Public-domain ebook
De Wedergeboorte van Nederland
Language: nl378 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: History - European·History - Modern (1750+)·History - Royalty
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #33640.
Public-domain ebook
Language: nl378 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: History - European·History - Modern (1750+)·History - Royalty
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #33640.
The opening · free to read
EEN WOORD VOORAF.
(1884).
.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat eene m. i. averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte onzer politieke geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt te komen. Men begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat tusschen 1813 en volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen er op gevolgd is. Men is er weder op uit, de beteekenis dier revolutie in de schaduw te stellen, men sluit de oogen daarvoor, dat met haar de staatseenheid niet alleen maar ook het streven naar staatshervorming hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom vooral scheen het mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne voorstelling niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang eener geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende jaren in vele opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had gebracht of had trachten te brengen. Dit te herinneren, dit boven allen twijfel te stellen, was vooral het doel dezer uitgaaf. In hoeverre ik hierin geslaagd ben, moge de deskundige en onbevooroordeelde lezer beslissen.
DE SCHRIJVER.
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt aangeboden, is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen heeft het aan beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis groote diensten bewezen. Om het die bij voortduring te laten vervullen scheen meer dan een eenvoudige herdruk noodig. Niet dat Tellegen's beschouwingen verouderd zijn; integendeel, het wil mij voorkomen dat jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen kan. Maar zij kunnen nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door en uit veel uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het boek zeer ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door moderner uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven verwijzen. Zoo dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat in 1884 nog niet bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat gedeelte der noot aansprakelijk.
Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch, in andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden van mijne hand doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig te maken op hetgeen jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij gebruikte, omtrent de door hem besproken zaken kunnen doen opmerken.
Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor mij is 1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie, maar bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars had opgeleverd. In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in wat er van werd, wel. Dit heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als Tellegen, en ver van mij is alle wensch of pogen, op dit hoofdpunt hem te vertroebelen of te verzwakken. Moge het integendeel blijken dat mijn bijwerk een steun en bevestiging is geweest.
Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste en nog ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden vervallen. Zij zijn of worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider verband waarin zij behooren.
September 1913. H. T. COLENBRANDER.
INLEIDING.
Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.
Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij, Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795 verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde, was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd. De jaren 1795-1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen en--het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne landgenooten durfde zeggen: »ik ben bereid en vastelijk besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten" (proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet[1]. Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok duitschen grond[2], waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg, kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.
[1] G. K. van Hogendorp in 1813, bijlage bl. 15.--Zie ook Falck's Gedenkschriften, bl. 119.
[2] Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij van Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den 23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over deze zaak Gedenkstukken IV, 701.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.