Storieta
English
Save & sign up

About this book

Dit is een romantisch‑avontuurlijk verhaal van H. Rider Haggard, waarin de jonge Beatrice Granger op haar tweeëntwintigste verjaardag langs de ruige kust van de Dog Rocks staat. De opening schetst een sombere herfstavond, een dichte nevel die het water en de rotsen verzwijgt, en een innerlijke monoloog waarin Beatrice reflecteert op haar groei sinds de dood van haar moeder. Terwijl ze haar eigen spiegelbeeld in het golvende water ziet, wordt haar gedachtenstroom onderbroken door een mysterieus figuur in zeewier, wat de sfeer van een naderend, onheilspellend avontuur insluit. Het eerste hoofdstuk introduceert tevens de gevaarlijke Roode Rotsen en de jager Geoffrey Bingham, die met zijn geweer en een zwervende mist een onverwachte ontmoeting met Beatrice veroorzaakt. Deze combinatie van natuurbeschrijving, introspectie en een aankomende spanning zet de toon voor een verhaal dat zowel innerlijke als uiterlijke reizen belooft.

De stijl is kenmerkend voor het late Victoriaanse tijdperk: een weelderig, bijna poëtisch proza met lange, beschrijvende zinnen en een nadruk op gevoel en moraliteit. Haggard’s vertelstem weeft gedetailleerde landschapsportretten en psychologische observaties samen, waardoor de lezer zowel de ruige kust als de innerlijke wereld van de personages scherp kan visualiseren. Lezers die houden van klassieke, atmosfeer‑rijke fictie met een vleugje mysterie, een sterke vrouwelijke protagonist en een vleugje historische romantiek zullen zich in dit werk thuisvoelen. Het is met name aantrekkelijk voor wie geniet van de combinatie van natuur‑evocatie en een subtiel opgebouwde plot die geleidelijk onthult wie of wat er achter de nevel schuilt.

Characters in Beatrice

  • Beatrice GrangerYoung Victorian woman, auburn hair pinned back, pale skin, blue eyes, high‑necked cream dress, standing on rugged cliffs, wind‑blown
  • Geoffrey BinghamLate‑20s Victorian hunter, dark hair, stubble, brown tweed coat, leather boots, holding a muzzle‑loading rifle on misty coastline

The opening · free to read

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Beatrice.

Uit het Engelsch van H. Rider Haggard, Schrijver van "Jess," enz.

door C. Baarslag.

Amsterdam, Holdert & Co. 1890.

Hoofdstuk I.

Een visioen in den nevel.

De herfstnamiddag ging in avond over. De lucht was bewolkt geweest, maar de wolken hadden zich van lieverlede in een donkerblauw opgelost. De zee was zoo stil alsof zij sliep, doch in haar slaap rees zij met den wassenden vloed. Het oog kon dat langzamerhand wassen niet opmerken, maar Beatrice, die op het uiterste punt van de Dog Rocks stond, zag het lange, bruine zeewier aan den kant der rotsen allengs onder de groene golven verdwijnen. Inmiddels had zich een dichte nevel over het stille water verspreid. Hij was niet uit het westen aangewaaid, hij kwam eenvoudig als de schemering, maakte de stilte nog stiller, en deed de omtrekken van het land ineensmelten. Beatrice zag niet meer naar het zeewier, en vestigde al haar aandacht op dat toenemend nevelachtig waas.

"Welk een merkwaardige avond!" zeide zij bij zichzelve. "Zoo een heb ik niet gezien sedert moeder gestorven is, en dat is nu zeven jaar geleden. Ik ben sedert dien tijd gegroeid, in elk opzicht gegroeid," en zij lachte eenigszins droevig, en zag naar haar eigen afspiegeling in het water.

Zij had nauwelijks naar iets bekoorlijkers kunnen zien, want bezwaarlijk had men een meisje kunnen vinden van een edeler voorkomen dan Beatrice Granger, terwijl zij op dezen haar twee-en-twintigsten verjaardag daar op de nevelachtige zee staarde.

Van iets meer dan middelbare lengte, en van eene gestalte, die een beeldhouwer tot model had kunnen dienen, schenen kracht en gezondheid uit haar geheele wezen te stralen. Maar het was inzonderheid haar gelaat, met den stempel van schranderheid en zielskracht, wat haar zelfs onder vrouwen, die schooner waren dan zij, in 't oog moest doen vallen. Er zijn vele meisjes, die weelderig, bruin haar hebben, meisjes, wier donkergrijze oogen eene teedere uitdrukking kunnen aannemen, als die eener duif, of schitteren als de door de zon bestraalde zee, en die de vergelijking met eene bloeiende roos kunnen doorstaan. Maar weinigen kunnen een gelaat vertoonen zooals Geoffrey Bingham dat voor 't eerst, tot zijne droefheid en zijne hoop, aanschouwde. Het teekende de kracht en frischheid van de zeekoelte, en wie het zag moest wel weten dat er een even frissche, krachtige geest uit sprak. En toch was het echt vrouwelijk; het had niets van den harden stempel der "beschaafde" vrouw. Zij, die dat gelaat bezat, was tot vele dingen in staat. Zij kon liefhebben en zij kon lijden, en als het noodig was, kon zij moedig strijden of sterven. Dat stond te lezen op dat edel, open voorhoofd en in die zielvolle, grijze oogen--namelijk, voor hen, voor wie het karakter geen gesloten boek is en wie het willen bestudeeren.

Maar Beatrice dacht niet aan haar bekoorlijkheid, terwijl zij in het water staarde. Zij wist, natuurlijk, wel dat zij schoon was; haar schoonheid was te in 't oogvallend om voorbijgezien te worden, en bovendien was zij er op verscheidene, meer of minder aangename wijzen opmerkzaam op gemaakt.

"Zeven jaar," dacht zij, "sedert dien avond van den 'nevel des doods,' zooals de oude Eduard het noemde, en dat was het ook. Ik was toen nog maar zóó hoog," en den loop harer gedachten volgende, raakte zij haar borst aan. "En ik was op mijn wijze gelukkig ook. Waarom kan men niet altijd vijftien jaar zijn en alles gelooven wat ons verteld wordt?" en zij zuchtte. "Zeven jaar en nog niets gedaan. Werken, werken, en van dat werken komt niets, en alles verdwijnt. Ik vind het leven zeer vervelend, als men alles verloren en niets gevonden heeft, en niemand liefheeft. Hoe zou het over zeven jaar zijn?"

Zij bedekte haar oogen met de handen, en daarna zag zij weder in het water. Het licht, dat door den nevel worstelde, was achter haar, en de nevel werd dichter. Eerst had zij eenige moeite om haar eigen beeld in den waterspiegel te onderscheiden, en het vertoonde zich aan haar, alsof zij in het met den nevel samensmeltende water op den rug lag. "Hoe zonderling komt mij dat voor," dacht zij; "wat is het, waaraan die afspiegeling, met al dat wit er omheen, mij herinnert?"

Het volgend oogenblik ontglipte haar een kreet, en wendde zij zich af. Nu wist zij het. Het beeld harer moeder was haar voor den geest gekomen, zooals zij haar zeven jaar geleden gezien had.

Hoofdstuk II.

Bij de Belrots.

Op ruim een mijl afstands van de plaats, waar Beatrice stond en visioenen zag, en verder langs de kustlijn, steekt een tweede groep rotsen, om haar kleur bekend als de Roode Rotsen, of soms, om een andere reden, als de Belrotsen, ongeveer drie kwart mijl ver in de zee vooruit. Bij eb zijn die rotsen bloot, zoodat men tot het uiterste punt kan loopen of waden; maar als het volle vloed is, komen slechts de met zeewier begroeide kruinen van twee der grootste boven de klotsende golven uit. Bij zekeren wind en getij is dit in ruw weder een allergevaarlijkste plek, zooals menig schip ten zijnen koste heeft ondervonden. In 1780 is daar een driedekker-oorlogsschip, met zeven honderd koppen bemand, in een vreeselijken winterstorm gestrand, en, op één uitzondering na, met man en muis vergaan. Die ééne uitzondering was een man in boeien geslagen, die, op een stuk van het wrak gezeten, veilig en bedaard aan land kwam drijven. Hoe de schipbreuk gebeurd is, weet niemand, de overlevende in boeien het allerminst, maar de traditie van het verschrikkelijk voorval leeft nog in het district, en, niet onnatuurlijk, heet het op de plek, waar de beenderen der verdronken schipbreukelingen nog door het zand te voorschijn komen, te spoken. Sedert die ramp is er op de hoogste rots een groote bel gezet (oorspronkelijk de bel van het verongelukte schip zelf, met den naam: "Harer Majesteits Donder" op het metaal gestempeld) en bij storm en hoogen vloed klinkt haar waarschuwend gelui over de diepte.

Maar nu was de bel stil, en vlak er onder, in de schaduw van de rots, waarop zij geplaatst was, zat een man half verborgen in zeewier, waarmede hij zich opzettelijk bedekt scheen te hebben. Het was een man van een knap voorkomen, breed van schouders, forschgebouwd, en naar gissing zal hij ongeveer vijf-en-dertig jaar geweest zijn. Van zijn gestalte was echter op dit oogenblik, in den nevel en tusschen het zeewier, niet veel te zien. Maar zooveel licht als er was, viel op zijn gelaat, terwijl hij over en om de rotsen tuurde of snel zijn geweer met dubbelen loop, dat hij tusschen zijn knieën hield, aanlegde.

Het was een schrander gelaat, met bruinachtige oogen, een donkeren, spitsen baard en sterk geteekende trekken. En toch was er iets zachts in den trek, die om den mond speelde, als het licht op den rand van een donkere wolk, dat zonneschijn doet vermoeden. Maar weinig daarvan was nu zichtbaar. Geoffrey Bingham, meester in de rechten, was verdiept in een ernstige bezigheid. Hij beproefde kemphanen te schieten, terwijl zij over zijn schuilplaats vlogen, op hun weg naar de modderige oevers verder op de kust, waar zij hun aas vinden.

Als er iets is, dat iemands geduld op de proef stelt en de scherpste opmerkzaamheid vereischt, dan is het voorzeker wel het schieten van kemphanen in een nevel. Misschien moet hij een uur, of zelfs twee uren, wachten, zonder iets te zien. Dan hoort hij mijlen ver het gekrijsch van kemphanen in de vlucht. Hij spant zijn oogen in, het gekrijsch komt nader, maar hij ziet nog niets. Eindelijk, ja, daar krijgt hij op een afstand van misschien zestig meter zijwaarts van hem af, het klepperen van vleugels in het oog, en als een bliksemstraal zijn zij weg, Weder een gekrijsch--de kemphanen komen aanvliegen. Hij kijkt, hij tuurt, springt in zijn opgewondenheid overeind en heft zijn hoofd onvoorzichtig ver boven de hem verbergende rots op. Een groote vlucht van wel dertig of meer vliegt regelrecht naar hem toe, al nader en nader. Daar legt hij zijn geweer aan, maar helaas! zij zien den loop in het licht glinsteren, en misschien hebben zij ook het hoofd daarachter in 't oog gekregen, en in een seconde verstrooien zij zich in alle richtingen en verdwijnen met een treurig gekrijsch in den nevel.

Dat is erg, maar de vurige jager gaat met een zucht weer zitten en wacht, naar het zacht geklots van den vloed luisterende. En nu wordt zijn geduld eindelijk beloond. Eerst komen er twee wilde eenden, die als pijlen de lucht klieven. Den woerd mist hij; maar de wijfjeseend is geraakt en ploft neder. Nauwelijks heeft hij opnieuw geladen, of daar hoort hij weer het gekrijsch van kemphanen--ditmaal dicht in zijn nabijheid. Daar komen zij in den nevel opdagen. Pang!--en de eerste ligt tusschen de rotsen te klapwieken. Pijlsnel vliegt de tweede zijwaarts. Pang! hem achterna, en hij is ook geraakt. Hoor hem op vijftig meter afstands in het water plassen! En nu wordt de mist zoo dicht, dat het voor dien dag met de jacht gedaan is. Welnu die juist gemikte schoten zijn wel waard drie uur in het natte zeewier te zitten en op den koop toe een zware verkoudheid op te doen--ten minste, voor ieder man, die een waar hart voor het jachtvermaak heeft.

Zoo iets had Geoffrey Bingham juist ondervonden. Hij had zijn wilde eend en een van de geschoten kemphanen in zijn weitasch gestoken, want de andere dreef op de zee, toen het plotseling toenemen van den mist een einde aan zijn verdere verrichtingen maakte. Hij schudde het natte zeewier van zijn kleeding, en na een kort pijpje opgestoken te hebben, liep hij langs den kant van de rots, waar de vloed al meer en meer tegen opsteeg, in den mist te turen, om den anderen kemphaan te zoeken. Op een oogenblik dat de nevel een weinig optrok, zag hij op eenigen afstand den vogel drijven. Linksaf liep de rots in een punt uit, en hij wist bij ondervinding dat de opzettende vloed den kemphaan daar voorbij zou stuwen. Dus ging hij naar dit uiterste punt, zette zich op een steen neder, en wachtte. Inmiddels steeg de vloed snel, maar in zijn ijver om den kemphaan ook in zijn weitasch te steken, lette hij daar niet op, vergetende dat hij van het land afgesneden zou worden. Eindelijk, na langer dan een half uur gewacht te hebben, kreeg hij den vogel in 't oog, maar ongelukkig nog wel bijna twintig meter van hem af, en in diep water. Hij had het er echter op gezet den vogel te krijgen, want Geoffrey liet zijn geschoten wild niet gaarne in den steek, dus stroopte hij zijn broek op en beproefde er heen te waden. Bij de eerste stappen ging alles goed, maar bij den vierden of vijfden kwam hij in een gat terecht, waardoor zijn rechterbeen tot aan de dij nat werd en zijn voet omzwikte. Beseffende dat het zeer lastig zou zijn, als hij op zulk een eenzame plaats zijn voet verstuitte, keerde hij terug, en begreep dat, als hij niet wilde dat de kemphaan voedsel voor de haaien zou worden, hij beter deed er heen te zwemmen. Dit besloot hij dan ook te doen, en reeds had hij te dien einde zijn jas en vest uitgetrokken, toen hij eensklaps door den nevel heen een bootje voor zich uit zag. Daar kwam hij op een inval: degene, die zoo dwaas was in zulk weer een roeitochtje te doen, kon den kemphaan voor hem halen en hem het zwemmen uitwinnen.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.