
Public-domain ebook
Avonturen aan gene zijde van den Evenaar
Language: nl360 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #57222.

Public-domain ebook
Language: nl360 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #57222.
The opening · free to read
Door Kurt von Albrecht.
Naar het Duitsch Door Mevrouw Van Heuvelinck.
AMERSFOORT G. J. SLOTHOUWER.
DE CARRILS.
"Well! Denk je werkelijk, dat wij hier nog blanke broeders zullen ontmoeten, hier op deze vlakten, die je pampa's noemt en waar men zoover het oog reikt geen hut bespeurt, ja niet eens een kudde vee?"
"Vertrouw op mij, Señor, als op het heilige Sacrament. Gij begrijpt toch wel, dat ik een goede reden heb voor mijn bewering."
"Hoor eens, vriendje, het is niet voor de eerste maal dat ik je waarschuw. Je weet hoe ik over je denk."
"Dat weet ik; toch zult gij moeten erkennen, dat ik u steeds heb behandeld als de eene caballero den ander."
"Maar dat spreekt vanzelf! Ik betaalde je immers om mij...... daarheen te brengen. En, Pedro, nog voor ons vertrek uit het fort heb ik je al gezegd, dat de onrustige, spiedende blik, waarmede je telkens om je heen ziet, geen vertrouwen wekt. Denk er aan dat mijn pistolen geladen zijn en ik gaarne schurken neerschiet. In je eigen belang, vriendje, spaar me de ervaring, dat je tot dat groote gilde behoort en reken er op dat het vermoeden alleen al voldoende zou zijn om mij van mijn wapens gebruik te doen maken."
De beide ruiters, die dit gesprek voerden, reden op de groote vlakte van Patagonië naar Argentinië welke zich uitstrekt tot de Rio Pilcamayo. Zij bevonden zich op de hoogte waar de Rio Negro met donderend geweld zijn wateren in den oceaan stort, en op eenige honderde mijlen afstand van de bekende nederzetting Carmen de Patagones. De een, een man in de kracht van zijn jaren, bereed een buitengewoon mooi ros, welks edele vormen getuigden van zijn Andalusieschen oorsprong; de ander zat op een klein kastanjebruin paard zonder eenige schoonheid, maar van krachtigen lichaamsbouw. Het uiterlijk der beide reizigers was al even verschillend als dat hunner dieren. Hij, die het vurige ros zoo volkomen in bedwang had, was lang en tenger maar sterk gespierd; een eenvoudige uit beste stof vervaardigde kleeding omsloot zijn lenige gestalte. Het blonde haar en de lange blonde baard, evenals de blanke door de zon gebruinde gelaatskleur wettigden het vermoeden, dat hij op het noordelijk halfrond het levenslicht had aanschouwd. Zijn metgezel, een nog jonge man, was een dier figuren, dien de reiziger in Argentinië op al zijn tochten ontmoet. Gekleed in het korte Spaansche buis en de wijde broek, over zijn schouders de poncho, om de heupen een bont gekleurde met franje versierde doek, de voeten in plompe hooge laarzen met sporen, was hij, rechtop en onbewegelijk in den zadel gezeten, het onvervalschte type van den echten gaucho. [1]
"Señor Inglese," begon na een langdurig zwijgen de als Pedro toegesproken herder opnieuw het gesprek, "Señor Inglese, gij hebt mij als gids aangenomen en betaald. Wilt gij me nu volgen of niet? Denkt gij den weg zonder mij te kunnen vinden, goed, ga dan alleen. Maar, zeg eens, welke richting zoudt gij inslaan als ik wegliep? Terugkeeren, niet waar, er zat niets anders op, want het zou de grootste dwaasheid zijn om zonder levensmiddelen naar het Zuiden te trekken, het Zuiden dat u bovendien geheel onbekend is."
"Hm, hm," zeide de Engelschman, snel een blik op het grijnzend gelaat van zijn reisgenoot werpend. "Hm, hm," herhaalde hij langzaam en nadenkend over het moeilijke geval, waarin hij zich bevond.
"Jij zegt dat wij westwaarts moeten gaan en ik zeg van neen, omdat ik naar Patagonië wil en niet naar de Andes. Jij beweert, dat de laatste nederzetting der blanken in het Westen ligt en ik houd vol, dat het vuur daar in het Zuiden door blanken is ontstoken, al is het mogelijk waar dat de roodhuiden zoo nabij zijn als je vermoedt."
"Hebt gij vuur gezien, mylord, en ik, een gaucho, niet?" vroeg Pedro ongeloovig lachend. "Vuur.... zoo waar," viel hij zichzelf in de rede, "nu zie ik het ook! Maar de rook, dien wij in de verte naar het Oosten zien drijven, stijgt niet uit het kamp der blanken," vervolgde hij beslist. "Het is geen houtvuur zooals zij gewoonlijk aanleggen, maar 't wordt gestookt met verdroogd gras en dorre berberissetakken. In de pampa's, ten zuiden van de Rio Negro is geen ander brandmateriaal te vinden. Wilt gij uw verderf te gemoet gaan, mylord, rijd dan naar het Zuiden, wilt gij uw doel bereiken, volg mij dan naar het Westen."
"Well! Indien gij werkelijk gelooft, dat de Indianen daar hun kamp hebben opgeslagen, breng me dan bij hen. Ik wil naar Patagonië, zij het dan ook met Indianen," hield de Brit eigenzinnig vol.
"Bij de heilige jonkvrouw van Cordova gij hebt uw verstand verloren! Weet gij dan niet, dat de Tsonecas de blanken vermoorden of hen houden als ..... slaven?"
"Ik zal hun slaaf niet zijn maar hun vriend en..."
"En nooit weer de grenzen van Patagonië overschrijden! De Tsonecas rijden als duivels en nooit gelukt het iemand hun te ontvluchten. Neen, Mylord, laten wij naar het Westen, naar de nederzetting trekken. Daar vinden wij allicht een aantal bomberos, die tegen een goede betaling een strooptocht in het land der Tehuelches willen meemaken."
"Tusschen twee vuren," mompelde de Engelschman in zijn moedertaal. "Ginds een troep Indianen, hier een gaucho. Ik stel in geen enkel opzicht vertrouwen in dien knaap en zou er op durven zweren, dat hij de gelegenheid zoekt me aan den meestbiedende te verkoopen."
"Al besloten, Mylord?" vroeg de gids, de overpeinzingen van den Brit storend.
"Pedro, Don Pedro," zeide deze deftig, "wij zijn beiden dapper, is het niet, en duchten geen gevaar. Laten we naar het Zuiden rijden en behandelen de Indianen ons als vijanden...... Well, dan vluchten wij naar het Westen. Onze paarden zijn goed en sterk en onze wapens uitstekend geschikt om ons den vijand van het lijf te houden."
"Bij de heilige Jonkvrouw, Mylord, neem toch mijn raad ter harte. Carramba!" vloekte de vrome Pedro, haastig een kruis slaande. "Wie van den duivel spreekt, ziet zijn staart. Voor de laatste maal, gringo, [2] wilt gij met mij naar het Westen rijden of alleen naar .... Carratscho! 't Is reeds te laat! Zaagt gij daar niet plotseling voor één enkel oogenblik een menschenhoofd te voorschijn komen? Waar het gebleven zou zijn? .... In die vervloekte greppels kunnen zij zich zoo gemakkelijk verschuilen. Daar," vervolgde de gaucho opgewonden, "daar Mylord, daar, dicht bij den opstijgenden rook een ruiter,.... verdwenen is hij alweer! Carratscho! Dat was de vent dien ik gezien heb. Nu gaat hij ons verraden."
De Engelschman had eveneens den ruiter gezien en snel zijn verrekijker gegrepen, maar op het zelfde oogenblik waren man en paard als in den grond weggezonken.
"Don Pedro is bang," zeide Mylord, onverschillig de schouders ophalend. Met de grootste kalmte schoof hij den verrekijker in elkaar en stak hem in het foudraal.
"Mylord," riep de gaucho driftig, "ik zweer bij mijn schutspatroon, dat ik mij dadelijk wreken zou over deze beleediging, indien wij niet gezamenlijk moesten trachten het naderend gevaar te ontkomen."
Zonder acht te slaan op Pedro's uitval, vervolgde de Engelschman bedaard; "Zou het onmogelijk zijn, dat blanken uit de nederzetting op jacht gegaan en ginds gekampeerd zijn?"
"Blanken uit de nederzetting?" vroeg Pedro nadenkend. "Hm, hm, 't zou kunnen," vervolgde hij, blijkbaar verheugd over de mogelijkheid van zulk een oplossing, die hem om bijzondere reden zeer welkom zou zijn.
"En .... zouden wij kunnen vluchten, indien bleek dat vijanden daar hun kamp hadden opgeslagen?"
"Beproeven konden wij het in ieder geval ofschoon ik vrees, dat onze pogingen vruchteloos zouden zijn," meende Pedro, bij wien langzamerhand de hoop levendig werd, blanken, in dit geval vrienden, te zullen aantreffen. "Zijn het Indianen," vervolgde hij, "dan hebben ze ons reeds lang gezien en overal wachten uitgezet. Dan worden wij omsingeld evenals ze een kudde guanacos of struisvogels omsingelen. Zooals de zaak nu staat, kunnen wij niet beter doen dan naar het kamp rijden."
"Well, dan doen we dat!" stemde de Lord toe. Hij nam zijn pistolen uit de holsters, legde zijn buks dwars voor zich over het zadel en gaf zijn paard de sporen.
Pedro voelde naar het lange mes, dat hij in een soort scheede in zijn rechterlaars droeg en overtuigd dat zijn pistolen, karabijn en lasso binnen zijn bereik waren, maakte hij zich gereed den Brit te volgen.
Deze echter, zijn metgezel niet vertrouwend, wenkte hem aan zijn zijde. Zijn achterdocht was nog sterker geworden, sinds de gaucho zoo plotseling allen wederstand had laten varen en bereid was zuidwaarts te trekken.
Behoedzaam naderden de beide ruiters de plaats, waar eenige oogenblikken te voren het menschenhoofd zichtbaar was geweest. Zij ontdekten een kleine inzinking van den grond, maar van man en paard was geen spoor te zien.
Hoe verder zij zich van de Rio Negro verwijderden en zuidwaarts trokken, hoe vlakker en schraler de bodem werd. Alle plantengroei had opgehouden, de grasvlakten lagen achter hen en vóór hen strekte zich een dorre, kale steppe uit, doorsneden met meer of minder diepe voren.
Om een overrompeling zoo mogelijk te voorkomen, volgden ze een dier laagten, doch spoedig bleek hun dat zij, in die richting voortrijdend, het vuur niet naderbij kwamen.
"Ik vermoed, dat zij hun kamp ergens in een diepe kloof hebben opgeslagen," merkte de Engelschman aan.
"Dat verwenschte ravijn met zijn bochten," bromde Pedro. "Telkens loopen wij gevaar op den vijand te stuiten."
"Dan over de vlakte verder," besloot de Brit, en de daad bij het woord voegend, wendde hij zijn paard. De dunne rookkolom diende hun tot wegwijzer en vastberaden stuurden zij er op aan. Na een half uur rijdens bereikten ze een hollen weg; het vuur was nergens te bespeuren en de rook, door de wind voortgedreven, scheen nu hier dan daar uit de aarde op te stijgen.
Zonder zich te bedenken reden zij het ravijn in. Een hevige wind joeg hen een zwaren walm en een sterke brandlucht tegemoet; het vuur moest in hun onmiddellijke nabijheid zijn, maar bleef door de vele kronkelingen van den weg voor hun oog verborgen. Met het pistool in de hand drongen ze verder door, toen plotseling als ware hij uit de lucht gevallen een ruiter voor hen stond. Snel hielden ze hun paarden in, gereed hun leven te verdedigen.
De vreemde ruiter was gekleed als een gaucho, maar zijn slanke, elegante gestalte en zijn regelmatige fijne gelaatstrekken verrieden zijn Spaansche afkomst. Met een hoffelijke buiging groette hij de beide mannen en zwaaide met een sierlijke beweging zijn grooten sombrero.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.