Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

HET ÉÉNE NOODIGE.

"Al wat ik vraag, zijn feiten. Leer die jongens en meisjes niets anders dan feiten. Dat is alles wat men in de wereld noodig heeft. Plant niet anders, en roei alle andere dingen uit. Door feiten alleen kunt gij den geest van met rede begaafde dieren ontwikkelen; niets anders zal hun ooit van eenig nut wezen. Dit is de stelregel, waarnaar ik mijne eigene kinderen grootbreng, en het is ook de stelregel, waarnaar ik deze kinderen opvoed. Houd u aan feiten en blijf daarbij, mijnheer!"

Het tooneel was een hol, eentonig schoolvertrek, met vier kale witte muren, en des sprekers recht uitgestoken voorvinger gaf nadruk aan zijne woorden, door elk gezegde met eene lijnrechte beweging over des schoolmeesters mouw te onderstrepen. Die nadruk werd nog versterkt door des sprekers voorhoofd, dat naar een vierkant opgebouwden muur geleek, die zijne wenkbrauwen tot grondslag had, terwijl zijne oogen in twee naar keldergaten zweemende donkere holen, door dien muur overschaduwd, verscholen lagen; en verder door des sprekers mond, die breed en recht ingesneden was, met dunne, strakke lippen--en verder door des sprekers stem, die stroef, eentonig en gebiedend was--en verder door des sprekers haar, dat borstelig om den rand van zijn kaal hoofd oprees, als ware het een dennenplantsoen, bestemd om den wind van de blinkende oppervlakte af te weren, die overal met knobbels was bedekt, alsof het hoofd nauwelijks ruimte had voor al de dorre feiten, die daarin lagen opgestapeld. Des sprekers geheele onverbiddelijke houding, zijn rechthoekig gesneden rok, zijn rechthoekige beenen, zijne rechthoekige schouders--ja zelfs zijne das, gewend om hem met een onverbiddelijken greep, als een hardnekkig feit, bij de keel te pakken--alles versterkte nog dien nadruk.

"In deze wereld hebben wij niets anders dan feiten noodig, mijnheer; niets anders dan feiten."

De spreker, de schoolmeester en de derde aanwezige volwassene persoon, stapten een weinig achteruit en lieten toen hunne oogen gaan over het hellende vlak van kleine kruikjes, daar in orde geschikt, en gereed om zich emmers vol feiten te laten ingieten tot zij ten boorde toe vol waren.

II.

DE KINDERMOORD.

Thomas Gradgrind, mijnheer. Een man van het positieve en materieele. Een man van feiten en cijfers. Een man, die zich aan den regel vasthoudt, dat tweemaal twee vier is en niets meer, en die zich niet laat bepraten om iets daarboven in te willigen. Thomas Gradgrind, mijnheer--Thomas en niets anders--Thomas Gradgrind. Met eene liniaal en een goudschaaltje en de tafel van vermenigvuldiging altijd in zijn zak, gereed om ieder staaltje van het menschdom te meten en te wegen, en u precies te zeggen wat het uitmaakt. Dit is iets, waarbij het alleen op cijfers aankomt, eene eenvoudige rekensom. Het zou u misschien kunnen gelukken, om een George Gradgrind, of een Augustus Gradgrind, of een John Gradgrind, of een Jozef Gradgrind (allen hersenschimmige, denkbeeldige personen) daaromtrent een ander begrip, dat maar een dwaas vooroordeel is, in het hoofd te brengen, maar Thomas Gradgrind, mijnheer--onmogelijk!

Met dergelijke bewoordingen in zijne gedachten, was mijnheer Gradgrind gewoon zich zelven voor te stellen, hetzij in een gesloten kring van bekenden, of bij het publiek in het algemeen, en zonder twijfel was het ook met die gedachten--behalve dat hij het woord "mijnheer" in de woorden "jongens en meisjes" veranderde, dat Thomas Gradgrind zich thans naar de kleine kruikjes keerde, die zoo vol feiten moesten gegoten worden.

Waarlijk, terwijl hij hen uit de bovengemelde keldergaten aanflikkerde, scheen hij een soort van kanon te zijn, tot aan den mond met feiten geladen, en gereed om hen met één schot geheel uit de gewesten der kindsheid te doen verstuiven. Hij scheen ook wel een galvanisch toestel, geladen met een bijtend scheikundig mengsel, dat de teedere, jeugdige verbeelding haar spel moest beletten door haar met eene harde korst van feiten te overdekken.

"Meisje nommer twintig," zeide mijnheer Gradgrind, lijnrecht met zijn voorvinger wijzende. "Ik ken dat meisje niet. Wie is dat meisje?"

"Sissy Jupe, mijnheer," antwoordde het meisje nommer twintig, blozende, opstaande en nijgende.

"Sissy is geen naam," zeide mijnheer Gradgrind. "Gij moet geen Sissy zeggen, maar Cecilia."

"Vader noemt mij altijd Sissy, mijnheer," antwoordde het meisje met eene bevende stem en nogmaals nijgende.

"Dat moet hij dan niet doen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Zeg hem, dat hij het niet meer doen moet, Cecilia Jupe. Laat eens zien. Wat is uw vader?"

"Hij behoort bij de paardrijders, als het u belieft, mijnheer."

Mijnheer Gradgrind trok zijne wenkbrauwen samen en wuifde het aanstootelijke beroep als het ware met zijne hand weg.

"Wij willen hier niets daarvan weten. Gij moogt hier volstrekt niet daarvan spreken. Uw vader dresseert paarden, niet waar?"

"Ja wel, mijnheer, zij dresseeren ook wel paarden in de manege, als zij ze krijgen om te dresseeren, mijnheer."

"Gij behoeft ons hier niets van de manege te vertellen. Welnu dan. Zeg dus maar, dat uw vader paarden dresseert. Hij zal ook wel zieke paarden cureeren, zou ik denken?"

"O ja wel, mijnheer."

"Welnu, dan is hij pikeur en paardendokter. Laat mij eens uwe definitie van een paard hooren."

Sissy Jupe ontstelde zichtbaar over dezen eisch en zweeg.

"Dat meisje nommer twintig is buiten staat om eene definitie van een paard te geven," zeide mijnheer Gradgrind tot algemeene waarschuwing van al de kleine kruikjes. "Dat meisje nommer twintig is onbekend met de feitelijke eigenschappen van een der gewoonste dieren. Laat een van de jongens mij eens eene definitie van een paard geven. Bitzer, gij!"

De rechthoekige vinger bleef, na hier en daar gedwaald te hebben, op Bitzer wijzen, misschien omdat deze toevallig in denzelfden straal van zonlicht zat, die door een der vensters van het in het oog loopend helder witte vertrek vallende, ook Sissy bescheen. Want de jongens en meisjes zaten op het hellende vlak van banken in twee dichte drommen, in het midden door eene smalle tusschenruimte gescheiden; en Sissy, op den hoek eener rij aan den zonkant gezeten, werd door het begin van een zonnestraal beschenen, waarvan Bitzer, aan den anderen kant, eenige rijen verder op een hoek zittende, het einde opving. Maar terwijl het meisje zulke donkere oogen en lokken had, dat zij door de zon, die haar bescheen, nog krachtiger en glanziger gekleurd schenen te worden, had de jongen zoo lichte haren en oogen, dat dezelfde stralen het weinigje kleur, dat hij bezat, geheel schenen te doen verschieten. Zijne koude oogen zouden haast geene oogen zijn geweest zonder de korte wimpers, die, daar zij de appels tegen iets nog bleekers dan zij zelven waren deden afsteken, de teekening er van zichtbaar maakten. Zijn kort geknipt haar kon maar eene voortzetting wezen van de geelachtige sproeten op zijn voorhoofd en zijn gezicht. Zijne ongezonde huid was zoodanig van natuurlijke vleeschkleur ontbloot, dat het scheen alsof hij wit zou bloeden als hij zich sneed.

"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, "geef mij eens uwe definitie van een paard."

"Een graanetend viervoetig dier, met veertig tanden, namelijk vier en twintig kiezen, vier hoektanden en twaalf snijtanden. Laat in de lente zijne haren vallen; in moerasachtige streken ook zijne hoeven. Heeft harde hoeven maar die met ijzer moeten beslagen worden. Zijn ouderdom is te zien aan sommige teekenen in den bek."

Dit en nog veel meer, zeide Bitzer.

"Nu, meisje nommer twintig," hervatte mijnheer Gradgrind, "nu weet gij wat een paard is."

Zij neeg weder en zou nog hooger gebloosd hebben, indien het mogelijk geweest was dit nog sterker te doen dan zij al dien tijd gedaan had. Bitzer wierp snel een blik naar mijnheer Gradgrind, zijne oogen opslaande, zoodat hij het licht op de trillende wimpers ving, die daarbij naar de voelhorentjes van spartelende insecten geleken, duwde toen zijne kneukels tegen zijn met sproeten bezaaid voorhoofd en ging weder zitten.

Thans trad de derde heer vooruit, een man wien men een moreelen kampvechter zou kunnen noemen, altijd gereed om tegen iedereen te boksen en zich liever dood te vechten dan zich overwonnen te bekennen. Vooral wanneer het gezond verstand hem in den weg kwam, ontwaakte zijn strijdlust, en hij gaf het niet op voordat hij die ongelukkige tegenpartij buiten adem had gebracht. Hij bekleedde een gouvernements-post en achtte zich daarom geroepen het duizendjarig rijk der ambtenaren te helpen stichten, waarin de geheele aarde door commissarissen zou geregeerd worden.

"Heel goed," zeide deze heer met een lachje, terwijl hij zijne armen over elkander sloeg, "dat is een paard. Laat ik u nu eens iets vragen, jongens en meisjes. Zoudt gij wel eene kamer willen behangen met afbeeldsels van paarden?"

Na eene korte pauze riep de eene helft der kinderen: "Ja, mijnheer!" waarop de andere helft, aan het gezicht des vragers ziende dat "ja" het verkeerde antwoord was, in koor "neen, mijnheer," riep, gelijk het bij zulk een examen gewoonlijk gaat.

"Immers neen. Maar waarom zoudt ge niet?"

Eene pauze. Een dikke, botte jongen waagde het te antwoorden: "omdat hij de kamer geheel niet wilde behangen, maar liever schilderen."

"Maar als de kamer nu moet behangen worden?" hernam de vrager tamelijk driftig.

"Gij moet hem behangen, of gij wilt of niet," viel mijnheer Gradgrind hierop in. "Spreek van geen niet willen. Dat komt hier niet te pas."

"Ik zal het u dan verklaren," zeide de vrager, na eene andere drukkende pauze; "ik zal u zeggen waarom gij eene kamer niet met afbeeldingen van paarden moet behangen. Ziet gij ooit wezenlijke paarden tegen de wanden eener kamer op- en afloopen? Is dat een werkelijk feit?"

"Ja, mijnheer," riep de eene helft; "neen, mijnheer," riepen de anderen.

"Immers neen," zeide de vrager, met een blik van verontwaardiging op de helft, die misgeraden had. "Welnu dan, men moet nergens iets zien, wat men daar niet wezenlijk ziet; men moet nergens iets hebben, wat men daar niet wezenlijk heeft--wat niet werkelijk is. Wat men smaak noemt, is maar een andere naam voor het feitelijk bestaande."

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and Prejudice

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.