Storieta
Save & sign up

About this book

Dit werk is een verzamelbundel van tien Arthur-sagen, uitgekozen door Nelly Montijn‑de Fouw om een overzicht te geven van de legendarische cyclus zoals die zich in de 12e‑ en 13e eeuw over Europa verspreidde. De inleiding legt uit dat de eerste en laatste verhalen – de komst en de dood van Koning Arthur – de oudste Britse overleveringen bevatten, terwijl de overige stukken, hoewel uit de Engelse letterkunde ontleend, hun oorsprong vinden in Oud‑Franse dicht‑ of prozawerken. De auteur bespreekt ook de Middelnederlandse traditie, verwijzend naar de Lancelot‑compilatie van Lodewijk van Velthem en de bewerkingen van Jacob van Maerlant, en geeft een kritische toelichting op de bronnen en hun historische context. Zo ontstaat een compacte, maar grondige inleiding op de rijkdom van de Arthur‑mythen, zonder de eigenlijke verhaallijn te onthullen.

De tekst is geschreven in een formeel, middeleeuws Nederlands, doordrenkt van academische toelichtingen en een licht ironische toon wanneer de auteur zijn eigen beperkingen bespreekt. Het taalgebruik is rijk aan ouderwetse termen en verwijzingen naar historische kronieken, waardoor het vooral lezers zal aanspreken die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling van ridderromans, de literaire geschiedenis van de Lage Landen en de culturele uitwisseling tussen Brittannië en het oude Frankrijk. Geschiedenis‑ en literatuurstudenten, of liefhebbers van klassieke middeleeuwse sagen, vinden hier een waardevolle bron die zowel informatief als sfeervol is.

Characters in Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde

  • TristanYoung medieval knight in chainmail, long hair, gauntlet, solemn expression
  • IsoldeElegant noblewoman in flowing gown, braided hair, delicate veil, serene gaze
  • Koning ArthurMajestic king in regal robes, crown, sword Excalibur, dignified bearing

The opening · free to read

Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen. [1] Beide behooren tot den Arthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur [2] en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.

Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur's Komst en Arthur's Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.

In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12e en 13e eeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.

In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.

Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.

Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.

Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof van Vlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.

Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.

Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14e eeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur's Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael, [3] waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman "van den Ridder metter Mouwen", en een "van de Wrake van Ragisel" benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.

Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13e eeuw door de dichters Penning en Vostaert.

Jacob van Maerlant (± 1235-± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257-1264.

"De Historie van den Grale" en "Merlijns Boeck" vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem "het boek van Koning Artur", dat zich bij Maerlant's "Merlijn" aansluit en de vertaling is van een Fransch "Livre du Roi Artus."

Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.

Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: "Tristan en Isoude", "Octaviaan", "Madocs Droom" en "Amadas en Ydoine", van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.

Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.

In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen maken allerminst aanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.

Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch--ondanks al hun pogen--zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.

Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5e en 6e eeuw hun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de "Historia Brittonum", waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.

Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.

De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van "dux bellorum". Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als "dux bellorum" moet Arthur in de 5e eeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon--Mons Badonis--waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.

Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van "imperator", moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië [4], het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.

Van den aanvang af schijnt Arthur's naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. "Mirabilia" bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijn zeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur's hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is. [5]

Verder wordt ons in de "Mirabilia" verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.

Vreemd genoeg komt Arthur's naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: "De Excidio et Conquestu Brittanniae" geschreven door een monnik: Gildas in de 6e eeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871--901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from Frankenstein

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.