Tooneel: een ruim terras voor de groote feesthal in het paleis van Herodes. Soldaten staan geleund aan de balustrade. Rechts een reusachtige trap. Links, op den achtergrond, een oude waterput met een groen bronzen kraag. De maan schijnt helder.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
DE PAGE VAN HERODIAS: Let op de maan. De maan lijkt wonder vreemd. Zij doet aan als een vrouw die opkomt uit een graf. Zij gelijkt op een doode vrouw. Het is alsof zij speurt naar andere dooden.
DE JONGE SYRIËR: Ja, zij lijkt wonder vreemd. Zij gelijkt op een kleine prinses die een gelen sluier draagt en wier voetjes van zilver zijn. Zij gelijkt op een prinses wier voetjes zijn als kleine witte duiven... Het is alsof zij danst.
DE PAGE VAN HERODIAS: Zij is als een doode vrouw. Zij beweegt zich heel langzaam. (Gedruisch in de feesthal.)
EERSTE SOLDAAT: Wat een getier! Wie zijn die huilende wilde-beesten?
TWEEDE SOLDAAT: De Joden. Die zijn altijd zoo. Zij twisten over hun godsdienst.
EERSTE SOLDAAT: Waarom twisten zij over hun godsdienst?
TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet. Ze doen niet anders... Zoo verzekeren de Farizeërs dat er engelen zijn, en de Sadduceërs zeggen dat de engelen niet bestaan.
EERSTE SOLDAAT: Ik vind het belachelijk over zulke dingen te twisten.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer schoon is de Prinses Salome vanavond!
DE PAGE VAN HERODIAS: Gij ziet voortdurend naar haar. Gij ziet te veel naar haar. Het is gevaarlijk menschen op zulk een wijze aan te zien... Daar komt licht een ongeluk uit voort.
DE JONGE SYRIËR: Zij is zeer schoon vanavond.
EERSTE SOLDAAT: De Tetrarch ziet somber.
TWEEDE SOLDAAT: Ja, hij ziet somber.
EERSTE SOLDAAT: Hij ziet naar iets.
TWEEDE SOLDAAT: Hij ziet naar iemand.
EERSTE SOLDAAT: Naar wien ziet hij?
TWEEDE SOLDAAT: Ik weet niet.
DE JONGE SYRIËR: Hoe zeer bleek is de Prinses! Ik heb haar nooit zoo bleek gezien. Zij is als de weêrschijn van een witte roos in een zilveren spiegel.
DE PAGE VAN HERODIAS: Gij doet beter niet naar haar te zien. Gij ziet te veel naar haar.
EERSTE SOLDAAT: Herodias heeft den beker van den Tetrarch gevuld.
DE KAPPADOKIËR: Is dat de Koningin Herodias, zij die de zwarte mitra draagt bestikt met parelen, en wier haren blauw gepoederd zijn?
EERSTE SOLDAAT: Ja, dat is Herodias, de vrouw van den Tetrarch.
TWEEDE SOLDAAT: De Tetrarch houdt veel van wijn. Hij bezit drie soorten wijn. Een, die komt uit het eiland Samothrake. Die is zoo purper als de mantel van Caesar.
DE KAPPADOKIËR: Ik heb Caesar nooit gezien.
TWEEDE SOLDAAT: Een anderen, die komt uit de stad Kypros. Die is geel als goud.
DE KAPPADOKIËR: Ik houd veel van goud.
TWEEDE SOLDAAT: En de derde is een wijn uit Sicilia. Die wijn is rood als bloed.
DE NUBIËR: De goden van mijn land houden veel van bloed. Tweemaal in 't jaar offeren wij hun jongemannen en maagden: vijftig jongemannen en honderd maagden. Maar het schijnt dat wij hun nooit genoeg geven; want zij zijn zeer hard voor ons.
DE KAPPADOKIËR: In mijn land zijn nu geen goden meer: de Romeinen hebben hen verjaagd. Er zijn er die zeggen dat zij gevlucht zijn in de bergen, maar ik geloof het niet. Ik ben drie nachten lang op de bergen geweest en heb hen overal gezocht. Ik heb hen niet gevonden. In het eind heb ik hen bij hunne namen geroepen, en zij zijn niet verschenen. Ik denk dat zij dood zijn.
EERSTE SOLDAAT: De Joden aanbidden een god dien men niet kan zien.
DE KAPPADOKIËR: Dat kan ik niet begrijpen.
EERSTE SOLDAAT: Eigenlijk gelooven zij enkel in dingen die men niet kan zien.
DE KAPPADOKIËR: Dat lijkt mij volslagen belachelijk.
DE STEM VAN JOKANAÄN: Na mij komt een ander die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem zijner schoenen te ontbinden. Als hij komt, zullen de dorstige plaatsen zich verheugen. Zij zullen bloeien als de lelie. De oogen der blinden zullen het daglicht zien, en de ooren van de dooven zullen geopend worden. Het jonggeboren kind zal zijn hand steken in het hol van den draak, en zal de leeuwen leiden bij hunne manen.
TWEEDE SOLDAAT: Beveel hem te zwijgen. Hij zegt altijd onzinnige dingen.
EERSTE SOLDAAT: Toch niet. Het is een heilig man. Ook is hij zeer zachtmoedig. Elken dag breng ik hem zijn eten: hij bedankt mij altijd.
DE KAPPADOKIËR: Wie is het?
EERSTE SOLDAAT: Het is een profeet.