Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Over de hoofden der massa heen knikken--naar het treffend woord van een wijsgeer--de groote mannen elkander vol beteekenis toe. Zou 't niet hierom zijn, wijl hunne persoonlijkheid als in een andere sfeer leeft dan die massa--een sfeer boven het "feitelijke" en "betrekkelijke" van het alledaagsche verheven, bestraald door den glans van het absolute en eeuwige?

In 't karakter, de persoonlijkheid van groote geesten concentreert zich het beste en edelste van wat leeft in een volk; dat wat van een natie de geheime groei- en stuwkracht is. En het zich in aanraking brengen met, 't zich onder den invloed stellen van de "groote mannen" die uit 't eigen volk zijn opgekomen--zij mogen dan kunstenaar of wijsgeer, staatkundige, of godsdienstig hervormer zijn--is het niet: zich zelven meer of minder deel verschaffen aan de levenwekkende kracht, die van groote geesten ontegenzeggelijk uitgaat?

Alleen een volk van kleine zielen versmaadt het, zijn groote mannen te eeren, d.w.z. ze allereerst te leeren kennen.

Velen zulk een kennismaking te helpen vergemakkelijken--ziedaar wat deze nieuwe uitgave zich bescheiden ten doel stelt. De in deze reeks verschijnende studies willen iets méér zijn dan een samenvoeging van min of meer bekende biographische bizonderheden, hetgeen reeds valt op te maken uit de lijst van schrijvers, die hun medewerking wilden toezeggen. Naar karakter-teekening zal bovenal worden gestreefd.

De omvang der brochures zal wisselen tusschen 2 en 3 vel druks. De uitvoering zal flink en degelijk zijn.

HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN.

Voorts zullen o.m. het licht zien:

Jan Pietersz. Koen, door Prof. Mr. J.E. Heeres. Rembrandt, door J.D.C. van Dokkum. Voetius, door Prof. Dr. H. Visscher. Groen van Prinsterer, door Jhr. Mr. de Savornin Lohman. Thorbecke, door Henri van der Mandere. Is. da Costa, door J.C. Rullman. Wessel Gansfort, door Prof. Dr. S.D. van Veen. Huygens, door Dr. J.A. Worp. * Spinoza, door Prof. Dr. B.J.H. Ovink.

Prof. Dr. J.A.C. VAN LEEUWEN

De moderne tijd is geboren uit een geweldige woeling en gisting. In zijn opkomen wordt hij gekenmerkt vooral door de dubbele strooming van Renaissance en Reformatie. Beide de Renaissance en de Reformatie hadden een eigen beginsel, een eigen stuwkracht en een eigen ideaal. En in beide ging het, in den diepsten grond, om eenzelfde zaak: de worsteling om vrijmaking van den individu. Deze vrijheidsdrang, die zich in beide bewegingen openbaarde, had zich ten deele te keeren tegen dezelfde beletselen, welke de vrijheid breidelden; beide vonden zij tegenover zich de macht der middeleeuwsche kerk, die èn het sociale èn het religieuse leven tot dusver beheerscht had. Formeel hadden zij eenzelfde ideaal: het vrijheidsideaal, al was de gestalte, waarin het verwezenlijkt ideaal zou verschijnen, bij beide zeer verschillend.

De Renaissance greep terug naar het ideaal der classieke oudheid, dat evenwel met de elementen, die het Christendom gebracht had, onvermijdelijk gemengd was; de Reformatie, in haar worsteling om het recht der religieuse persoonlijkheid, werd gelokt door de bekoring die uitging van het beeld der oudste christelijke kerk, en boog zich voor het gezag der H. Schrift.

Wat de ééne zocht, viel volstrekt niet samen met wat der andere als opperste goed voor oogen stond. Wel konden beiden een eindweegs samengaan.

Hoe verschillend dus in uitgangspunt en streven, de mannen der Renaissance en der Reformatie sloegen elkander met belangstelling gade, konden in sommige opzichten elkaar als bondgenooten beschouwen; soms zelfs kon het onzeker schijnen, aan welke zijde een strijder geschaard stond: in de reeks van de mannen der Renaissance, of in de gelederen der Hervormers. En eerst wanneer na de woeling de rust is gedaald, wanneer de wild zich baanbrekende stroomingen in rustiger beddingen zijn gaan vloeien, is het mogelijk, dit met zekerheid te bepalen. Wie op een afstand de wieling en bewegingen gadeslaat, kan beter de tegenstrijdige factoren onderkennen, en gemakkelijker onderscheiden, waar zij noodzakelijk moesten uiteengaan.

Eén dergenen, die in de opkomst van den modernen tijd van groote beteekenis geweest is, die ver uitsteekt boven de middelmaat, op wien velen zijner tijdgenooten het oog gevestigd hadden, van wiens steun zij veel verwachtten, op wiens woord zij wachtten, en die ook op latere eeuwen aanmerkelijken invloed heeft geoefend, is Erasmus.

Wat één zijner vrienden en bewonderaars, Colet, van hem zeide: "nomen Erasmi nunquam peribit", is althans tot op den huidigen dag geen overdrijving gebleken.

Inderdaad is Erasmus een man van groote beteekenis geweest. Iemand, wiens pen van ongelooflijke vruchtbaarheid was, zoodat zijne werken 10 folio-deelen beslaan[1], iemand van buitengewoon levendigen geest, met 'n ongewonen zin voor humor, van tintelend vernuft, afwisselend met bijtenden spot en snijdend sarcasme. Een man van zeldzame geleerdheid en belezenheid in de letterkunde der classieke en der christelijke oudheid, van rustelooze arbeidzaamheid, welke ook door lichaams-lijden niet gebreken werd, met onverwoestbare liefde voor de literatuur en de eruditie der oudheid bezield; die in briefwisseling stond met pausen en wereldlijke vorsten, persoonlijk bevriend was met de voormannen der humanistische beweging in Engeland, die als raadsheer van den Duitschen keizer op zijn doorreis door onderscheiden Duitsche steden met eerbewijzen werd begroet, die in aanraking was, persoonlijk of schriftelijk, met Zwingli en Luther, met Oecolampadius en Melanchton, en evenzeer voeling hield met de inquisiteurs der Roomsche kerk, die door de aanhangers der Reformatie bijwijlen werd gehouden voor een invloedrijk medestander, en, had hij gewild, den cardinaalshoed had kunnen dragen, een man, door tijdgenooten betiteld als "vorst der letteren, priester der wetenschap, verdediger der ware godgeleerdheid, roem en sieraad van Duitschland", die door de uitnemendste geleerden van zijne eeuw als de vertegenwoordiger der hoogst denkbare ontwikkeling werd geëerd, die door de universiteiten te Ingolstadt, Leipzig, Keulen, Heidelberg en Weenen begeerd werd, door gansch Europa bewonderd als de man, die de groote vernieuwing en hervorming van alle dingen, die algemeen verwacht werd, zou tot stand brengen..., voorwaar, het mag der moeite waard geacht worden, in breede omtrekken zijn beeld geschetst te zien, en de vraag te stellen naar zijn beteekenis voor den tijd van woeling en worsteling, waarin hij leefde, zoowel als voor het nageslacht, dat hem telt onder de groote mannen.

Over de geboorte van Geert Geertsz, den man, die als "_Desiderius Erasmus van Rotterdam_", gelijk hijzelf zich later noemde, zich zulk een schitterenden naam zou maken, ligt eene schaduw. Hij zag het levenslicht te Rotterdam, als de natuurlijke zoon uit een verbintenis van een Zuid-hollandsch pastoor en de dochter van een Zevenbergensch chirurgijn, Margaretha geheeten. Zijn geboortejaar is waarschijnlijk 1466[2], de datum zijner geboorte is 28 October. Ten huize van haar ouders wachtte Margriet hare bevalling af, en werd haar kind opgenomen.

En als de jonge Geert of Gerard, die reeds in Utrecht als koorknaap in een der kerken mede-gezongen en z'n eersten schooltijd doorgebracht had, op negenjarigen leeftijd naar Deventer gaat, om daar de school van de "broeders des gemeenen levens" te bezoeken, wordt hij door zijne moeder vergezeld, wier trouwe zorg over den begaafden knaap waakte, totdat zij in 1480 als slachtoffer viel van de pest, die te Deventer woedde.

Uit Erasmus' verzuchtingen, later over dien leertijd geslaakt, valt op te maken, dat hij met weinig vreugde op zijn leerjaren terugzag, "toen de tijd grootendeels werd besteed aan het dicteeren, repeteeren en reciteeren van onnoozele versregels".

Toch zal de leiding van den beroemden Alexander Hegius, den vriend van Rudolf Agricola, niet zonder nut zijn geweest voor den knaap, die reeds in zijn jonge jaren een bijzonderen aanleg moet hebben getoond. Op Agricola tenminste, die in 1480 Deventer bezocht, maakte hij zulk een gunstigen indruk, dat deze hem groote beroemdheid voorspelde en tot hem zeide: "gij zult eens een groot man zijn".

Weinig meer vreugde dan te Deventer smaakte hij te Gouda, waar hij na den dood zijner moeder heenging, en grootendeels onder de leiding stond van Pieter Winckel, den rector der Goudsche school, één der drie mannen, die tot voogd waren benoemd van Erasmus en zijn ouderen broeder, toen ook hun beider vader kort na de moeder overleden was.

Onder de pressie zijner voogden liet hij, na met zijn broeder op de kloosterschool in den Bosch onder de leiding van mannen, op wier kunde hij met groote minachting neerzag "bijna drie jaren vermorst te hebben", zooals hijzelf het uitdrukt, zich op zeventien jarigen leeftijd overhalen tot het afleggen van de kloostergelofte. Het Augustijner-klooster Steijn bij Gouda nam hem op, en na afloop van het proefjaar "kwam hij in de kap", d.w.z. nam hij het orde-kleed aan, van het dragen waarvan hij later op zijn verzoek door Leo X werd vrijgesteld.

Het is zeer waarschijnlijk, dat Erasmus, om van zijne monniksgelofte ontslagen te worden, het kloosterleven en zijn afkeer daarvan met wat al te donkere kleuren heeft geschilderd. Wel kan het waar zijn, wat hij schrijft (in 1514), dat zijn voogden op zijn gaan in het klooster eenigen drang hebben uitgeoefend, en dat hij ongeschikt was voor het kloosterleven, "naar den geest, omdat ik een afkeer had van ceremoniën, en de vrijheid liefhad, naar het lichaam, omdat, al zou de leefregel mij uitnemend hebben aangestaan, toch mijn lichaamsgesteldheid dergelijke vermoeienissen niet verdragen kon". Doch zóóveel lichtzinnigheid en een zóó totale afwezigheid van allen lust tot studie als hij vóórgeeft was er zeer zeker niet, althans niet in het klooster, waarmede hij kennis had gemaakt.--Hijzelf heeft gedurende het verblijf in het klooster gelegenheid gehad zich veel bezig te houden met de studie van het latijn en het lezen van vele latijnsche schrijvers. En al had hij dan niet den rechten smaak in het kloosterleven, uit dezen tijd dateert toch zijn geschrift "Over de verachting van de wereld", dat voor het grootste gedeelte den lof van zulk leven bezingt[3].

Hoe het zij, in 1493 verliet hij het klooster, waarin hij nimmer zou terugkeeren. De bisschop van Kamerijk stelde hem aan als zijn secretaris om bij een voorgenomen reis naar Rome iemand in zijn omgeving te hebben, die een grondige kennis van het latijn bezat. Van die reis naar Rome, waarheen reeds toen Erasmus' gedachten uitgingen, kwam weliswaar niets, en zijn aanzienlijke beschermer voorzag hem wel niet zoo rijkelijk van geldmiddelen als Erasmus wel gewenscht had, "hij is guller in liefde-betuiging dan in geven, en belooft veel, maar houdt de gulle beloften niet", schrijft hij. Doch de bisschop liet hem dan toch naar Parijs gaan, om zijn studiën te voltooien. Het strenge régime, de slechte kost en het armzalig logis in het collegium Montaigu waarin hij zich liet opnemen bezorgden den toch al niet sterken jongen man een ziekte, waarvoor hij in de Nederlanden herstel zocht. In Parijs teruggekeerd (in 1496), gaf hij er de voorkeur aan, op zichzelf te leven, en zich aan de studie te wijden, terwijl hij in zijn levens-onderhoud voorzag door onderwijs te geven aan eenige jonge Engelschen, o.a. Lord Mountjoy en Thomas Grey. De vriendschap met deze mannen bracht hem in het laatst van 1498 of het voorjaar van 1499 tot een reis naar Engeland, die voor zijne geestelijke ontwikkeling van groote beteekenis werd.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.