Public-domain ebook
De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier
Language: nl7,286 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #21409.
Public-domain ebook
Language: nl7,286 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #21409.
Dit is een avontuurlijke roman uit de 18e‑euwse Franse traditie, waarin de jonge Gil Blas van Santillano, geboren in een bescheiden Spaanse familie, zich opmaakt voor een reis naar Salamanca. Het verhaal begint met een gedetailleerde schets van zijn kindertijd, de invloed van zijn kanunnik‑oom en de eerste lessen in lezen, logica en retoriek. Vervolgens volgt een levendig verslag van zijn vertrek, de ontmoeting met een kreupel soldaat, de alledaagse gevaren van een ezelreis en de kleurrijke personages die hij onderweg tegenkomt, zoals de praatgrage herbergier en een eerlijke paardenkooper. Deze opening zet meteen de toon van een breed sociaal panorama, waarin zowel de lagere bevolking als de hogere kringen hun plaats vinden.
De stijl is rijk aan ouderwetse zinsbouw en beschrijvende details, kenmerkend voor de verhalende satire van Alain‑René Le Sage. Het taalgebruik, doordrenkt met ironie en filosofische reflecties, past bij lezers die houden van klassieke, maatschappijkritische literatuur en van een levendig beeld van het 18e‑euwse Europese leven. Geschiedenis‑ en literatuurliefhebbers, evenals iedereen die geniet van een speelse, doch diepgravende kijk op menselijk gedrag, zullen zich in dit werk thuisvoelen.
The opening · free to read
Le Sage heeft zich, evenals Molière vóor hem, aangesloten aan de Spaansche romanlitteratuur van de 16e en 17e eeuw. Zijn Gil Blas heeft het uiterlijke van den Spaanschen dolenden ridder en beleeft evenals deze een eindelooze reeks van avonturen. Maar het doel van den schrijver, als hij zijn held aldus door den mallemolen van het leven heenzendt, is niet maar den lezer een boeiende afwisseling te brengen. Op dit zich ontrollende doek wil hij heel het leven schilderen, en in zijn hoofdfiguren den mensch, gelijk die er door wordt aangedaan. "Zijn drama heeft honderd verschillende bedrijven en duizend personen,"--zegt de Fransche criticus Charles Nodier in zijn voorrede tot het werk bij de geïllustreerde uitgaaf van 1836, waaraan wij ook de geestige en fraaie houtsneden voor ònze illustraties ontleend hebben. "Gil Blas"--aldus karakteriseert hij dan verder--"is de mensch in al zijn lotswissel, zijn zwakheden en de hulpbronnen van zijn natuur; in al de illusies van zijn geest; al de verknoopingen van zijn denkvermogen; de universeele mensch van Terentius, geplaatst te midden van een samenloop van gebeurtenissen, die er vermaak in schijnen te vinden den draad van zijn droomgespin te volgen. In de Misanthrope had Molière de hoogere kringen ten tooneele gevoerd; Gil Blas brengt er heel de maatschappij op; van dien bandiet die zijn brood bedelt met den mond van zijn buks, tot de hoveling die de vruchten van 's volks arbeid onder de willekeurige goedkeuring van den vorst uitzuigt. En niet alleen zijn al de sprekende typen van de menschheid in dit werk te vinden, zij staan er ook in, van alle kanten belicht, onder al de afglansingen van het wisselend leven, in zijn omstandigheden, tijd en plaats. Aldus wordt deze roman meer dan een verhaal: een wereldbeschrijving, een ontkleeding van den mensch in zijn zedelijke ontwikkeling."
De lezer, die deze beide deelen, waarin wij het werk splitsen moesten, gaat aanbijten, weet dus wat hem wacht: meer dan een aangename tijdpasseering; ook een levenskijk op den mensch, zijn handelingen, drijfveeren, in de 18e eeuwsche Fransche samenleving, gelijk een geestig menschenkenner uit die eeuw ze gezien heeft. Wie Rousseau wil leeren begrijpen, en de na hem gekomen Revolutie, vindt in dezen roman van Le Sage een goede inwijding. Mogen velen ervan genieten!
De vertaling van dit werk, vroeger bij een ander uitgever verschenen, hebben wij vanwege onze Redactie aan een grondige herziening doen onderwerpen. Hoe wij aan de illustraties gekomen zijn, die den tekst fleurig onderbreken, hebben wij al verklapt. De lezer zal het met ons eens zijn, dat zij heel wat beter tusschen een tekst passen, dan moderne "gewasschen" en in halftoon gereproduceerde teekeningen. Zij zijn uit den goeden tijd van Gavarnie.
REDACTIE W. B.
Daar er menschen zijn, die bij het lezen van dit boek, niet zouden kunnen nalaten de ondeugende of belachelijke karaktertrekken, die erin voorkomen, op den een of ander toepasselijk te achten, verklaar ik aan deze slechtgezinde lezers, dat ze daarin verkeerd zouden doen.
Ik stel er prijs op, mijn bedoeling openlijk te belijden; ik heb mij slechts tot taak gesteld het leven der menschen weer te geven zooals het is. Ik roep God tot getuige, dat het niet mijn bedoeling is geweest iemand in het bijzonder af te beelden. Laat geen lezer zich dus iets aantrekken van wat evengoed op een ander kan slaan als op hemzelf; anders zal hij zich leelijk hebben blootgegeven (stultè nudabit animi conscientiam).
Men vindt in Castilië, evenals in Frankrijk, geneesheeren, wier methode het is hun patiënten wat te veel bloed af te tappen. Dezelfde ondeugden en dezelfde deugnieten komen in alle landen voor. Ik kom er rond voor uit, dat ik niet steeds met dezelfde nauwkeurigheid de Spaansche zeden heb beschreven en zij, die op de hoogte zijn van het ordelooze leven der tooneelspeelsters in Madrid, zouden mij voor de voeten kunnen werpen, dat ik harer lieden ongeregelde bestaan in te weinig felle kleuren heb afgeschilderd, maar ik vond het beter ze wat meer getemperd voor te stellen en ze aldus in overeenstemming te brengen met onze zeden.
Na lange jaren de wapenen te hebben gedragen in dienst van de Spaansche monarchie, trok mijn vader, Blas de Santillano, zich terug in de stad waar hij geboren was; daar huwde hij een meisje uit den kleinen burgerstand, die haar eerste jeugd reeds achter den rug had, en tien maanden na hun huwelijk kwam ik ter wereld. Vervolgens gingen zij in Oviédo wonen, waar zij genoodzaakt waren eene betrekking te zoeken: mijn moeder werd kamenier en mijn vader koetsier. Daar zij niets anders bezaten dan hun loon, zou er waarschijnlijk van mijn opvoeding niet veel zijn terecht gekomen, indien ik in die stad niet een oom had gehad, die kanunnik was. Hij heette Gil Perez. Hij was de oudste broer van mijn moeder en mijn peet. Stel u voor een kleinen man van drie en 'n halven voet hoog, buitengewoon dik, met een hoofd dat wegzonk tusschen zijn schouders, dan weet ge hoe mijn oom er uit zag. Verder was het een patertje goedleven en hield hij van goeden sier maken, en zijne gemeente, die lang niet tot de kwaadste behoorde, verschafte hem daartoe de middelen.
In mijn kindsheid nam hij mij reeds tot zich en belastte hij zich met mijne opvoeding. Ik kwam hem zoo bevattelijk voor, dat hij besloot mijn verstand te ontwikkelen. Hij kocht een alfabet voor mij en begon zelf mij het lezen te leeren, iets wat niet minder nuttig was voor hemzelf dan voor mij; want door mij de letters te leeren, begon hij zelf weer eens te lezen, iets dat hij altijd sterk verwaarloosd had; en daar hij zich ernstig op de zaak toelegde, slaagde hij erin vlot zijn gebedenboek te lezen, wat hij tevoren nooit gedaan had. Hij had mij ook nog wel latijn willen leeren, dat was weer zooveel uitgespaard; maar helaas! de arme Gil Perez had er van zijn leven nooit meer dan de allereerste beginselen van geweten; misschien (want stellig wil ik dat niet beweren) was hij wel de domste kanunnik van het heele bisdom. Ook heb ik hooren zeggen dat hij zijn post niet gekregen had om zijn vroomheid; hij dankte deze uitsluitend aan de erkentelijkheid van eenige goede zusters, wier discrete helper hij was geweest en die er in geslaagd waren hem zonder examen in den priesterstand te doen opnemen.
Hij was dus genoodzaakt mij een meester te geven en zond mij naar dokter Godinez, die voor de bekwaamste man van Oviédo doorging. Ik trok zoo goed partij van zijne lessen, dat ik na een jaar of vijf, zes iets begon te begrijpen van de grieksche schrijvers en tamelijk veel van de latijnsche dichters. Ook legde ik mij toe op de logica, die mij leerde veel te argumenteeren. Ik was zoo verzot op een dispuut, dat ik de voorbijgangers aanhield, onverschillig of ik ze kende of niet, om hun mijn argumenten voor te leggen. Soms trof ik personen aan, die daar wel van gediend waren en dan had men ons eens moeten zien disputeeren! welke gebaren, wat een grimassen, wat een verdraaiingen! Onze oogen schitterden van woede en het schuim stond op onze monden; wij leken meer op bezetenen dan op philosofen.
In elk geval kreeg ik daardoor in de stad den naam van een geleerde. Mijn oom was daarover in de wolken, omdat hij dacht dat ik hem dan spoedig niet meer tot last zou zijn. "Gil Blas," zeide hij mij eens, "de tijd van je jeugd is voorbij. Je bent zeventien jaar en een knappe jongen geworden; wij moeten er op bedacht zijn, dat je vooruit moet komen in de wereld. Ik vind dat je de universiteit van Salamanca moet bezoeken; met het verstand, dat ik in je zie, kan het niet missen of je zult er een goede betrekking vinden. Ik zal je een paar dukaten geven voor de reis, en mijn muilezel, die wel een stuk of tien, twaalf pistolen waard is; je kunt die in Salamanca verkoopen en het geld gebruiken voor je onderhoud totdat je eene betrekking hebt."
Hij had mij niets aangenamers kunnen voorstellen, want ik brandde van verlangen om wat meer van de wereld te zien. Nochtans had ik genoeg kracht in mij om mijne vreugde te verbergen; en toen ik vertrekken moest, scheen ik zoo bedroefd een oom te moeten verlaten aan wien ik zoovele verplichtingen had, dat ik den goeden man zoo verteederde, dat hij mij meer geld gaf, dan hij gedaan zou hebben, had hij op den bodem van mijn ziel kunnen lezen. Voor mijn vertrek ging ik mijn vader en moeder omhelzen, die mij geene vermaningen spaarden. Zij smeekten mij vooral God te bidden voor mijn oom, als eerlijk mensch te leven, mij niet in kwade zaken te begeven, en vooral niet het goed van anderen te nemen. Na mij verschrikkelijk lang en vervelend te hebben toegesproken, gaven zij mij hun zegen, wat ook het eenige cadeau was dat ik van hen verwachtte. Dadelijk daarop besteeg ik mijn muilezel en trok uit de stad.
Daar was ik dus buiten Oviédo, op weg naar Pegnaflor, in het vrije veld meester van mijzelven, van een slechten ezel en van veertig goede dukaten, ongerekend eenige realen die ik van mijn zeer geachten oom gestolen had. Het eerste wat ik deed, was mijn ezel zijn gang te laten gaan, d. w. z. voetje voor voetje. Ik legde den teugel over zijn hals en de dukaten uit mijn zak halend, begon ik ze in mijn hoed te tellen en over te tellen. Ik was buiten mezelf van vreugde; nooit had ik zooveel geld gezien; ik werd niet moe het te bekijken en te bevoelen. Ik telde het misschien voor de twintigste maal, toen eensklaps mijn ezel midden op den weg bleef stilstaan met de ooren in den wind. Ik dacht dat iets hem aan het schrikken had gebracht, ik keek wat dat zijn kon en zag op den weg een omgekeerden hoed liggen, waarop een rozenkrans met dikke kralen lag, en hoorde tegelijkertijd een huilerige stem roepen: "Edele heer, heb medelijden met een armen kreupelen soldaat; werp als het u belieft een paar zilverstukken in dien hoed, in de andere wereld zult ge er voor beloond worden." Ik keek naar den kant waar de stem vandaan kwam en zag aan den voet van een struik op een pas of twintig van mij af een soort soldaat, die op twee gekruisde stokken het uiteinde van een musket liet rusten, dat mij nog langer scheen dan een piek, en dat op mijn gelaat gericht was.
Op dit gezicht, dat mij deed beven voor het welzijn der kerk, bleef ik staan, drukte mijn dukaten stevig tegen mijn borst, nam er een paar realen van en terwijl ik den hoed, die bestemd was om de aalmoezen van de bevreesde geloovigen in ontvangst te nemen, naderde, wierp ik ze er één voor één in, om den soldaat duidelijk te toonen, dat ik er erg royaal mee was. Hij was dan ook zeer voldaan over mijn edelmoedigheid en gaf mij zooveel zegeningen als ik schoppen gaf aan mijn muilezel om snel van hem af te komen. Het vervloekte beest stoorde zich er echter niet aan en ging geen stap vlugger; de langdurige gewoonte voetje voor voetje te gaan met mijn oom had hem het galoppeeren geheel doen verleeren.
Ik beschouwde dit als een niet al te best voorteeken voor mijn reis, want ik bedacht dat ik nog lang niet in Salamanca was en dat ik dus nog wel slechtere ontmoetingen zou kunnen hebben. Het leek mij dan ook zeer onvoorzichtig van mijn oom, dat hij mij niet onder de hoede van een muilezeldrijver had gesteld. Hij had dit zeker moeten doen, maar hij had bij zichzelf gedacht dat de reis hem minder zou kosten als hij mij den muilezel gaf en hieraan had hij meer gedacht dan aan het gevaar dat ik misschien op reis zou kunnen loopen. Ik besloot dan ook als ik het geluk mocht hebben Pegnaflor te bereiken, mijn muilezel daar te verkoopen en met een muilezeldrijver naar Astorga te gaan en vandaar naar Salamanca. Hoewel ik nooit van Oviédo was weggeweest, kende ik toch zeer goed de namen der steden die ik passeeren moest, daar ik mij daarvan vóór mijn vertrek op de hoogte had gesteld.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.