
Public-domain ebook
Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2)
by Jules Verne
Language: nl339 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #38449.

Public-domain ebook
by Jules Verne
Language: nl339 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #38449.
The opening · free to read
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
Wonderreizen.
JULES VERNE.
HET STOOMHUIS. De Waanzinnige der Nerbudda.
Gevolgd door DOKTER OX.
Rotterdam.--Jacs. G. Robbers.
HET STOOMHUIS: DE WAANZINNIGE DER NERBUDDA.
I.
DE KRAAL.
De dood van dien ongelukkige had een levendigen indruk op ons gemaakt, en vooral de wijze waarop hij had plaats gegrepen. Maar de beet van de zweepslang, een der vergiftigste van het schiereiland, is onverbiddelijk. Alweder een slachtoffer bij de duizenden, die jaarlijks door deze geduchte dieren in Indië gemaakt worden [1].
Men heeft,--zeker uit kortswijl,--beweerd, dat er vroeger op Martinique geen slangen waren, en dat de Engelschen ze er hadden ingevoerd, toen zij het eiland aan Frankrijk moesten teruggeven. De Franschen behoefden van deze soort van wraakneming geen gebruik te maken, toen zij hunne overwinningen van Indië hebben overgegeven. Het was onnoodig, en de natuur heeft zich in dit opzicht werkelijk kwistig betoond.
Het lichaam van den Hindoe werd onder den invloed van het vergif snel ontbonden, en men moest het dadelijk begraven. Zijne metgezellen vervulden die treurige taak, en legden het in een kuil, die zoo diep was, dat de roofdieren het niet konden opgraven.
Zoodra deze droevige plechtigheid was afgeloopen, noodigde Matthias van Guitt ons uit hem naar de kraal te vergezellen, en deze uitnoodiging werd gretig aangenomen.
Binnen een half uur hadden wij de vestiging van den leverancier bereikt. Deze vestiging rechtvaardigde zeer goed den naam van »kraal," die meer bijzonder in gebruik was bij de kolonisten van Zuidelijk-Afrika.
Het was een uitgestrekte open ruimte in het dichtst van het woud. Matthias van Guitt had haar ingericht met een volkomen kennis van alles wat tot het vak behoorde. Zij was aan de vier zijden omgeven door een rij hooge palissaden, met een opening, die wijd genoeg was om toegang tot de wagens te verleenen. In het midden bevond zich een lange hut van boomstammen en planken, die aan al de bewoners der kraal tot woning diende. Zes kooien, in verschillende afdeelingen verdeeld, ieder op vier wielen, waren rechthoekig gesteld aan het linker uiteinde der omheinde ruimte. Het gebrul in die wagens verried dat er zich gasten in bevonden. Rechts was een dozijn buffels, gevoed door de vette weiden op de helling der bergen, in de open lucht afgeperkt. Dit was de gewone bespanning der rollende menagerie. Zes voerlui, die de wagens moesten besturen, tien Hindoes, speciaal geoefend in de jacht op wilde dieren, voltooiden het personeel der kraal.
De voerlui waren slechts gehuurd, zoolang als de campagne duurde. Het was hun taak de wagens naar de wildstreken te brengen, en ze vervolgens terug te geleiden naar het naaste station van den spoorweg. Daar werden dan de karren op rolwagens geplaatst, en konden zij over Allahabad of Bombay, Calcutta bereiken.
De jagers, van het ras der Hindoes, behoorden tot de kategorie van lieden van het vak, »chikaris" genaamd. Zij moeten de sporen der wilde dieren opzoeken, ze opjagen en ze vangen.
Zoodanig was het personeel der kraal en op deze wijze woonden Matthias van Guitt en zijne lieden er reeds sedert eenige maanden. Zij waren er blootgesteld, niet alleen aan de aanvallen der wilde beesten, maar ook aan de koortsen, die in het bijzonder Tarryani bezoeken. De vochtigheid der nachten, de noodlottige uitwasemingen van den bodem, de vochtige warmte onder het dichte geboomte, dat slechts onvolkomen door de zonnewarmte doordrongen wordt, dit alles maakt van de onderste streek der Himalaya een ongezond oord.
En toch waren de leverancier en zijne Hindoes zoo goed geacclimatiseerd in deze streek, dat zij evenmin door de »malaria" werden aangedaan als de tijgers of andere gewone bezoekers van Tarryani. Doch wij voor ons zouden niet ongestraft eenigen tijd in de kraal hebben kunnen verblijven, en dat was ook het plan niet van kapitein Hod. Eenige nachten slechts zouden wij op de loer liggen en den overigen tijd doorbrengen in het Stoomhuis, in die hoogere streken, die de uitwasemingen der vlakte niet kunnen bereiken.
Wij waren dus in het kampement van Matthias van Guitt aangekomen. De deur werd geopend om er ons toegang in te verleenen.
Matthias van Guitt scheen bijzonder door ons bezoek vereerd te zijn.
»En nu, mijne heeren, wensch ik u welkom in mijn kraal. De inrichting beantwoordt aan al de vereischten van mijn vak. Werkelijk is het slechts een groote hut, wat de jagers op het schiereiland een »houddi" noemen."
Zoo sprekende had de leverancier de deuren van de hut voor ons geopend, die door hem en zijne lieden gemeenschappelijk bewoond werd. Het was er alles behalve weelderig ingericht. Een eerste kamer voor den meester, een tweede voor de chikaris, een derde voor de voerlieden, en in elke kamer geen ander meubel dan een veldbed; een vierde grootere zaal, die tegelijk voor keuken en eetzaal diende. De woning van Matthias van Guitt verkeerde nog, zooals men ziet, in zeer primitieven toestand en verdiende met recht de benaming van houddi.
Na de woning van »de tweehandigen, tot de eerste groep der zoogdieren behoorende," bezocht te hebben, werden we uitgenoodigd de woning der viervoetige dieren nog iets nader in oogenschouw te nemen.
Dit was het merkwaardigste gedeelte van de geheele kraal. Het deed eerder denken aan de inrichting eener reizende menagerie dan aan de gerieflijke schikking van een zoölogischen tuin. Er ontbrak inderdaad niets aan, dan het in waterverf geschilderd doek, boven een kermistooneel opgehangen, en met harde kleuren een dierentemmer voorstellende in een vleeschkleurig tricot en fluweelen jasje, te midden van een woest opspringenden troep wilde beesten, die met bebloeden muil, de klauwen uitsteken en zich krommen onder de zweep van een Bidel of een Pezon! Ongelukkig bevond zich daar geen publiek om de loge te bestormen.
Eenige schreden van daar bevonden zich de tamme buffels. Zij namen rechts een gedeelte ter zijde van de kraal in, alwaar men hun dagelijks hun rantsoen versch gras bracht. Onmogelijk kon men deze dieren in de naburige weiden laten rondzwerven. Zooals Matthias van Guitt het in sierlijke bewoordingen uitdrukte: »de gewoonte om de dieren vrij te laten weiden, zooals dit in het Vereenigd-Koninkrijk geschiedt, is onbestaanbaar met de gevaren, die de wouden der Himalaya opleveren."
De eigenlijke menagerie bestond uit zes kooien, die op vier wielen stonden. Elke kooi, van voren met traliewerk voorzien, was in drie afdeelingen verdeeld. Door middel van deuren, of liever schotten, die van onderen naar boven konden bewogen worden, kon men de dieren, naar gelang de behoefte van den dienst het medebracht, van de eene afdeeling in de andere drijven. Die kooien bevatten toen zeven tijgers, twee leeuwen, drie panters en twee luipaarden.
Matthias van Guitt deelde ons mede, dat zijn voorraad eerst dan gereed zou zijn, als hij nog twee luipaarden, drie tijgers en een leeuw gevangen had. Dan eerst zou hij het kampement verlaten, het dichtstbij zijnde station van den spoorweg bereiken en de richting naar Bombay inslaan.
De wilde dieren, die men gemakkelijk in hunne hokken kon gadeslaan, waren prachtig, doch bijzonder woest. Zij waren nog te kort geleden gevangen om reeds aan hun toestand van opsluiting gewoon te zijn. Dit merkte men aan hun ontzettend gebrul, aan hun onophoudelijke heen en weer beweging van het eene tusschenschot naar het ander, aan de geweldige slagen, die zij met de pooten tusschen de op vele plaatsen verbroken traliën den toeschouwers trachtten toe te brengen.
Toen wij voor de kooien kwamen, verdubbelde dit geweld nog, zonder dat Matthias er zich iets om scheen te bekreunen.
»Arme dieren!" zei kapitein Hod.
»Arme dieren!" herhaalde Fox.
»Gelooft u dan dat ze meer te beklagen zijn, dan zij die ge doodt?" vroeg de leverancier op tamelijk drogen toon.
»Minder te beklagen dan te berispen.... dat ze zich hebben laten vangen!" antwoordde kapitein Hod.
Indien het waar is wat men beweert, dat de roofdieren in landen als in Afrika, waar de herkauwers, die hun tot voedsel strekken, zeldzaam zijn, somtijds lang moeten vasten, zoo is dit niet hetzelfde in de gansche streek van Tarryani. Daar toch zijn bizons, buffels, zebus, wilde zwijnen, antilopen in overvloed voorhanden, waarop leeuwen, tijgers en panters onophoudelijk jacht maken. Daarenboven bieden hun de geiten, de schapen, om niet te spreken van de »raiöts," die ze hoeden, een gemakkelijke en zekere prooi aan. Zij kunnen dus in de bosschen der Himalaya gemakkelijk hun honger voldoen. Daarom ook is hunne wreedheid, die hen nooit verlaat, niet te verontschuldigen.
Het was voornamelijk met het vleesch van den bizon en den zebu waarmede de leverancier de gasten zijner menagerie voedde en de zorg hen op zekere dagen te proviandeeren was aan de chikaris opgedragen.
Men stelle zich niet voor, dat deze jacht zonder gevaren zoude zijn. Het tegendeel is waar. Zelfs voor den tijger is de wilde buffel een geducht dier, vooral als hij gewond is. Vele jagers hebben hem met de horens den boom zien ontwortelen, waarop hij een schuilplaats gezocht had. Ongetwijfeld beweert men wel, dat het oog van den herkauwer inderdaad een vergrootende lens is, dat de grootte der voorwerpen zich in zijne oogen verdriedubbelt en dat de mensch, met dat reusachtige voorkomen, hem vrees inboezemt. Eveneens beweert men, dat de vertikale stand van het menschelijk wezen, als hij loopt, de wilde dieren verschrikt en het daarom beter is ze overeind te trotseeren dan neergehurkt of in liggende houding.
Ik weet niet in hoever deze bijzonderheden waarheid bevatten, maar zeker is het, dat de mensch, zelfs al richt hij zich in zijne gansche lengte op, niet de minste uitwerking op den wilden buffel maakt en dat, bijaldien hij ongewapend is of zijn wapen hem begeeft, hij zoo goed als verloren is.
Hetzelfde kan gezegd worden van den Indischen bizon of bultos, met den korten en vierkanten kop, de ranke, aan de basis afgeplatte horens, den bultigen rug,--die zijne verwantschap toont met zijn Amerikaanschen stamgenoot,--met de van den hoef tot aan de knie toe witte pooten en die van den wortel van den staart tot aan de punt der snuit menigmaal vier ellen meet. Ook hij, al is hij misschien minder woest, wordt, bij troepen in het hooge gras der vlakte weidende, vreeselijk voor iederen reiziger, die hem onvoorzichtig aanvalt.
Dit waren dus de herkauwers die meer bijzonder bestemd waren de roofdieren van de menagerie van Guitt te voeden. Ook trachtten de chikaris, teneinde zich zekerder meester van hen te maken, ze bij voorkeur in vallen te vangen, waaruit zij ze dood of bijna dood te voorschijn haalden.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.