Storieta
Sign up

The opening · free to read

Ik had altijd vermoed, dat de geografen niet weten wat zij zeggen wanneer zij het slagveld van Munda een plaats aanwijzen in het land der Bastuli-Poeni, bij het moderne Monda, ongeveer twee mijl ten noorden van Marbella. Naar mijn eigen conjecturen op den tekst van den anoniemen schrijver van Bellum Hispaniense, en sommige inlichtingen opgedaan in de voortreffelijke bibliotheek van den hertog van Ossuna, meende ik in den omtrek van Montilla de gedenkwaardige plaats te moeten zoeken, waar Caesar, voor de laatste maal, alles op éen kaart zette tegen de aanhangers van de republiek. Toen ik mij in het begin van den herfst van 1830 in Andalusië bevond, maakte ik een vrij lange excursie om den twijfel die nog bij mij bestond op te helderen. Een verhandeling, eerlang door mij uit te geven, zal, naar ik hoop, geen onzekerheid meer laten bij alle archaeologen die te goeder trouw zijn. In afwachting dat daardoor het aardrijkskundig probleem zal worden opgelost dat geheel geleerd Euroop' in spanning houdt, wil ik u een korte geschiedenis vertellen: zij staat geheel buiten de interessante quaestie van de ligging van Munda.

Ik had te Cordova een gids en twee paarden gehuurd en was er op uit getrokken met Caesar's Commentaren en een paar hemden als eenige bagage. Op zekeren dag dwalend in het hoogere gedeelte van de vlakte van Cachena, uitgeput van vermoeidheid, versmachtend van den dorst, geblakerd door een looden zon, verwenschte ik hartgrondig Caesar en de zonen van Pompejus, toen ik, vrij ver van het pad dat ik volgde, een kleine groene plek gewaar werd, hier en daar met biezen en riet. Dat wees op de nabijheid van een beek. Inderdaad, toen ik naderbij kwam, zag ik dat hetgeen een grasveldje leek, een stuk moerasland was, waarin een beek uitliep, die, naar het scheen, kwam uit een engte tusschen twee hooge rotsen van de Sierra de Cabra. Ik maakte hieruit de gevolgtrekking, dat ik een beetje verderop frisscher water zou vinden, minder bloedzuigers en kikkers, en misschien een beetje schaduw te midden der rotsen. Aan den ingang der engte begon mijn paard te hinniken en een ander paard, voor mij onzichtbaar, beantwoordde dat aanstonds. Ik had nauwelijks honderd schreden gedaan, of de engte verbreedde zich eensklaps en ik zag een soort van natuurlijk circus, volkomen beschaduwd door de hoogte der omringende steile hellingen. Onmogelijk een plek te vinden die den reiziger een aangenamer pleisterplaats beloofde. Aan den voet van loodrechte rotsen snelde de beek bruisend voort en stortte zich in 'n kleinen vijver met sneeuwwit zand op den bodem. Vijf of zes mooie groene eiken, steeds tegen den wind beschut en door het water verfrischt, rezen aan de oevers op en wierpen er hun dichte schaduw over; en zacht, glanzend gras beloofde een beter bed, dan men in eenige herberg op tien mijlen in den omtrek had kunnen vinden.

Niet aan mij kwam de eer toe zulk een mooie plek te hebben ontdekt. Toen ik daar kwam, lag er reeds een man te rusten en vermoedelijk sliep hij. Gewekt door het gehinnik, was hij opgestaan en zijn paard genaderd, dat van den slaap van zijn meester gebruik had gemaakt om zich te goed te doen aan het gras in de nabijheid. Het was een jonge man, van middelbare lengte maar die er stevig uitzag, met een somberen, trotschen blik. Zijn gelaatskleur was misschien mooi geweest, maar door de zon donkerder geworden dan zijn haren. In de eene hand hield hij den halster van zijn paard, in de andere 'n koperen karabijn[2]. Ik wil wel bekennen, dat dit vuurwapen en het woest voorkomen van hem die het droeg mij aanvankelijk een beetje deden ontstellen; maar ik geloofde niet meer aan roovers, omdat ik er altijd van had hooren spreken en er nooit een ontmoet had. Bovendien had ik zoovele eerzame pachters zich tot de tanden zien wapenen om naar de markt te gaan, dat het zien van een vuurwapen mij geen recht gaf aan het fatsoen van den onbekende te twijfelen. Bovendien, zeide ik bij me zelf, wat zou hij hebben aan mijn hemden en mijn Elzevier-uitgave der Commentaren? Ik knikte dus den man met het vuurwapen gemeenzaam toe en vroeg hem glimlachend of ik hem in zijn slaap had gestoord. Zonder te antwoorden nam hij mij van top tot teen op; toen, als scheen hij voldaan met zijn onderzoek, bekeek hij even aandachtig mijn gids, die naderbij kwam. Ik zag dezen verbleeken en staan blijven, blijkbaar was hij verschrikt. Een ongewenschte ontmoeting, dacht ik. Voorzichtigheid echter ried mij aanstonds geen ongerustheid te toonen. Ik steeg van mijn paard, gelastte den gids af te tuigen en, aan den rand van den vijver knielend, dompelde ik hoofd en handen daarin; toen dronk ik een fiksche teug, plat op mijn buik liggend evenals de slechte soldaten van Gideon.

Maar inmiddels hield ik mijn gids en den onbekende in het oog. Eerstgenoemde kwam zeer schoorvoetend nader, de ander scheen niets kwaads in den zin tegen ons te hebben, want hij had zijn paard weer vrij gelaten en het vuurwapen, dat hij eerst horizontaal had gehouden, was nu naar den grond gericht.

Daar ik niet meende mij te moeten ergeren over de weinige attentie mij betoond, ging ik op het gras liggen en ik vroeg op ongedwongen toon den man met het geweer of hij niet een tondeldoos bij zich had. Tegelijkertijd bracht ik mijn sigarenkoker te voorschijn. Nog altijd zonder te spreken, tastte de onbekende in zijn zak, nam zijn tondeldoos en haastte zich vuur voor mij te maken. Blijkbaar werd hij toeschietelijker, want hij ging tegenover mij zitten, zonder evenwel zijn wapen weg te leggen. Toen mijn sigaar was aangestoken, koos ik de beste van de mij nog overblijvende sigaren en vroeg hem of hij rookte.

--Ja, mijnheer, antwoordde hij. Dat waren de eerste woorden die hij deed hooren en ik merkte op, dat hij de s niet op zijn andalusisch uitsprak[3], waaruit ik opmaakte, dat hij een reiziger was evenals ik, maar minder archaeoloog.

--Deze zal u zeker wel bevallen, zeide ik, hem een echte regalia van Havana aanbiedend.

Hij maakte een lichte buiging met het hoofd, stak zijn sigaar aan de mijne aan, bedankte mij andermaal met een knik, en begon toen te rooken, blijkbaar met groot genot.

--Ha! riep hij, terwijl hij de eerste rookwolk langzaam door mond en neus liet glijden, wat is het lang geleden, dat ik rookte!

In Spanje legt het geven en aannemen van een sigaar een band van gastvrijheid, zooals in het Oosten het deelen van brood en zout. De onbekende bleek spraakzamer dan ik had gehoopt. Voor het overige scheen hij, hoewel hij zeide te wonen in het district Montilla, de streek vrij slecht te kennen. Hij kende den naam niet van het bekoorlijke dal waarin wij ons bevonden; hij kon geen naam noemen van een der dorpen in den omtrek, en toen ik hem ten slotte vroeg of hij niet in de buurt verwoeste muren, groote gebogen dakpannen, gebeeldhouwde steenen had gezien, bekende hij nooit op zulke dingen te hebben gelet. Daarentegen toonde hij zich ervaren op het stuk van paarden. Hij critiseerde het mijne, wat niet moeilijk was, en vertelde toen de afstamming van het zijne, dat uit de beroemde stoeterij van Cordova kwam: inderdaad een nobel beest, zoo onvermoeid, volgens het zeggen van zijn meester, dat hij eens dertig mijlen op één dag had afgelegd, in galop of in sterken draf. Midden in zijn verhaal bleef de onbekende plotseling steken, als verbaasd en geërgerd dat hij zich had verpraat.

--Ziet u, ik had veel haast te Cordova te komen, hernam hij een beetje verlegen. Ik moest de rechters voor een proces bewerken.... Onder het spreken keek hij naar mijn gids Antonio, die de oogen neersloeg.

De schaduw en de beek deden mij zoo aangenaam aan, dat ik mij herinnerde, dat mijn vrienden van Montilla in den knapzak van mijn gids eenige sneden voortreffelijke ham hadden meegegeven. Ik liet die brengen en noodigde den vreemdeling mee te doen aan het haastig aangelegde maal. Zoo hij sinds lang niet had gerookt, het leek wel, alsof hij in minstens acht en veertig uren niets had gebruikt. Hij at haastig als een uitgehongerde wolf. Ik dacht, dat de voorzienigheid den armen drommel had willen helpen door mij op zijn weg te brengen. Mijn gids intusschen at weinig, dronk nog minder en praatte heelemaal niet, hoewel hij zich van het begin van onze reis af had doen kennen als een babbelkous van den eersten rang. De aanwezigheid van den gast scheen hem te drukken en een zeker wantrouwen scheidde hen van elkander, zonder dat ik met stelligheid de reden kon gissen.

Reeds was het laatste van het brood en de ham verdwenen; wij hadden elk een tweede sigaar gerookt; ik gelastte den gids onze paarden te zadelen en ik wilde van mijn nieuwen kennis afscheid nemen, toen hij mij vroeg waar ik dacht den nacht door te brengen.

Nog vóor ik een teeken van mijn gids had opgemerkt, had ik geantwoord, dat ik naar de herberg del Cuervo ging.

--Een slecht verblijf voor iemand als u, meneer..... Ik ga er heen en als u het mij veroorlooft zullen wij samen gaan.

--Zeer gaarne, zeide ik te paard stijgend. Mijn gids, die den stijgbeugel vast hield, gaf mij opnieuw een teeken met de oogen. Ik antwoordde met een schouderophalen, als om hem te verzekeren, dat ik volkomen gerust was en wij begaven ons op weg.

Antonio's geheimzinnige teekenen, zijn ongerustheid, sommige woorden die den onbekende waren ontvallen, zijn rit van dertig mijlen vooral en de weinig aannemelijke verklaring die hij daarvan had gegeven, hadden mijn meening omtrent mijn reisgenoot reeds gevestigd. Ik twijfelde er niet aan, dat ik te doen had met een smokkelaar, misschien wel een dief; wat kon 't mij schelen? Ik kende het Spaansche karakter genoeg om er volkomen zeker van te zijn, dat ik niets te vreezen had van een man, die met mij had gerookt en gegeten. Zijn tegenwoordigheid was zelfs een stellige bescherming tegen iedere slechte ontmoeting. Bovendien vond ik het heel prettig te weten wat een roover is. Men ziet dien niet dagelijks en er is een zekere bekoring in de nabijheid te zijn van een gevaarlijk wezen, vooral als men merkt dat hij zacht en getemd is.

Ik hoopte mijn onbekende gaandeweg tot vertrouwelijke mededeelingen te brengen, en, ondanks de knipoogen van mijn gids, bracht ik het gesprek op struikroovers. Er was destijds in Andalusië een berucht bandiet José-Maria, van wiens bedrijven iedereen den mond vol had.--Als ik eens José-Maria naast mij had? zeide ik bij mezelf.... Ik vertelde de verhalen die ik van dezen held kende, trouwens alle tot zijn lof, en gaf luide mijn bewondering te kennen voor zijn dapperheid en edelmoedigheid.

--José-Maria is maar een schavuit, zeide de vreemdeling koeltjes.

--Laat hij zichzelf recht wedervaren, of is het overmaat van bescheidenheid van zijn kant? vroeg ik mijzelf af; want door mijn metgezel goed op te nemen, was ik er toe gekomen op hem het signalement van José-Maria toe te passen, dat ik had gelezen op aanplakbiljetten aan de poorten van menige stad in Andalusië.--Ja, zeker, hij is het... Blond haar, blauwe oogen, groote mond, mooie tanden, kleine handen; een fijn hemd, een fluweel wambuis met zilveren knoopen, witleeren slobkousen, een bruin paard.... Er viel niet meer aan te twijfelen. Maar laat ons zijn incognito eerbiedigen.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.