Een minuut later commandeert hij haastig: "Roep de twee kwartiermeesters en laat loggen."
Als dit gedaan is, mompelt hij plotseling: "Tien knoopen--in den vloed vier meer! Twee uren! Wij moeten het Kromvliet te loever hebben, de overstroomde landen liggen aan lij." Daarna roept hij haastig tot zijn luitenant: "Ga vóóruit en zie, of de beide ankers gereed zijn. Wij moeten trachten te komen onder de lij van Zuid-Beveland in het slecht water, waar de vloed, van de Oosterschelde komende, den stroom van de Westerschelde ontmoet. Als wij verder op geraken met dezen wind en vloed, zullen onze ankers ons niet meer kunnen houden aan deze zijde van Fort Lillo, en dat beteekent gevangenschap en dood voor iedereen, _Alva's dood_--gij weet, wat dat is!"
Hierop mompelt de luitenant niet anders dan: "Ja, dat weet ik!" en begeeft zich haastig naar vóóruit, waar men hem de matrozen kan zien commandeeren, die geroepen zijn door den bootsman. Chester, die bij het roer staat, geeft zelf de richting van het schip aan, en commandeert de beide stuurlieden.
Een oogenblik later waggelt Martin Corker, de bootsman, over het glibberige dek naar den commandant toe en fluistert schor: "Schip vooruit!"
"Hoe weet ge dat? dat zoudt ge immers onmogelijk vannacht kunnen zien."
"Lichten!"
"O, de lichten van Sandvliet."
"Neen, schepen! pistolen--haakbussen. Ik zag hun geweren flikkeren, drie streken aan lij in het slecht water onder de kust van Beveland!"
"Dan kan ik deze schepen nemen," fluistert de commandant.
Hierbij komt de natuur van dezen man plotseling duidelijk aan het licht, zijn verwonderlijke vlugheid van denken en doen. Hij beveelt: "Alle hens aan dek, klaar om te wenden. Zend twintig man naar het achterdek, om de bezaan te geiën! Laat de twee ankers stoppen tot op twintig vaâm! Gelast het stuurboordskwartier zich te wapenen met pieken, haakbussen en bijlen--enkel staal. Er moet bij deze affaire geen rumoer worden gemaakt! Commandeer drie mannen te loever met enterhaken!"
Een minuut later ziet hij vuurwapenen schitteren op een kabelslengte aan bakboord.
"Stuurboord je roer!" schreeuwt hij tot den man aan het stuurrad. "Genoeg, stuur voorzichtig, zeg ik je. Bezaan uit!"
Een oogenblik later passeeren zij rakelings de schepen en nauwkeurig de kracht van de strooming berekenend, die geweldig is, wendt hij plotseling zijn schip en geeft zijn bevelen door de spreektrompet: "Stuurboord je roer! Lijbrassen los! Haal door de loefbrassen!"
En aanstonds wendt het schip met scherp gebrast vóórtuig en staanden kluiver, die, hoewel bijna uit de lijken gewaaid, het schip spoedig in het slecht water drijft, gevormd door den stroom van de Oosterschelde, die hier het water van den hoofdmond ontmoet.
Het volgend oogenblik heeft hij twee schepen langszij en zijn de manschappen van stuurboordskwartier, door zich aan touwen af te laten, in de schepen gesprongen, die ze enteren en nemen. Deze dobberen weldra naast hem aan lij, beschermd voor de zee en den wind, terwijl hij het anker laat vallen in het slecht water, gevormd door de ondiepten en moerassen van Zuid-Beveland.
Er is blijkbaar nagenoeg niet gevochten in de boot, daar zijn manschappen haar bij verrassing genomen hebben.
Een oogenblik later klimt de bootsman weer aan boord van de Dover Lass en bericht: "Wij hebben ze beide!"
"Wat zijn het?"
"De een is een vriend en de ander een vijand."
"Wie is de vriend?"
"Dirk Duyvel en zijn Watergeuzen; en Dirk gaat te keer als een bezetene en vloekt en zweert bij hoog en laag, dat hij gemeen behandeld is."
"Wie is de vijand?"
"Een Spaansch plezier-galjoen of staatsbarge, te oordeelen naar de uitrusting en de tenten."
"Wie zijn er aan boord?"
"Roeiers, die om hun leven smeeken, en twee of drie vrouwen, op één na allen flauw gevallen. Er was ook een Italiaan aan boord of een Spanjaard, tenminste zoo iets, maar Duyvel en zijn troep hebben, toen zij hem gevangen hadden genomen, een touw om zijn lijf gebonden, hem overboord geworpen en hem zoo meegesleept; ik denk, dat hij nu wel verdronken zal zijn."
"Goed, trek den Italiaan op en breng hem aan boord. Zend Dirk ook hier."
Een oogenblik later komt een breedgebouwde Hollandsche zeerob aan boord, stampt hard met zijn zware laarzen en vloekt bij iederen stap, dien hij doet.
"Kom hier, Dirk, wat hebt gij te vloeken?" lacht de jonge commandant.
"Waarom ik vloek? Ik vloek op u! Wie geeft u het recht, mij mijn buit af te nemen? Wie zijt gij, zeg?"
"Kent ge me niet meer, Dirk? Kom eens hier."
De commandant werpt de deur van zijn hut open en wenkt den Hollandschen zeeman, dat hij hem naar binnen zal volgen. Er hangt een schommelende lamp aan een dwarsbalk van den koekoek, die een schemerachtig licht verspreidt, maar de duisternis is zóó ondoordringbaar, dat de Hollander en de Engelschman toch beiden met hun oogen knippen, als zij binnenkomen.
Deze bijnaam, waarmee hij Guy betitelt, is hem door de Hollanders gegeven, toen hij voor het eerst in hun land verscheen als spion, gezant en agent van koningin Elizabeth; daar Engeland op voet van vrede met Spanje verkeert, heeft zijn souverein openlijk de daden van den man afgekeurd, die zijn leven dag aan dag in de waagschaal stelde voor hare belangen op de kusten van Holland, belangstellend den ongelijken strijd gadeslaande, dien de Nederlanders voeren tegen de macht van Philips II van Spanje en de wreedheden--het verwoesten, verbranden, geeselen en martelen--van Alva, zijn onderkoning. Deze bijnaam, de "Eerste der Engelschen", is hem waarschijnlijk gegeven in de hoop--hoe flauw die ook was--dat hij niet de laatste Engelschman zou zijn; dat anderen na hem zouden komen, om hen te helpen strijden voor vrijheid van denken en dat zij, zoo zij al niet openlijk worden bijgestaan, althans in het geheim ondersteund zullen worden door de macht der dochter van Hendrik VIII;--heeft toch Philips niet gezworen, de kettersche Engelschen evengoed als de Hollanders te zullen verdelgen in het belang van den godsdienst? Want totaal verslagen te Jemmingen en verdreven uit Friesland, hun stadhouder en prins een balling in Duitschland, bestaat er voor de aanhangers van Willem den Zwijger geen hoop op redding meer, tenzij door de krachtdadige tusschenkomst, of zoo hem deze niet mocht worden verleend, door den heimelijken bijstand van Engeland.
Als hij den Engelschman herkent, komt er een droomerige uitdrukking op het gelaat van Dirk Duyvel, ofschoon hij grimmig mompelt: "Kapitein Chester, uw daad is niet de daad van een Watergeus."
"Wel verdraaid! Gij weet best, dat ik een van de uwen ben," lacht de jonge man, een penning toonend, dien hij om den hals draagt en waaraan twee of drie geuzennapjes hangen met deze woorden er op: "_En tout fidelles au Roy!_" en een borstbeeld van Philips II van Spanje.
"Een wonderlijke zinspreuk voor een Engelsch onderdaan," vervolgt Guy, "doch sinds ik een der uwen werd, ter wille van haar, die mij herwaarts zond," hij aarzelt een weinig, eer hij de woorden uitspreekt, "heb ik tegenover u gehandeld als een broeder Gueux, en trouw gezworen aan de grondbeginselen van de Bedelaars van de Zee--als zij er die ten minste op na houden. Houden zij er die op na, Dirk?" spotte hij. "Antwoord mij, gij zeeschuimer. Hebt gij niet het schip van uw eigen broer gekaapt, verleden jaar?"
"Nu, die geschiedenis is voor tweeërlei uitlegging vatbaar, kapitein," bromt de Hollander. Daarna vervolgt hij angstig: "Maar gij zijt toch niet van plan, mijn buit te rooven?"
"Neen, ik wil u alleen maar helpen, hem in veiligheid te brengen. En gij hebt mijn hulp vannacht wel noodig, want gij zoudt het met dezen wind zonder mij nooit klaarspelen en uw schepen weer bereiken. Waar zijn zij?"
"Ongeveer vier mijlen de Oosterschelde af."
"Dan zou uw boot ze nooit bereiken. Gij zoudt in het Sandvliet gedreven worden of voorbij de forten, in Alva's klauwen, tenzij gij op een dijk werdt geworpen, waar gij gevaar liept, door zijn Spaansche huurlingen overhoop te worden geschoten. Gij zoudt uw ankers hier niet kunnen uitwerpen, uw booten zouden zinken; zonder de hulp van mijn schip zoudt gij binnen tien minuten in de armen van de zeenimfen liggen of binnen twee uren in Alva's handen zijn. Wat zou het ergste wezen?"
"Ik denk, dat in Alva's handen te vallen, het ergste zou zijn, zoowel voor mij als voor u! Hij haat den 'Eerste der Engelschen' haast nog meer dan ons, oproerlingen," grijnst de Hollander. Hij huivert toch bij het uitspreken van dien naam, gevreesd door iederen Nederlander en meer nog door al die bannelingen, welke zich tot lijfsbehoud gedwongen hebben gezien, om, onder den naam van Geuzen, piraten en zeeroovers te worden, ofschoon zij de vrijheidsapostelen zijn onder Willem van Oranje.