Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Amsterdam Van Holkema & Warendorf

VOORREDE.

Wanneer men somtijds wilde beweren dat de sentimenteele liefde van onzen tijd aan de Heidensche oudheid vreemd is geweest, dan wees de schrijver van dit boek in de eerste plaats op het minnend paar Antonius en Cleopatra, en op het testament van dien krachtigen Romeinschen veldheer. Hij had daarin den wensch geuit om, waar hij ook zou sterven, begraven te worden naast de vrouw, die hem tot het einde toe zoo dierbaar was. Aan dat verlangen werd voldaan, en het innig verbonden leven dezer twee zeer buitengewone menschen, dat aan de geschiedenis behoort, heeft reeds meer dan eens een welkome stof geleverd aan kunst en poëzie.

Vooral ten opzichte van Cleopatra, is hun beider bestaan gehuld in een weefsel van romantiek, die zeer nabij komt aan de sprookjeswereld. Zelfs haar ergste vijanden bewonderen hare schoonheid, en de zeldzame geestesgaven die zij heeft bezeten. Daarentegen behoort haar karakter tot de moeilijkste raadsels der zielkunde. De slaafsche geest der Romeinsche dichters en schrijvers, die niet openlijk konden of wilden erkennen welk een schitterend licht er uitging van de vijandin van hun Staat en Keizer, hebben dat vraagstuk verklaard ten haren nadeele. Alles wat Aegyptisch heette was bij de Romeinen gehaat of verdacht, en zij konden aan deze vrouw, die te huis behoorde aan den Nijl, moeilijk vergeven, dat zij eenmaal een Julius Caesar aan hare voeten had gezien, en Marcus Antonius aan zich had onderworpen. Andere geschiedschrijvers, met Plutarchus aan hun hoofd, hebben het raadsel eerlijker opgelost, meermalen zelfs ten gunste van Cleopatra.

Het was voor den schrijver een aangename taak de persoon dier ongelukkige Koningin nader te leeren kennen, en uit het groote aantal der bestaande oorkonden allereerst voor zich zelven een menschelijk beeld te scheppen, waarin hij zelf gelooven kon. Jaren zijn voorbijgegaan eer hij daarmede gereed was; doch nu, terwijl hij zijn voltooide schilderij beziet, vreest hij dat misschien menigeen bezwaar zal hebben tegen de helderheid zijner kleuren. Toch zou het den maker geen moeite kosten, iedere tint die hij gebruikt heeft, te rechtvaardigen. Wanneer hij, onder het werken, zijn heldin leerde liefhebben, dan was dat, omdat hoe duidelijker deze merkwaardige vrouwen-figuur vóór hem stond, hoe levendiger hij gevoelde en helderder inzag, dat zij niet alleen medelijden en bewondering verdiende maar ook, met al hare zwakheden en gebreken, die toewijding en liefde, die zij bij zoovelen heeft gewekt.

Niemand minder dan Horatius heeft Cleopatra dan ook genoemd: "non humilis mulier",--een vrouw, die tot geen laagheid in staat was. Dit woord verkrijgt echter zijn grootste beteekenis, wanneer men weet dat het prijkt in de hymne, die de dichter heeft gewijd aan Octavianus en zijne overwinning over Antonius en Cleopatra. Het was stoutmoedig van hem, in zulk een lied de vijandin van den overwinnaar met zooveel lof te vermelden. Toch heeft hij dat gewaagd, en zijn woord, dat men een daad mag noemen, behoort tot de schoonste eeretitels der veel miskende vrouw.

Het had helaas een minder krachtige uitwerking dan het oordeel van Dio, die meermalen de mededeelingen van Plutarchus verminkt, en zich dan ook voornamelijk aansluit bij de comedie of de volksverhalen, die niet durfden wagen te Rome de Aegyptische Vorstin in een gunstig daglicht te plaatsen.

Billijker dan de meeste Romeinsche berichtgevers toont zich de Griek Plutarchus, die, ook ten opzichte van den tijd, onze heldin naderbij kwam dan Dio. Zijn grootvader had zelfs nog allerlei dingen omtrent Antonius en Cleopatra gehoord van zijn landgenoot Philotas, die gedurende de glansperiode van het beroemde paar te Alexandrië, in die stad als student verblijf had gehouden. Van alle schrijvers die van de Koningin melding maken, is hij de vertrouwbaarste, doch ook van zijne verzekeringen moet met omzichtigheid gebruik worden gemaakt. Wij hebben ons, ook in de bijzonderheden, gehouden aan de aanschouwelijke en duidelijke beschrijving die Plutarchus geeft van de laatste levensdagen onzer heldin. Zij draagt geheel den stempel der waarheid, en het zou willekeur geweest zijn daarvan af te wijken.

De Aegyptische bronnen bevatten helaas niets, wat van eenig belang is voor de ware schatting van Cleopatra's karakter, ofschoon wij afbeeldingen bezitten van de Koningin alleen, of met haar zoon Caesarion. Eerst in den allerlaatsten tijd (1892) werd te Alexandrië een fragment gevonden van een kolossaal standbeeld van twee personen, dat zeer waarschijnlijk Cleopatra voorstelt hand aan hand met Antonius. Het bovenste gedeelte der vrouwen-figuur is tamelijk goed bewaard gebleven, en vertoont een bevallig gevormd, jeugdig vrouwen gelaat. De mannen-figuur is zeker vernietigd, toen op bevel van Octavianus, alle standbeelden van Antonius vernield moesten worden. Aan Dr. Walther te Alexandrië zijn wij een goede photographische afbeelding van dit merkwaardig beeld verschuldigd. Behalve dat, zijn er betrekkelijk weinig werken der beeldende kunst overig, de munten medegerekend, waaruit wij het uiterlijk onzer heldin konden leeren kennen.

Hoewel het den dichter vóór alles moet te doen zijn om zijn werk tot een kunstwerk te maken, zoo gevoelt hij daarbij toch den plicht om te streven naar getrouwheid. Evenals het beeld der Koningin moet overeenkomen met hare persoonlijkheid, zoo moet ook het leven, dat in dit boek wordt weergegeven, in iederen trek beantwoorden aan de beschaving van het tijdperk dat geschilderd wordt. Om dit doel te bereiken hebben we onze heldin geplaatst in het midden van een wijden kring van menschen, op wie zij invloed heeft, waardoor het mogelijk werd hare persoonlijkheid voor te stellen in de meest verschillende verhoudingen met anderen.

Mocht het den schrijver gelukt zijn het beeld der merkwaardige vrouw, die zoo verschillend beoordeeld is geworden, niet minder "levend" en geloofwaardig voor de oogen zijner lezers te stellen dan het zich heeft afgedrukt in zijn eigen geest, dan zou hij met voldoening mogen terug zien op de uren, die hij aan dit boek heeft gewijd.

GEORGE EBERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

Sinds lang had de bouwmeester Gorgias van Alexandrië geleerd de hitte der Aegyptische middagzon te weerstaan. Ofschoon hij nog geen dertig jaren telde, was hij het geweest die, eerst als medehelper van zijn vader, en na diens dood als zijn opvolger, de groote gebouwen opgericht had, waarmede Cleopatra de stad had verrijkt. Ook nu had zij hem weder een nieuwe taak opgedragen, en toch had hij zich, nog vóór het rustuur hierheen begeven, om aan den wensch te voldoen van een jongeling, die nog nauwelijks den knapenleeftijd ontwassen was.

Dit offer gold dan ook niemand minder dan Caesarion, den zoon van koningin Cleopatra en den grooten Julius Caesar. Antonius had hem met den trotschen naam van »Koning der koningen" vereerd--maar daarom was het hem toch in geenen deele vergund te bevelen of heerschappij te voeren; integendeel, zijne moeder hield hem geheel van de regeering buitengesloten, en hij zelf verlangde evenmin daarnaar. Zoo had dus Gorgias, indien hij gewild had, aan zijn verzoek geen gehoor behoeven te geven, en dit te meer, daar het hem duidelijk bleek, dat Caesarion hem in het geheim wilde spreken. De bouwmeester kon in de verte niet vermoeden wat hij hem wilde mededeelen, in ieder geval zou het onderhoud niet lang kunnen duren, want de vloot, waarmede de koningin en Marcus Antonius naar Griekenland overgestoken waren, moest nu reeds die van Octavianus hebben ontmoet, en zoo was waarschijnlijk de slag geleverd, die het lot der wereld beslissen zou. Gorgias geloofde dat Antonius en de koningin overwinnaars zouden zijn, en hij wenschte dit het doorluchtig paar van harte toe. Zelfs moest hij handelen alsof de uitslag van den strijd reeds verzekerd was, want hij moest de toebereidselen tot de plechtige ontvangst der overwinnaars leiden, voor zoover die tot zijn vak behoorden, en nog heden bepalen waar het kolossale beeld moest opgericht worden, dat Antonius voorstelde met zijne koninklijke geliefde aan de hand.

Mardion, een eunuch, dien Cleopatra in hare afwezigheid als Regent had aangesteld, en de groot-zegelbewaarder Zeno, die zelden in gevoelen met hem verschilde, wenschten het op een andere plaats te zien. Dit had echter tegen, dat dan een stuk grond, dat privaat eigendom was, daarvoor gebruikt moest worden, en hieruit konden moeilijkheden ontstaan, die Gorgias afschrikten. Maar ook als kunstenaar kon hij met het plan van Mardion niet ingenomen zijn, want op den grond van Didymus zou het beeld wel aan de zee staan, zooals de Regent en de zegelbewaarder vooral wenschten, maar het zou daar geen achtergrond hebben. In ieder geval kon de bouwmeester zich nu het verzoek van Caesarion ten nutte maken om van de plaats der bijeenkomst, de hooge trappen van den Isistempel, het Bruchium te overzien, en een geschikte plek voor zijn beeld uit te zoeken. Er was hem veel aan gelegen die te vinden, want de meester die dit kunstwerk had vervaardigd, was zijn vriend geweest en had kort na de voltooiing er van de oogen gesloten.

Het heiligdom, van waaruit Gorgias zijn onderzoekenden blik in het rond liet gaan, lag op een der schoonste gedeelten van het Bruchium. In deze wijk van Alexandrië stonden de koninklijke paleizen met alles wat daarbij behoorde, de prachtigste tempels (het Serapeum, dat in een ander deel der stad lag, niet medegerekend) en de grootste schouwburgen der stad. Hier riep het Forum den raad der Macedonische burgers tot hunne vergaderingen bijeen, en bood het Museum een tehuis aan de geleerden. Het kleine plein, dat den Isistempel ten oosten begrensde, werd gewoonlijk den Muzenhoek genoemd, ter eere van de marmeren vrouwenbeelden vóór de poort van het huis, dat met zijn grooten tuin de noordzijde, naar de zee toe afsloot, en dat aan den ouden algemeen geachten geleerde Didymus behoorde, die ook lid van het Museum was.

Het was een warme dag geweest, en het voorhof van den Isistempel bood den bouwmeester een welkome schaduw. Dit heiligdom rustte op een hoogen onderbouw, en een trap van vele treden leidde naar het inwendige gedeelte. Van hieruit had Gorgias een ruim vergezicht. De meeste gebouwen die hij hier zag waren uit den tijd van Alexander en van zijn opvolgers uit het geslacht der Ptolemaeërs, maar enkele, en dat niet de slechtste, waren zijn eigen werk of dat van zijn vader. Die aanblik deed zijn hart kloppen, en vervulde hem met geestdrift en vreugde. Hij had Rome gezien en menige andere stad, die tot de allerschoonste en volkrijkste werden gerekend, maar nergens was zulk een tal van heerlijke kunstwerken bijeen als in zijne vaderstad. »Al wilden de goden zelve beproeven," dacht hij, »om voor de bewoners van den Olympus een woning te bouwen, die met hunne grootheid en schoonheid in overeenstemming was, toch zou die niet veel rijker kunnen zijn, noch meer aan de behoefte van het kunstenaars gemoed voldoen, dan de gebouwen aan het strand van zulk een zee." Daarbij hield hij de hand boven de oogen, en de man die anders al zijn oplettendheid wijdde aan de kleine bijzonderheden van het werk dat hem bezighield, gunde zich nu eens het genot van den indruk dien het geheel op hem maakte, en waartoe hij zelf zooveel bijgedragen had. En terwijl hij met zijn kennersoog aan iederen tempel en zuilengang de harmonie en volmaaktheid der vormen bewonderde, haalde hij diep adem en bekende bij zich zelven, dat zijne kunst toch de schoonste van allen was, en dat niets haalde bij het oprichten van koninklijke gebouwen.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from Frankenstein

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.