
Public-domain ebook
Zijn Excellentie Eugène Rougon
by Émile Zola
Dutch458 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #55488.

Public-domain ebook
by Émile Zola
Dutch458 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #55488.
The opening · free to read
--De zitting is geopend.
En hij rangschikte de wetsontwerpen, die op de schrijftafel voor hem lagen. Links van hem las een bijziende secretaris, met den neus op het papier, de notulen van de laatste vergadering, met een haastig gebrom waarnaar geen enkele afgevaardigde luisterde. In het verward gedruis van de zaal werd die stem slechts gehoord door de boden, die er zeer waardig, zeer correct uitzagen tegenover de achtelooze houdingen van de kamerleden.
Er waren geen honderd afgevaardigden aanwezig. Sommigen leunden met droomerige oogen, soezend achterover op de roodfluweelen banken. Anderen, over den rand van hun lessenaars gebogen, als onder de verveling van zulk een corvée als een openbare zitting, trommelden zachtjes met hun vingertoppen tegen het mahoniehout. Door het met glas overdekte vak in de zoldering, dat zich als een halve maan tegen den hemel afteekende, drong de regenachtige Meimiddag binnen en verlichtte gelijkmatig den statigen ernst van de zaal. Het licht daalde langs de banken als een breed, roodgekleurd laken, met een somberen gloed, hier en daar, in de hoeken der ledige banken, verhelderd door een lichtrooden weerschijn; terwijl achter den president de naakte beelden en beeldhouwwerken helderwitte schijnsels vormden.
Een afgevaardigde was bij de derde bank rechts in het smalle gangpad blijven staan. Met een nadenkend gezicht streek hij over zijn ruwen grijzenden ringbaard, en toen een bode voorbij ging, hield hij hem staande en richtte hij fluisterend een vraag tot hem.
--Neen, mijnheer Kahn, antwoordde de bode, mijnheer de president van den Raad van State is nog niet gekomen.
Toen ging mijnheer Kahn zitten. En zich plotseling tot zijn linkerbuurman wendend, vroeg hij:
--Zeg eens, Béjuin, heb je Rougon van morgen soms gezien?
Mijnheer Béjuin, een mager, donker mannetje met een stil uiterlijk, hief het hoofd op; hij keek bezorgd, zijn gedachten waren elders. Hij had het blad van zijn lessenaar uitgeschoven en hield zijn correspondentie op blauw papier, met gedrukt hoofd Béjuin & Cie, cristallerie de Saint-Florent.
--Rougon? herhaalde hij. Neen, ik heb hem niet gezien. Ik had geen tijd om langs den Raad van State te gaan.
En hij hervatte kalm zijn bezigheden. Hij raadpleegde een notitieboekje en schreef zijn tweeden brief onder het onduidelijk gebrom van den secretaris, die zijn notulen bijna teneinde had gelezen.
Mijnheer Kahn kruiste de armen en leunde achterover. Zijn forsche gelaatstrekken waarbij de groote welgevormde neus zijn joodsche afkomst verried, drukten gemelijkheid uit. Hij beschouwde de vergulde rozetten van het plafond, keek naar het geplas van een stortbui, die boven de glazen lantaarn losbarstte; toen dwaalden zijn blikken weer af naar den grooten muur tegenover hem, waarvan hij de kunstig samengestelde versieringen met aandacht scheen te bestudeeren. Aan weerszijden bleef zijn blik een oogenblik rusten op de met groen fluweel overtrokken paneelen, vol attributen met vergulde omlijstingen. Nadat hij daarop de zuilenparen bekeken had, waartusschen de allegorische beelden van de Vrijheid en de Publieke orde hun marmeren gelaat met hun ziellooze oogen vertoonden, verdiepte hij zich ten slotte in de beschouwing van het groen zijden gordijn, waarachter het fresco verborgen was, dat Louis-Philippe voorstelde, de Grondwet bezwerende.
Intusschen was de secretaris gaan zitten. Het bleef rumoerig in de zaal. De president doorbladerde kalm zijn papieren. Werktuigelijk drukte hij op den knop van de schel, wier luide klank geen van de particuliere gesprekken stoorde. En te midden van het gedruis bleef hij daar een oogenblik staan wachten.
--Mijne heeren, begon hij, ik heb een brief ontvangen....
Hij zweeg even om nogmaals te schellen, weer wachtende, met zijn ernstig gelaat, waarop de verveling te lezen stond, boven het monumentale bureau uitziende, dat onder hem zijn met wit marmer omlijste roodmarmeren paneelen vertoonde. Zijn dichtgeknoopte jas vormde een zwarte plek op het bas-relief achter het bureau, waarop zij de ruimgeplooide mantels van den Landbouw en de Nijverheid met een zwarte lijn doorsneed.
--Mijne heeren, hernam hij, toen hij zich eenigszins verstaanbaar kon maken, ik heb een brief van mijnheer de Lamberthon ontvangen, waarin hij zich verontschuldigt dat hij heden de zitting niet kan bijwonen.
Er werd zachtjes gelachen op een bank, de zesde tegenover het bureau. Het was een piepjong afgevaardigde, hoogstens acht en twintig jaar oud, blond en beminnelijk, die in zijn blanke handen den helderen lach van een mooie vrouw smoorde. Een zijner collega's schoof drie plaatsen naderbij om hem fluisterend te vragen:
--Heeft Lamberthon werkelijk zijn vrouw gevonden? Vertel me dat toch eens, La Rouquette.
De president had een handvol papieren opgenomen. Hij sprak met eentonige stem; enkele volzinnen werden slechts gedeeltelijk achter in de zaal gehoord.
--Er zijn aanvragen om ontslag .... mijnheer Blachet, mijnheer Buquin-Lecomte, mijnheer de la Villardière....
En terwijl de kamer de aanvragen om ontslag inwilligde, had mijnheer Kahn, dien het zeker verveelde naar het groen zijden gordijn voor het afbeeldsel van Louis-Philippe te kijken, zich halverwege omgekeerd om de tribunes te monsteren. Boven den geelmarmeren ondermuur vertoonde een enkele rij tribunes van zuil tot zuil roodfluweelen balustrades, terwijl geheel bovenaan een gegaufreerd lederen lambrequin de leege ruimte niet geheel verbergen kon, die ontstaan was door de opheffing van de tweede rij, vóór het keizerrijk, voor de pers en het publiek bestemd. Tusschen de dikke, gele pilaren, die hun ietwat logge statigheid rondom den halven cirkel vertoonden, bevonden zich de smalle loges, in halfduister gehuld, bijna ledig, door drie of vier lichte damestoiletjes opgevroolijkt.
--Zoo, kolonel Jobelin is gekomen, mompelde mijnheer Kahn.
Hij lachte den kolonel, die hem opgemerkt had, toe. Kolonel Jobelin droeg de donkerblauwe overjas, die hij sedert zijn pensionneering bij wijze van burgerlijke uniform droeg. Hij bevond zich geheel alleen op de rentmeesters-tribune en droeg zijn officiersrozet, zoo groot, dat het de strik van een foulard geleek.
Meer naar links had mijnheer Kahn een jongen man en een jonge vrouw opgemerkt, die teeder tegen elkander aangevlijd zaten, in een hoekje van de tribune van den Raad van State. De jonge man boog zich telkens fluisterend tot de jonge vrouw over, die teeder glimlachte, zonder hem aan te zien, de oogen gevestigd op het allegorisch beeld van de Publieke orde.
--Zeg, Béjuin? fluisterde de afgevaardigde, terwijl hij zijn collega met de knie aanstiet.
Mijnheer Béjuin was aan zijn vijfden brief. Hij keek verschrikt op.
--Zie je daar boven den kleinen d'Escorailles en de mooie mevrouw Bouchard niet? Ik wed dat hij haar in haar heupen knijpt. Zij kijkt zoo kwijnend. Alle vrienden van Rougon schijnen hier dus bijeen te zijn. Daar heb je op de publieke tribune mevrouw Correur ook, en het echtpaar Charbonnel.
De schel van den minister weerklonk, langer ditmaal. Een bode riep met een mooie basstem "Stilte, heeren!" Men luisterde. En de president sprak dezen volzin, waarvan geen enkel woord verloren ging:
--Mijnheer Kahn vraagt machtiging om de rede te laten drukken, die hij gehouden heeft bij de discussie over het wetsontwerp betreffende de vaststelling van een gemeentebelasting op paarden en rijtuigen, binnen Parijs rondrijdende.
Een zacht gemompel liep door de banken, en de gesprekken werden hervat. Mijnheer la Rouquette was naast mijnheer Kahn gaan zitten.
--U werkt dus voor het volk? zei hij schertsend.
En zonder zijn antwoord af te wachten, ging hij voort:
--Hebt u Rougon niet gezien, hebt u niets vernomen?.... Iedereen heeft er den mond vol van. Het schijnt dat er nog niets zeker is.
Hij keerde zich om en keek op de klok.
--Al tien minuten voor half drie! Ik was al lang heengegaan, als dat drommelsche rapport niet voorgelezen werd!... Zou het bepaald vandaag gebeuren?
--We zijn tenminste allen gewaarschuwd, antwoordde mijnheer Kahn. Ik heb van geen tegenorder gehoord. U zult verstandig doen te blijven. Straks komen de vierhonderd duizend francs voor den doop in stemming.
--Zonder twijfel, hernam mijnheer La Rouquette. De oude generaal Legrain die nu in beide beenen lam is, heeft zich door zijn knecht hierheen laten dragen; hij wacht in de conferentie zaal op den uitslag der stemming.... De keizer rekent terecht op de toewijding van het heele Wetgevend lichaam. Bij deze feestelijke gelegenheid mag niemand van ons hem zijn stem onthouden.
De jonge afgevaardigde had groote moeite gedaan om zich het ernstige voorkomen van een politiek man te geven. Zijn popperig gezicht, door eenige vlasblonde haartjes opgevroolijkt, wiegelde met een aanmatigende uitdrukking boven zijn das heen en weer. Hij scheen een oogenblik te genieten van de twee welsprekende volzinnen, die hij gevonden had. Toen barstte hij plotseling in een schaterlach uit.
--Goede hemel! zei hij, wat zien die Charbonnels er grappig uit!
Toen maakten mijnheer Kahn en hij allerlei grappen ten koste van de Charbonnels. De vrouw droeg een opzichtige gele sjaal, de man een jas, waaraan geen vorm of snit te bekennen viel; en beiden, dik, rood, ineengedrongen, leunden bijna met de kin op de fluweelen balustrade, om des te beter de zitting te kunnen volgen, waarvan hun opeengesperde oogen niets schenen te begrijpen.
--Als Rougon valt, mompelde mijnheer La Rouquette, geef ik geen duit voor het proces van de Charbonnels.... Net als mevrouw Correur....
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.