Storieta
English
Save & sign up

About this book

Dit tweede deel van Cesar Cascabel is een avontuurlijke reisroman die zich afspeelt op de bevroren wateren tussen Alaska en Siberië. Het verhaal begint met een gedetailleerde beschrijving van de Beringstraat, een smalle zeearm die de Beringzee met de Noordelijke IJszee verbindt, en schetst de logistieke dilemma’s van de karavaan die met de Schoone Zwerfster op zoek is naar een veilige oversteek. De personages – onder wie de onverschrokken Cascabel, de pragmatische Sergius en de jonge Jan met zijn kompas – moeten hun tocht plannen te midden van ijsschotsen, sneeuwstormen en een ondoorzichtig ijsveld, terwijl ze zich voorbereiden op een mogelijke rust op het eiland Diomedes. De opening legt de nadruk op de harde omstandigheden, de noodzaak van voorzichtigheid en de spanning tussen ambitie en realiteit, zonder de plot verder te onthullen.

De stijl is typisch voor Jules Verne: een mengeling van nauwgezette geografische en technische details met levendige dialogen en een licht ironische toon. Het taalgebruik is rijk aan 19e‑eeuwse uitdrukkingen, waardoor de lezer een authentiek historisch gevoel krijgt. Liefhebbers van klassieke avonturen, reizigersverhalen en historische fictie – vooral diegenen die gefascineerd zijn door de barre landschappen van Alaska, Rusland en de Beringzee – zullen zich aangetrokken voelen tot deze gedetailleerde, karaktergedreven vertelling.

Characters in Cesar Cascabel, Deel 2 Over het IJs en door de Steppe

  • CascabelRugged mid‑30s explorer, dark beard, weather‑worn face, fur‑lined coat, tricorn hat
  • SergiusStoic Russian officer, crisp uniform, high collar, sideburns, stern eyes, moustache
  • JanYouthful traveler, light‑brown hair, simple wool jacket, compass in hand, eager expression

The opening · free to read

IN DE BEHRINGSTRAAT.

De Behringstraat, door welke de Behringzee verbonden wordt met de Noordelijke IJszee, is een zeearm van betrekkelijk geringe breedte. Zij ligt in dezelfde richting en op gelijke wijze als het Nauw van Calais gelegen is tusschen het Engelsche Kanaal en de Noordzee, maar is driemaal zoo breed. Van kaap Gris-Nez op de fransche kust tot aan Zuid-Voorland op de engelsche is een afstand van niet meer dan zes of zeven mijlen. Numana in Siberië ligt ongeveer twintig mijlen van Port-Clarence in Alaska.

De Schoone Zwerfster, na hare laatste halte op de amerikaansche kust verlaten te hebben, zette thans koers naar Numana; het naastbijgelegene punt van het aziatische strand.

Zonder eenigen twijfel zou het voor Cascabel voordeeliger geweest zijn, indien hij de Behringzee in schuinsche richting had kunnen oversteken. Hij had zich dan niet op zulk eene hooge breedte behoeven te begeven en ware een heel eind beneden den poolcirkel gebleven. Zijn koers zou dan ten naasten bij zuidwest geweest zijn, met het eiland Sint Laurens tot eindpunt. Dit is een tamelijk groot eiland, bewoond door verschillende Eskimo-stammen, die even vreedzaam en vriendelijk zijn als de inboorlingen van Port-Clarence. Haren tocht vervolgens voortzettende, zou de karavaan de golf van Anadyr voorbij getrokken en aan kaap Navarino beland zijn, om van daar den rit door de uitgestrekte vlakten van zuidelijk Siberië te ondernemen. Maar dit zou eene veel langere reis over zee, of om juister te spreken over het ijsveld geweest zijn en daaraan konden groote gevaren en moeilijkheden verbonden zijn. Het is dus duidelijk dat zij de voorkeur moesten geven aan de richting welke hen het spoedigst weder op het vasteland bracht. Daarom werd er geene verandering meer gebracht in hun oorspronkelijk reisplan, hetgeen hierin bestond dat zij rechtstreeks op Numana aanhielden, met het voornemen om op het eiland Diomedes eenigen tijd rust te nemen. Dit eilandje, of liever dit rotsblok, ligt midden in de Behringstraat en is als het ware daar neergelegd om als rustpunt te dienen.

Hadden zij een vaartuig tot hunne beschikking gehad waarop zij den reiswagen met toebehooren hadden kunnen zetten, dan zou Sergius hun wel eene andere richting aan de hand gedaan hebben. Uitgaande van Port-Clarence had hij den steven zuidwaarts gewend naar het Behring-eiland, eene geliefkoosde verblijfplaats voor robben en andere zeedieren. Van daar zou hij naar eene der havens op de kust van Kamschatka, misschien wel naar Petropavlovsk, de hoofdstad dier provincie, overgestoken zijn. Maar een vaartuig bezaten zij niet, en de kortste weg, die hen het spoedigst op den aziatischen wal zou doen aanlanden, was en bleef dus de beste.

De zee heeft in de Behringstraat geen groote diepte. Het is gebleken dat de bodem zich, sedert het ijs-tijdperk, langzaam maar voortdurend heeft opgeheven, zoodat het niet tot de onmogelijkheden behoort dat in eene verre toekomst Azië en Amerika weder door eene strook land aaneengehecht zullen worden. Dat zou dan de brug wezen, die Cascabel wenschte dat er gemaakt zou worden, of liever een landtong, waarover men van het eene werelddeel naar het andere komen kon. Voor het reizigersverkeer zou dit wel nuttig wezen, maar de scheepvaart zou er slecht mede gediend zijn want de walvischvaarders zouden niet meer in de Noordelijke IJszee kunnen komen. Er zou dan weder een De Lesseps moeten komen om eenen doorgang in de landengte te graven. Maar dat zijn in elk geval dingen waar de achterkleinkinderen van onze verre achterneven zich eerst mede bezig zullen moeten houden.

De hydrographische opnemingen en loodingen in verschillende deelen der Straat hebben aan het licht gebracht dat het vaarwater aan de aziatische kust, langs het Tchouktchi-schiereiland, het diepste is. Daar heeft men den koudwaterstroom die uit het Noorden komt, terwijl daarentegen de warmwaterstroom de amerikaansche kust bespoelt, waar het vaarwater het minst diep is.

Dicht bij het Tchouktchi-schiereiland en het eiland Kolioutchine, in de golf van dien naam, is het schip van Nordenskjöld, de Vega, twaalf jaren na de gebeurtenissen die wij verhalen, in het ijs vastgeraakt. Het was behouden door de noordoostelijke passage heengekomen en heeft gedurende negen maanden, van den 26sten September 1878 tot den 15den Juli 1879 op deze plek overwinterd.

De Cascabels waren dus op den 21sten October onder vrij gunstige omstandigheden vertrokken. Het was droog, koud weder. De sneeuwstorm had opgehouden, de wind was gaan liggen en een weinig naar het Noorden gedraaid. De hemel vertoonde een eentonig vlak van grauwe wolken. Ternauwernood konden zij vermoeden waar de zon achter dit wolkendak gezocht moest worden; hare in zeer schuinsche richting vallende stralen schenen er nergens doorheen. Op den middag, als de zon het hoogst stond, kwam zij niet meer dan enkele graden boven den gezichteinder.

Vóór dat zij van Port-Clarence vertrokken waren hadden zij eene zeer verstandige afspraak gemaakt, namelijk dat de tocht niet voortgezet zou worden zoodra het donker begon te worden. Het ijsveld was op vele plaatsen met scheuren doorsneden, welke zij niet konden vermijden wanneer zij ze niet zien konden, hetgeen licht aanleiding had kunnen geven tot een ernstig ongeval. Daarom hadden zij de bepaling gemaakt dat zoodra zij niet verder voor zich uit konden zien dan een honderdtal schreden, de rit gestaakt moest worden. Het was beter dat zij desnoods veertien dagen besteedden over de twintig mijlen die zij afteleggen hadden, dan dat zij op den tast verder gingen terwijl zij geen zicht meer hadden.

Het had vierentwintig uren aan één stuk gesneeuwd, zoodat het ijsveld bedekt lag met een dik sneeuwtapijt, dat door de vorst vast en effen gemaakt was. Dit maakte het rijden minder bezwaarlijk, maar het was wenschelijk dat het nu, terwijl zij onderweg waren, niet meer zou gaan sneeuwen. Alles zou dan als van zelf gaan. De eenige hinderpalen welke zij konden ontmoeten, waren ijsschotsen, die op de plaatsen waar de koude en de warme stroom zich kruisen, op elkander gekruid konden wezen. Waar dit het geval was zouden zij eenen omweg hebben te maken, want over zulk een hobbelig en glibberig terrein konden zij de Schoone Zwerfster niet heenkrijgen.

Zooals reeds gezegd is, waren Cornelia, Kayette en Napoleona binnen in den reiswagen gegaan. Teneinde den last zoo licht mogelijk te maken, zouden al de reizigers van het mannelijke geslacht te voet er bij loopen.

Zij hadden ook eene geregelde marsch-orde bepaald. Jan zou een eind vooruitloopen teneinde den weg te verkennen. Dit was hem goed toevertrouwd; hij had een kompas bij zich, en ofschoon er niet veel vaste punten waren waar hij zijne richting met zekerheid op bepalen kon, wist hij toch vrij nauwkeurig den koers naar het Westen te houden.

Kruidnagel leidde de twee paarden, Vermout en Gladiator, bij den teugel teneinde ze staande te houden als zij soms struikelden; maar zij waren met scherpe hoeven beslagen en stonden dus tamelijk vast op hunne beenen. Bovendien waren er op het vlakke ijs niet veel oneffenheden waar zij tegen op konden tornen.

Naast het rijtuig liepen Sergius en Cesar Cascabel, evenals de anderen in pelzen gewikkeld, met hunne sneeuwbrillen op. Zij kortten zich den weg met druk te praten.

Wat Sander aangaat, dien kwajongen hadden zij geene vaste plaats kunnen aanwijzen, want hij zou er zich toch niet aan gehouden hebben. Hij liep heen en weer, nu voor dan achter, evenals de twee honden; ook speelde hij nu en dan glijbaantje. Maar zijn vader had niet willen hebben dat hij zijne Eskimo-sneeuwschoenen aandeed, wat hem niet weinig verdroot.

--Met die schaatsen, zeide hij, zou ik in een uur of wat aan den overkant zijn.

--Wat zoudt gij daaraan hebben? vroeg Cascabel, onze paarden kunnen toch niet schaatsen rijden.

--Dat moet ik hen nog eens leeren, was het antwoord en de knaap duikelde, uit louter dartelheid, over zijn hoofd.

Intusschen waren Cornelia, Kayette en Napoleona in de keuken bezig. Uit de kachelpijp steeg een kleine rookkolom op, die aanduidde dat het eten al stond te koken. In de goed gesloten vertrekjes van den wagen hadden zij geen hinder van de koude, maar zij moesten voor de voetgangers zorgen. Daarom stond er altijd thee op het vuur en een paar koppen daarvan, met een scheut russischen vodka-brandewijn er in, werden nu en dan naar buiten gestoken.

Voor de paarden hadden zij het noodige voeder medegenomen, bestaande in gedroogd hooi dat zij van de Eskimo's te Port-Clarence gekocht hadden en waar de beesten gretig van aten. De honden, Wagram en Marengo, kregen elandenvleesch zooveel zij lustten.

Bovendien is er op het ijsveld niet zoo'n volslagen gebrek aan wild als men misschien denken zou. Duizenden ptarmigans en wilde eenden werden af en toe door de honden opgejaagd en deze vogels, zoo goed mogelijk klaargemaakt en van hun traanachtigen bijsmaak ontdaan, waren redelijk goed te eten. Maar de provisiekamer van Cornelia was ruimschoots van het noodige voorzien en het werd dus, om geen noodeloos oponthoud te hebben, beter gevonden dat Sergius en Jan gedurende den overtocht hunne geweren met rust lieten.

Andere dieren, zooals robben, die in deze streken in menigte worden aangetroffen, kwamen zij in de eerste uren volstrekt niet tegen.

Zij waren met goeden moed op weg gegaan, maar het duurde niet lang of de reizigers raakten onder den naargeestigen indruk dien deze onafzienbare vlakte, waar niets te zien was dan witte sneeuw en grauwe lucht, op ieder maken moest. Omstreeks elf uur waren de rotspunten van Port-Clarence en ook het hooge land van kaap Prins van Wales in het geheel niet meer te onderscheiden. Verder dan eene halve mijl afstands konden zij niet voor zich uitzien en er zou dus heel wat tijd verloopen vóór dat zij de Oostkaap en de bergachtige kust van het Tchouktchi-schiereiland in het oog konden krijgen. Dit was jammer genoeg, want als zij deze vaste punten tot richtsnoer hadden kunnen nemen, ware het volgen van de goede richting veel minder bezwaarlijk geweest.

Het eiland Diomedes, dat ongeveer halverwege in de straat gelegen is, bestaat uit eene vlakke rotsachtige massa en steekt in het geheel niet boven den waterspiegel uit. Het is bovendien met sneeuw bedekt en zij konden dus niet te weten komen of zij er op waren voor dat zij de wielen op den harden grond hoorden kraken. Jan had geen anderen gids dan zijn kompas, maar met behulp daarvan wist hij de Schoone Zwerfster, al ging het ook langzaam, toch vrij wel in de goede richting te houden.

Al voortstappende, hadden Sergius en Cesar Cascabel het voortdurend over de omstandigheden waarin zij verkeerden. Hun tocht over den toegevroren zeearm, die hun vrij gemakkelijk had toegeschenen vóór dat zij er aan begonnen en die ook weinig beteekenen zou als zij hem eenmaal achter den rug hadden, bleek nu zij er mede bezig waren alles behalve zonder gevaar.

--Het is toch geen kleinigheid wat wij ondernomen hebben, zeide Cascabel.

--Dat zal wel waar zijn, antwoordde Sergius. De Behringstraat overtetrekken met zoo'n zwaren reiswagen, is iets waar niet ieder aan zou durven denken.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.