die door iedereen met den naam van "neef" begroet worden,--neef Benedictus, die altijd in de war scheen te zijn met zijn lange armen en beenen, zou zich, zelfs in de meest gewone omstandigheden van het dagelijksch leven, niet hebben kunnen redden. Hij was niet hinderlijk, volstrekt niet, maar eer lastig voor anderen en verlegen met zich zelven. Gemakkelijk in den omgang overigens, met alles tevreden, vergetende te eten of te drinken, als men hem niet te drinken of te eten bracht, ongevoelig voor koude of warmte, scheen hij minder tot het dierenrijk dan tot dat der planten te behooren. Men stelle zich een boom voor, zonder eenig nut, zonder vruchten en bijna zonder bladeren, niet in staat om te voeden of te beschutten, maar met een goed hart.
Zoodanig was neef Benedictus. Hij zou gaarne iedereen diensten bewezen hebben, indien, zooals Prudhomme zou zeggen, hij in staat ware geweest ze te bewijzen.
Eindelijk, men had hem lief juist terwille van zijn zwakheid. Mevr. Weldon beschouwde hem als haar kind,--als een grooten oudere-broeder van haar kleinen Jack.
Wij moeten hier nog bijvoegen dat neef Benedictus evenwel noch werkeloos, noch onledig was. Hij was integendeel een werkzaam mensch. De natuurlijke historie waarin hij zich geheel kon verdiepen, was zijn eenige hartstocht.
Nu is "de natuurlijke historie" een woord van grooten omvang.
Men weet dat de verschillende onderdeelen, waaruit deze wetenschap bestaat, zijn de dierkunde, de botanie, de delfstofkunde en de aardkunde.
Nu kon neef Benedictus volstrekt geen botanicus, noch mineraloog, noch geoloog genoemd worden.
Was hij dan een zoöloog in de geheele beteekenis van het woord, een soort van Cuvier der nieuwe wereld, die het dier door analyse ontleedde of het door synthese weder opbouwde, een van die diepzinnige geleerden, die geheel doorgedrongen zijn in de studie der vier typen waartoe de nieuwere wetenschap het geheele dierenrijk, gewervelde dieren, weekdieren, gelede dieren en straaldieren brengt? Had de naïve maar werkzame geleerde, van de vier afdeelingen de verschillende klassen bestudeerd en de orde, de families, de rassen, de geslachten, de soorten, de variëteiten, die ze onderscheiden, nagegaan?
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.