Public-domain ebook
Frits Millioen en zijne vrienden
Dutch418 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24425.
Public-domain ebook
Dutch418 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24425.
The opening · free to read
»De catechisatie was uitgegaan," zooals de geijkte term luidde; »uitgevlogen" ware juister geweest, want een zwerm meisjes, kleine, groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen wier korf werd verstoord, het huis van den dominé uit, en hortten in haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de catechisatiekamer gingen innemen. De haast die ze hadden om de plaats binnen te dringen, waar menig hunner licht een mauvais quart d'heure te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologische en eene historische onwaarheid zijn tegelijk--maar de woeste knapen hadden eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten, troffen ze al licht samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot gestoei en pretmakerij.... ze hadden een vol uur strak en stemmig neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze het oogenblik waarnamen, waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te maken! Nu! daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken, daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken, ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uit werkelijk leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt.
Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en--»even de krant," daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te komen. In allen gevalle hij was geen schoolmeester en voordat het nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden zijne waardigheid om de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan die in te roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep door de wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden geginnegapt--ontvangen te worden met eene gemaakte grimmigheid.
»Wel Saartje is me dat laten wachten!"
»Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet...."
»Mooi! kan ik het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf."
»Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!" maar reeds werd het praatstertje door hare onvriendelijke bonne wat ruw bij de hand gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar vriendinnetje werd weer op andere wijze begroet.
»Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d'r haveluinig uit. Wat zal uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!" was de uitroep met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels het mogelijke deed om het scheefstaande hoedje recht te zetten en het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken.
»Och, Trijntje! je weet niet hoe ik verschrikt ben," was het antwoord der kleine blonde met een stemmetje hijgend van agitatie en hoogroode wangen; »de jongens zijn weer zoo woest geweest, ze hebben gevochten, en ik ben in 't gedrang geraakt, omdat...."
»Ja! ja! juffertje wildzang--de jongens krijgen de schuld, maar de meisjes willen wel zoo, of waarom zijn Saartje en Dientje niet met de eersten mee weggegaan?" voegde Trijntje haar lachende toe, maar niet zonder een afkeurend hoofdschudden.
»Ik kon niet eerder Trijntje, heusch!"
»Als onze Dientje heusch zegt, dán is het waar; maar waarom kon dat dan ook niet?"
»O! dat's te lang om je nu op straat te vertellen...."
»Bestig, als het een geheim is laten we dan maar gauw maken dat we thuis komen, dan zal tante het er wel uit krijgen," en voort gingen ook die twee, de laatsten van het drukke troepje, dat de anders stille straat voor een oogenblik had verlevendigd.
II.
Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven, na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij het heengaan!
Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten, slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel, dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich, voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd.
Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete far niente te verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend:
»Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!" en gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant naar zich toe, die bij 't openslaan bleek een Statenbijbel te zijn, bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare onbeslistheid waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend in eene tusschenpoozende alleenspraak.
»Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om een paar dozijn hoorders." Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die ... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen, neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de douairière van Klingelberg komt altijd 's Woensdags bij mij. 't Is zoo'n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden, en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.--Salomo! dat's een heerlijke inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel komen! ik ben er al!" en zoo fier en verheugd als Archimedes toen hij zijn: »Ik heb het gevonden!" uitriep, rees dominé op om een der pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en 't fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig malaise. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen dat hij een knorrig »binnen!" hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg:
»Wat is er Antje?"
»Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken wil."
»Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een quasi-antiquiteitje opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw of zij het niet voor mij kan afdoen?"
»Heel goed, dominé!" en Antje trok af.
Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord, voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat het »eten klaar was." Waartoe hem langer te bespieden en dieper in te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest, de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht," zooals men destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift, die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden." Toch had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk" te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige en plichtmatige van een redelijken godsdienst," zorgde bij hen de overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd" te wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met juistheid weer te geven, hem verplichtte om er eenige malen om heen te draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben, iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde, hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene, dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems--al was hij geen wolf in de schaapskooi--is niets meer dan de handwerksman, die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur, eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet, in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij niet in een vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen, hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat, en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift, er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als beroep zooveel van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.