Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

VOORREDE.

De tooneelen van dit verhaal verplaatsen den lezer, gelijk de titel reeds aanduidt, onder een menschenstam, waarvan de beschaafde maatschappij tot nog toe hare aandacht heeft afgewend en liefst niets heeft willen weten: een vreemd geslacht, welks voorouders, onder de zon der keerkringen geboren, een karakter medebrachten en aan hunne afstammelingen ten erfdeel gaven, zoo geheel ongelijk aan dat van den harden en heerschenden Anglo-Saksischen stam, dat het van dezen vele jaren lang niets anders dan misverstand en verachting heeft kunnen verwerven.

Doch wij zien het aanbreken van een anderen en beteren dag; letterkunde, poëzie en kunsten brengen in onzen tijd haar invloed meer en meer in overeenstemming met den voornamen grondtoon des Christendoms: "In de menschen een welbehagen!"

De dichter, de schilder en de schrijver zoeken thans de meer gewone betrekkingen des levens en de zachtere aandoeningen van het menschelijke hart op, pogen deze schooner en beminnelijker te maken, en ademen, onder het lokkende der verdichting, een geest van menschelijkheid en verteedering, welke de ontwikkeling der groote beginselen van Christelijke broederschap moet bevorderen.

De hand der menschenliefde is overal uitgestrekt, om naar misbruiken te zoeken, om verongelijkingen te herstellen, om rampen te lenigen, en de geringen, de verdrukten en de vergetenen voor de oogen der wereld te plaatsen, en deze tot medelijden te bewegen.

In deze algemeene beweging is men eindelijk gedachtig aan het ongelukkige Afrika: Afrika, dat in den schemerachtigen dageraad van den ouden tijd het eerst de loopbaan der beschaving intrad, maar dat sedert eeuwen geboeid en bloedende voor de voeten der beschaafde en Christelijke menschheid gelegen en vruchteloos om haar medelijden gesmeekt heeft.

Doch het hart van den heerschenden stam, het hart van hen, die de overwinnaars en harde meesters der Afrikaansche menschheid zijn geweest, is eindelijk tot barmhartigheid met haar bewogen, en men heeft gezien hoeveel edeler het voor volken is de zwakken te beschermen, dan hen te onderdrukken. God zij geloofd, de wereld heeft eindelijk den slavenhandel overleefd.

Het oogmerk dezer schetsen is, gevoel en medelijden voor het Afrikaansche menschengeslacht, gelijk het onder ons Amerikanen leeft, te doen ontwaken; het onrecht en de ellende te doen zien, die het lijdt onder een stelsel, hetwelk zoo noodzakelijk wreed en onrechtvaardig is, dat het de goede gevolgen verijdelt en vernietigt van alles, wat onder dat stelsel door de beste vrienden dier ongelukkigen voor hen kan beproefd worden.

Dit doende kan de schrijfster oprechtelijk alle vijandelijk gevoel verloochenen jegens diegenen die dikwijls zonder eigen schuld in de bezwaren en moeilijkheden van de wettelijke aangelegenheden der slavernij zijn betrokken.

De ondervinding heeft haar bewezen, dat menschen met het helderste hoofd en het edelste hart dikwijls in deze moeielijkheden zijn gewikkeld, en niemand weet beter dan zij, dat alles wat men uit schetsen gelijk deze van de ellende der slavernij kan leeren kennen, nog niet de helft is van hetgeen men zou kunnen verhalen van het onbeschrijfelijk geheel.

In de noordelijke staten zullen deze tafereelen misschien overdreven genoemd worden; in de zuidelijke staten zijn getuigen, die weten hoe getrouw zij zijn. Welke persoonlijke kennis de schrijfster draagt van werkelijke voorvallen, gelijk dezulke die hier verhaald zijn, zal op zijnen tijd blijken.

Het is een troost, te hopen dat, gelijk de wereld van eeuw tot eeuw zooveel smart en onrecht heeft overleefd en achter zich gelaten, er zoo een tijd zal komen, wanneer schetsen gelijk deze alleen belangrijk zullen zijn als gedenkstukken van iets, dat al lang heeft opgehouden te bestaan.

Wanneer een verlichte en echt Christelijke maatschappij op de kusten van Afrika zal gevestigd zijn, met eene aan ons ontleende wetgeving, taal en letterkunde, mogen dan de tooneelen uit het diensthuis voor hare leden wezen gelijk de geheugenissen van Egypte voor den Israëliet--eene opwekking tot dankbaarheid aan Hem, die hen verlost heeft!

Laat in den namiddag van een guren dag in Februari zaten twee heeren alleen bij hunnen wijn, in een fraai gemeubileerd eetzaaltje, in de stad P***, in Kentucky. Er waren geene bedienden aanwezig, en met dicht bij elkander geschoven stoelen schenen de heeren met grooten ernst over een belangrijk onderwerp te spreken.

Heeren hebben wij zooeven gezegd. Een van de twee scheen echter, als men hem oplettend aanzag, dien naam niet zeer te verdienen. Hij was een kort, zwaarlijvig man, met grove, gemeene gelaatstrekken en dat voorkomen van opgeblazen aanmatiging, dat een man van weinig opvoeding kenmerkt, die zich in de wereld omhoog tracht te werken. Hij was buitensporig zwierig gekleed, met een schitterend veelkleurig vest, eene blauwe das met schreeuwend gele oogen bezaaid en met een winderigen strik opgeknoopt, volkomen in overeenstemming met het geheele voorkomen van den persoon. Zijne handen, groot en grof, waren met ringen overladen; hij droeg een zwaren gouden horloge-ketting, met een tros verbazende cachetten van allerlei kleuren daaraan, welke hij gewoon was onder het spreken met blijkbaar welgevallen te laten slingeren en rinkelen. Zijne taal was eene zeer vrijpostige uittarting van al de regelen der spraakkunst, en hier en daar met verschillende profane uitdrukkingen doorzaaid, welke wij zelfs niet uit verlangen om ons verhaal levendiger te maken willen overnemen.

De ander, Mr. Shelby, had inderdaad het voorkomen van een heer, een gentleman, en de geheele inrichting van zijn huis en huishouden scheen te doen blijken, dat hij een gegoed, ja zelfs een rijk man moest wezen. Gelijk reeds gezegd is, waren deze twee midden in een ernstig gesprek.

"Dat is de manier, waarop ik de zaak wilde schikken", zeide Mr. Shelby.

"Op die manier kan ik geen handel doen--stellig niet, Mijnheer Shelby!" zeide de ander, en hield te gelijk een glas wijn tusschen zijn oog en het licht.

"Wel, ik zal u zeggen, Haley, Tom is een buitengewone kerel; hij is die som zeker overal waardig--nuchter, eerlijk en bekwaam, houdt hij mijne geheele hoeve in orde, alsof het een uurwerk was."

"Gij meent eerlijk zoover als dat met negers gaat," zeide Haley, zich nog een glas brandewijn inschenkende.

"Neen, ik meen waarlijk dat Tom een brave, degelijke, godvreezende kerel is. Vier jaren geleden heeft hij bij eene veldpredikatie godsdienst geleerd, en ik geloof dat hij dien waarlijk geleerd heeft. Ik heb hem sedert alles aanvertrouwd wat ik heb--geld, huis, paarden--ik heb hem laten gaan en komen het geheele land door; en ik heb hem altijd en in alles trouw en eerlijk bevonden."

"Sommige menschen gelooven niet dat er vrome negers zijn, Shelby," zeide Haley met de hand wuivende, alsof hij eens zeer billijk wilde zijn; "maar ik geloof het wel. Ik had een kerel bij den laatsten troep, dien ik naar Orleans bracht--het was inderdaad zoo goed als eene preek, dien knaap te hooren praten; en hij was ook heel zacht en stil. Hij heeft mij eene mooie som opgebracht, want ik had hem goedkoop van iemand, die moest uitverkoopen, en zoo verdiende ik zeshonderd aan hem. Ja, ik houd godsdienst voor iets heel goeds in een neger, als het namelijk echte waar is."

"Nu, Tom heeft de echte waar, als ooit iemand ze had," hervatte de ander. "Wel, verleden najaar liet ik hem alleen naar Cincinnati gaan, om zaken voor mij te doen en mij vijfhonderd dollars tehuis te brengen. "Tom," zeide ik tegen hem, "ik vertrouw u, omdat ik denk dat gij een Christen zijt. Ik weet dat gij mij niet zoudt willen bedriegen." Tom kwam terug, zeker genoeg--dat wist ik wel. Eenige gemeene kerels, heb ik gehoord, vroegen hem: "Tom, waarom zijt ge niet naar Canada gedrost?"--"O, meester vertrouwde mij, ik kon niet." Zoo heeft men het mij verteld. Het spijt mij Tom te moeten wegdoen, dat moet ik zeggen. Gij moest hem voor het geheele restant der schuld aannemen; en dat zoudt gij ook, Haley, als gij een geweten hadt."

"Wel, ik heb juist zooveel geweten als iemand, die handel doet, er op kan nahouden--zoo'n beetje, weet ge, om bij te zweren als het ware," zeide de handelaar, [1] schertsend, "en ik ben ook gewillig om alles in het redelijke te doen, om een vriend te verplichten; maar dit hier, ziet ge, is een beetje te veel gevergd--een beetje te veel."

De handelaar slaakte een peinzenden zucht en schoof zijn glas nog eens bij.

"Welnu, Haley, hoe wilt gij het dan schikken?" zeide Mr. Shelby na eene tusschenpoos van drukkende stilte.

"Wel, hebt ge geen jongen noch meid, dien ge op Tom kondt toegeven?"

"Hm! Geen, dien ik wel missen kan. Om u de waarheid te zeggen, het is alleen de harde noodzakelijkheid, die mij over het geheel wil doen verkoopen. Ik doe niet gaarne een van mijne lieden weg; zoo is het."

Hier werd de deur geopend en een kleine jongen, een quadron, tusschen de vier en vijf jaren oud, kwam de kamer binnen. Hij had iets zeer bevalligs en innemends in zijn voorkomen. Zijne zwarte haren, zoo fijn als zijde, hingen in glanzige krullen om zijn rond, vroolijk gezichtje, terwijl een paar groote donkere oogen, vol vuur en zachtheid te gelijk, onder de lange wimpers kwamen uitkijken, toen hij nieuwsgierig in het vertrek rondzag. Een rokje van rood en geel geruite stof, dat hem zeer netjes paste, deed zijne donkere en welige schoonheid nog gunstiger uitkomen; en zeker koddig zelfvertrouwen met eenige bedeesdheid vermengd, toonde dat hij niet ongewoon was door zijnen meester als een speelpopje behandeld te worden.

"Holla, Jim Crow!" zeide Mr. Shelby, floot eens en wierp een trosje rozijnen naar hem toe. "Raap dat eens op."

Het kind liep zoo hard hij kon naar den buit, terwijl zijn meester lachte.

"Kom hier, Jim Crow!" zeide hij.

Het kind kwam; de meester streelde zijn krulkopje en tikte hem onder de kin.

"Kom aan nu, Jim, laat mijnheer eens zien hoe ge dansen en zingen kunt."

Het knaapje begon met eene heldere stem een van die wilde dwaze liedjes te zingen, die onder de negers in zwang zijn, en vergezelde zijn gezang met vele koddige bewegingen van handen, voeten en het geheele lijf, alles juist op de maat zijner muziek.

"Bravo!" zeide Haley, hem een vierdepart van een sinaasappel toewerpende.

"Jim, loop nu eens zooals oude Oom Cudjoe, als hij de rheumatiek heeft."

Terstond namen de buigzame leden van het knaapje den schijn van misvormig aan, en strompelde hij met een krommen rug en zijns meesters stok in de hand door de kamer rond, met zijn kindergezichtje in pijnlijk knorrige plooien getrokken, en rechts en links spuwende, gelijk de oude man deed, dien hij nabootste.

Beide heeren schaterden van lachen.

"Jim," zeide zijn meester weder, "laat ons nu hooren en zien hoe ouderling Robbins psalmen zingt."

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from Frankenstein

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.