Public-domain ebook
De lelie van 's-Gravenhage
Language: nl6,669 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #28175.
Public-domain ebook
Language: nl6,669 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #28175.
Dit boek is een historisch fictief verhaal dat zich afspeelt in het vroege zeventiende-eeuwse Nederland. Het opent met een nachtelijke reis langs een kreek en een kruisweg, waarin een kar uit Leiden langzaam nadert en een gespannen dialoog tussen een vrouw en de voorste rijder, Casper, ontstaat. De beschrijving van de duisternis, het regenachtige weer en de onhandige kar, evenals de gedetailleerde observaties van de personages – van de kreunende kinderen tot de onrustige paarden – schetst meteen een levendig, bijna claustrofobisch beeld van een reis vol onzekerheid en kleine conflicten. Het fragment eindigt met de kar die een brug passeert en een mysterieus wachtwoord wordt uitgesproken, waarna de scène overgaat in een tweede hoofdstuk dat de feestelijke sfeer van ’s‑Gravenhage in 1608 introduceert.
De vertelstem is rijk aan archaïsche woordkeuze en lange, beschrijvende zinnen die kenmerkend zijn voor de Nederlandse proza‑stijl van de 17e eeuw. Het taalgebruik is nauwkeurig, met veel aandacht voor details en een licht ironische ondertoon in de dialogen. Lezers die geïnteresseerd zijn in historische setting, in de sfeer van oude Hollandse steden en in een genuanceerde, soms ruwe, karakterisering zullen dit werk waarderen. Het is vooral geschikt voor lezers die genieten van een langzaam opgebouwde plot en een authentieke weergave van de tijdsgeest.
The opening · free to read
Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden; bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman richtende: "Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!--Het is nu geen tijd van slapen," duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande, toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: "Wij moeten rechts, verstaat gij?"
De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich geeuwende de oogen en keek in het rond.--"'t Is helsch donker," riep hij eindelijk met een forsche stem: "ik zie weg noch steg."--"Dan zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen," hernam de eerste.
Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek.
Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich nog een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar, was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten, of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had, want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun, dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den feller opstekenden stormwind verdoofd werd.
"De d..... mag weten waar wij zijn!" riep Casper, terugkomende: "ik zie den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!" ging hij brommende voort: "men kan geen hand voor oogen zien."--De vrouw, welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn, en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen: "Ik zie duidelijk," zeide zij, "dat wij de sloot nog op zijde hebben; zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!"--Casper gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard, door een: "Kovort, Bles!" hetwelk hij met een duchtigen zweepslag deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem.
Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt, eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was.
"Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen breken!" zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: "Gij moet wat voorzichtiger zijn," vervolgde zij: "nu, echter, kunnen wij niet meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn wij aan de Blankert."
Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel.
Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig, en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper: "Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?"
"Dit zal zeker de Blankert wezen," zeide Casper, die insgelijks het licht ontwaarde: "Wij worden opgewacht. 't Is goed dat wij naderen, want Bles zou 't geen tien minuten meer kroppen.--Vort, Bles!" en het regende weer zweepslagen.
Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde trad nabij den wagen en lichtte er in.
"'t Bevel!" riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden, dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite kostte, volgde op dit gezegde.
Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde.
"Voor den duivel, dat heet boos weer!" zeide Casper, die bij het binnenrijden was afgestapt: "geen kat of hond zou men er uitjagen; doch grof geld weegt zwaar," ging hij in zich zelven voort, terwijl hij den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan, van het water zocht te ontdoen.
De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden, dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd.
De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen, die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen gade te slaan.
Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken van 's mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig haar zijn schedel bedekte 't welk thans, doornat van den regen, in pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel, een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur.
De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd, en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht verborgen hield.
Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden, door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend: "Bah!" aan de prevelende werd toegereikt.
De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen.
"Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag weder te huis te zijn," sprak hij eindelijk: "Voor zulk een tocht en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters kunnen nemen!"
Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste aanmerking des portiers niet te beantwoorden. "Vóór zessen zijn wij reeds aan de Roemer," zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed het paard het bit in den bek, en dwong, met een: "Terug, Bles!" het reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen.
Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde: nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig.
De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop, en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten, tot vóór de gemelde ophaalbrug.
Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch: "Vaarwel," werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur, dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte zich uitstrekte.
Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.
Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?
Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.
"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht gekleed man.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.