Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Amsterdam H. J. W. Becht

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE ZWARTE PANTER.

Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de "Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken, om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan boord genomen moesten worden.

De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder een uitgespannen zeil een Bed-and-Board (dat is een toeslaande beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden, welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er werd om een drink (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.

Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem "kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel," dat "overste" beteekent.

Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos, wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed, dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien, waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde, bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden, om als ransel op den rug gedragen te worden.

De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed, maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was, en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken, zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in geen geringere mate door den sterken drank.

De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten, en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde: "Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn boys (= jongens), die men maar liever niet aan boord ziet komen."

"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor harvesters (= oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn, bij wien zij om werk kwamen aankloppen."

"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte tramps (= vagebonden); ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen houden."

"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend zijn. Wij hebben hands (= manschap) genoeg aan boord om hen allen in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg in het gezicht komen."

De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.

Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hun daardoor niet aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den met de inning belasten beambte volstrekt niet als gentlemen (= heeren van stand) behandeld werden.

Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van lichaamsbouw. De groeikracht van zijn donkeren vollen baard was zóó sterk, dat men van zijn gansche gezicht niets anders zien kon, dan de oogen, den neus en het bovengedeelte der wangen. Als hoofddeksel droeg hij een oude pet van bevervel, die in den loop der jaren bijna kaal was geworden. Welke gedaante die pet vroeger gehad had, zou niemand hebben weten te zeggen; hoogstwaarschijnlijk had zij reeds alle mogelijke gedaante-verwisselingen doorleefd. De kleeding van dien man bestond uit broek en buis van stevig, grijs linnen. In zijn breeden lederen gordelriem staken twee revolvers, een mes en verscheidene kleine instrumenten, die iedere bewoner van het verre Westen van Amerika als onmisbaar beschouwt. Buitendien bezat hij een zwaar geweer met dubbelen loop, waaraan ongeveer ter halver lengte, ten einde beide gemakkelijker te kunnen dragen, een lange bijl vastgebonden was.

Toen hij de vracht betaald had, wierp hij een uitvorschenden blik over het dek. De goedgekleede kajuit-passagiers schenen hem geen belang in te boezemen. Daar viel zijn oog op de anderen, die van hun dobbelspel opgestaan waren, om de aan boord komenden gade te slaan. Hij werd den kornel gewaar, doch liet terstond zijn blik in een andere richting gaan, juist alsof hij hem in het geheel niet had opgemerkt; maar, terwijl hij de neergezakte kappen van zijn hooge waterlaarzen weder omhoogtrok over het dik van zijn beenen, mompelde hij zacht bij zich zelf: "_Behold_ (= Kijk eens na wat ik zeg), als dat de roode Brinkley niet is, wil ik als een bokkum gerookt, en met huid en haar opgevreten worden. Het doel, waarmee hij zulk een bende boys om zich heen heeft getrommeld, is stellig niet veel goeds. Ik hoop maar dat hij mij niet herkent."

Degene, dien hij bedoelde, had hem ook opgemerkt, en daarbij een zekere gewaarwording van onthutstheid ondervonden. Hij wendde zich nu tot zijn metgezellen, en zeide zacht fluisterend: "Kijk eens even naar dien zwarten kerel! Is er iemand onder u, die hem kent?"

Deze vraag werd beantwoord met "neen".

"Nu, ik moet hem reeds vroeger eens gezien hebben, en onder omstandigheden, die voor mij niet zeer aangenaam geweest zijn. Mij dunkt, daar staat mij zoo vaag iets van voor."

"Dan zou hij u, dunkt mij, toch óók moeten kennen," merkte een der boys aan. "Hij heeft zijn oog over ons allen laten gaan; doch u, schijnt het, heeft hij niet eens opgemerkt."

"Hum! Misschien schiet het mij nog te binnen. Of ik weet nog beter; ik zal hem naar zijn naam vragen. Als ik dien hoor, zal ik uit den droom zijn. Gezichten kan ik vergeten, maar namen niet. Wij zullen een zoopje met hem maken."

"Als hij maar mee wil doen!"

"Wel, als hij niet wilde, dat zou een schandelijke beleediging zijn--dat weet gij allen evengoed als ik. Weigert u iemand om met u te drinken, dan heeft men hier te lande, het recht, om die weigering te beantwoorden met het mes of met de pistool; en steekt of schiet men den beleediger dood, dan kraait daar verder geen hen of haan naar."

"Hij ziet er, dunkt mij, niet uit als iemand, die zich zal laten dwingen tot iets, waarin hij geen trek heeft."

"_Pshaw!_ Willen wij eens wedden?"

"Ja, wedden, wedden!" riepen allen te gelijk. "De verliezer betaalt voor ieder onzer drie borrels."

"Dat neem ik aan!" verklaarde de kornel.

"Ik ook!" zeide de andere. "Maar er dient toch gelegenheid te zijn om revanche te nemen. Drie weddenschappen en telkens om de drie borrels."

"Met wie?"

"Wel om te beginnen, met den zwartbaard, dien gij zegt te kennen, zonder te weten wie hij is. Dan met een der heeren, die daar nog staan te gapen naar den wal. Nemen wij, bij voorbeeld, dien langen, die daar bij hen staat als een reus, omringd door dwergen. En eindelijk den rooden Indsman, die met zijn jongen ook aan boord is gekomen. Of zijt gij bang voor hem?"

Een algemeen gelach volgde als antwoord op die vraag, en de kornel zei op een toon van minachting: "Ik bang voor dat roode apenbakkes? Pshaw! Als gij dat nog gevraagd hadt wat den reus betreft, tegen wien gij mij ophitst. All devils (= alle duivels), wat moet die kerel sterk zijn. Maar juist die reuzen hebben doorgaans het minst moed in hun lijf, en hij is zóó fijn en mooi gekleed, dat hij stellig beter weet om te gaan in de salons van de grooten der aarde, dan met menschen van ons kaliber. Maar ik neem de weddenschap aan: een zoopje van drie borrels met elk der drie. En nu aan het werk!"

Hij had de drie laatste volzinnen met zooveel stemverheffing geuit, dat al de passagiers het gehoord moesten hebben. Ieder Amerikaan en iedere Westman kent de beteekenis van het woord "drink" (= zoopje), vooral wanneer dat zoo met luider stem en op zulk een dreigenden toon uitgesproken wordt, als hier het geval was. Aller oogen richtten zich dan ook op den kornel. Iedereen zag, dat hij, evenals zijn metgezellen, reeds half beschonken was; maar niemand verwijderde zich, daar allen nieuwsgierig waren, om te zien wie die drie waren, aan wie de dronk zou worden aangeboden.

De kornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand en trad op den zwartbaard toe, die het dichtst in de nabijheid was en naar een geschikte plaats voor zich zocht. "_Good day, sir!_" zeide hij. "Mag ik het genoegen hebben u dit glas aan te bieden? Ik houd u natuurlijk voor een gentleman, want ik drink nooit anders dan met echt fatsoenlijke lieden, en ik hoop, dat gij het zult ledigen op mijn gezondheid?"

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.