
Public-domain ebook
Koning Hendrik de Vierde
Language: nl473 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Plays/Films/Dramas·Classics of Literature·British Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #63367.

Public-domain ebook
Language: nl473 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Plays/Films/Dramas·Classics of Literature·British Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #63367.
The opening · free to read
Koning Hendrik de Vierde. Hendrik, prins van Wales, } John van Lancaster, } zonen des Konings. De Graaf van Westmoreland. Sir Walter Blunt. Thomas Percy, Graaf van Worcester. Hendrik Percy, Graaf van Northumberland. Hendrik Percy, bijgenaamd Heetspoor, zijn zoon. Edmond Mortimer, Graaf van March. Richard Scroop, Aartsbisschop van York. Archibald, Graaf van Douglas. Owen Glendower. Sir Richard Vernon. Sir John Falstaff. Sir Michaël, een vriend van den Aartsbisschop van York. Poins. Gadshill. Peto. Bardolf.
Lady Percy, gemalin van Heetspoor, zuster van Mortimer. Lady Mortimer, dochter van Glendower, gemalin van Mortimer. Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap.
Lords, Officieren, een Sheriff, een Wijntapper, een Laarzenpoetser, Herbergbedienden, twee Voerlieden, Reizigers, Bedienden en Gevolg.
Het tooneel is in Engeland.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Londen. Een vertrek in 's Konings paleis.
Koning Hendrik, Westmoreland, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.
KONING HENDRIK. Hoe diep geschokt, hoe bleek van zorg wij zijn, Tijd vinden wij, dat de opgejaagde vrede Uitblaze en hijgend spreek' van nieuwen strijd, Te voeren aan een ver verwijderd strand. Niet langer zal de dorstige aard haar lippen Met harer eigen kindren bloed hier verven, Niet langer scherpe krijg haar velden ploegen, Haar bloemen kneuzen met den ijz'ren tred Van 's vijands ros; die tegenstandersoogen, Die, als eens donkren hemels meteoren, Van één natuur, uit ééne stof verwekt, Zich pas in 't stormen en de woeste worstling Der burgerslachting op elkander stortten, Zij zullen nu, eendrachtig, saamgeschaard, Denzelfden weg gaan, langer niet in twist Met landgenooten, magen en verbond'nen; Niet langer zal het krijgszwaard, als een mes In slechte scheê, zijn eigen meester wonden. Dies, vrienden, naar het verre graf van Christus,-- Wiens heilig kruis de vaan is, die tot krijgers Van hem ons wijdt en ons tot strijden roept,-- Vereen'gen wij met spoed een Engelsch leger, Welks armen in den moederschoot zich vormden Ter jacht op heidnen in dat heilig land, Betreden door die zegenrijke voeten, Die, ons tot heil, voor veertienhonderd jaar Genageld werden aan het bitter kruis. Doch dit ons plan, twaalf maanden is 't reeds oud, En zeiden we enkel dit: "wij gaan", 't waar' nutt'loos; Niet daarom zijn wij hier; laat dus mij hooren, Van u, mijn waarde neef van Westmoreland, Wat gistren avond onze raad besloot, Om dien ons dierb'ren tocht nu door te zetten.
WESTMORELAND. Mijn vorst, die spoed werd ijvrig overwogen, En van de midd'len tot den krijg was gistren Reeds veel bepaald, toen ons te kwader uur Een bode uit Wales recht booze tijding bracht; Het ergst is dit, dat de eed'le Mortimer Die met zijn troep, in Herefordshire gelicht, Glendower, den woesten Welschen hoofdman, aangreep, Dien ruwen krijger zelf in handen viel; Een duizendtal der zijnen werd geslacht; En Welsche vrouwen hebben hunne lijken Mishandeld, ja, zoo schandlijk en zoo dierlijk Verminkt, dat schaamte een elk beletten moet, Dit te beschrijven of er van te spreken.
KONING HENDRIK. En het bericht van dezen strijd,--zoo schijnt het,-- Heeft onze zaak van 't Heilig land geschorst?
WESTMORELAND. Ja, dit, met meer ontrustend nieuws, mijn vorst, Want ruwer tijding, nog veel meer onwelkom, Kwam uit het noorden aan, van dezen inhoud: Op kruisverheffingsdag stiet dapp're Heetspoor, De jonge Hendrik Percy, daar op Douglas, Den immer strijdb'ren en beproefden Schot, Bij Holmedon, Waar zij een boos en bloedig uur doorleefden, Zooals de bode naar 't kanongebulder En verdren schijn van 't slaggewoel vermeldt, Want die de tijding bracht, steeg in de hitte En hoogste woede van den strijd te paard, Toen de afloop nog geheel onzeker was.
KONING HENDRIK. Hier staat een trouw en onvermoeibaar vriend, Sir Walter Blunt, zoo pas van 't paard gestegen, Bespat met al het onderscheid van grond, Dat tusschen Holm'don is en onzen zetel. Die heeft ons glad en welkom nieuws gebracht. De graaf van Douglas is geheel verslagen; Tienduizend stoute Schotten, twintig ridders, In eigen bloed gestapeld, zag Sir Walter In Holm'dons veld; Heetspoors gevang'nen zijn: Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon Van de' overwonnen Douglas, en de graven Van Athol, Murray, Angus en Menteith. Acht gij dit niet een buit, die eere brengt, En prijs voor hoogen moed? Spreek, neef, wat dunkt u?
WESTMORELAND. Voorwaar, Een zegepraal, waarop een prins kon bogen.
KONING HENDRIK. Thans maakt gij mij bedroefd en wekt de zonde Des nijds in mij, dat lord Northumberland De vader is van zulk een heilrijk zoon: Een' zoon, dien de eere steeds als voorbeeld prijst, In 't hooge woud den rijzigste' aller stammen, Den liev'ling en de trots van 't mild Geluk, Terwijl dat ik, zijn roem aanschouwend, zie, Hoe schande en woestheid mijnen jongen Hendrik Het voorhoofd smetten. O, liet zich bewijzen, Dat, spokend in de nacht, een elf de kindren, Toen ze in hun wiegjes lagen, had verruild, 't Mijn Percy, 't zijn Plantagenet genoemd! Dan had ik zijnen Hendrik, hij den mijnen.-- Doch weg daarmee!--Wat dunkt u van den trots Des jongen Percy's? de gevang'nen, die Hij in dit jongste treffen heeft gemaakt, Behoudt hij voor zichzelf, en zegt, dat ik Slechts Mordake, graaf van Fife, van hem krijg.
WESTMORELAND. Dat is de leering van zijn oom, 't is Worcester, Bij elken hemelstand uw booze ster; Die maakt, dat hem de kam der jeugd zoo zwelt, En hij zoo fier uw hoogheid tegentreedt.
KONING HENDRIK. Hoe 't zij, ik riep hem op ter rekenschap; En om die reden moet ons heilig plan Naar Palestina nog een wijle rusten. Aanstaanden Woensdag, neef, beleggen wij Te Windsor raad, verwittig dus de lords: Doch keer gijzelf terstond tot ons terug; Er valt nog meer te zeggen en te doen, Dan nu in gramschap kan besproken worden.
WESTMORELAND. Zeer wel, mijn vorst.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.
Prins Hendrik en Falstaff komen op.
FALSTAFF. Wel, Hein, wat tijd van den dag is het, jongen?
PRINS HENDRIK. Gij zijt zoo vet van brein geworden van het oude-sekdrinken, het kamizool-losknoopen na het avondeten, en het slapen op banken na den middag, dat gij verleerd hebt, werkelijk te vragen naar wat gij werkelijk weten wilt. Wat duivel hebt gij met den tijd van den dag te maken? Als niet uren glazen sek zijn' en minuten kapuinen, en klokken koppelaarsterstongen, en wijzerplaten uithangschilden voor liederlijke huizen, en de lieve zon zelve een mooie, hitsige deerne in vuurkleurige zijde, zie ik geen reden, waarom gij zoo buitensporig zoudt zijn van naar den tijd van den dag te vragen.
FALSTAFF. Ja, waarlijk, Hein, daar hebt gij mij een teêr punt aangeroerd; want wij, die beurzen snijden, wij gaan uit bij de maan en het zevengesternte, en niet bij Phoebus, "den dolenden ridder fijn". En, ik bid u, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt,--wat God uwe genade,--majesteit wilde ik zeggen, want op genade hebt gij niet te hopen,--
PRINS HENDRIK. Wat! in het geheel niet?
FALSTAFF. Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde.
PRINS HENDRIK. Nu, wat verder? ga voort, vrijuit, vrijuit!
FALSTAFF. Nu dan, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt, laat dan niet toe, dat men ons, die schildknapen zijn van de nacht, ooit dagdieven noemt; laat ons heeten: Diana's houtvesters, ridders van de schemering, lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat wij mannen zijn van een besten levenswandel, want wij regelen ons, evenals de zee, naar onze edele en kuische meesteres, de maan, en het is onder haar mantel, dat wij stelen.
PRINS HENDRIK. Zeer goed gezegd, en zeer juist bovendien; want het geluk van ons, die dienaars zijn der maan, heeft zijn eb en vloed als de zee, en wordt, evenals de zee, door de maan bestuurd. Bij voorbeeld aldus: een goudbeurs wordt Maandagnacht zeer vastberaden gekaapt, en Dinsdagmorgen zeer onberaden doorgebracht; veroverd met een vloek: "draai bij, afgeven!" en verdaan met het geschreeuw: "kom hier, aannemen!" nu eens, ebbe zoo laag als de voet van de ladder, dan weer, vloed, zoo hoog als het dwarshout van de galg.
FALSTAFF. Bij God, gij hebt gelijk, jongen. En is mijn waardin van het wijnhuis niet een allerzoetst bekje?
PRINS HENDRIK. Als de honing van Hybla, mijn oude schermersbaas. En is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleêren wambuis?
FALSTAFF. Hoe zoo, hoe zoo, dolle guit? hebt gij alweer uw invallen en uitvallen? wat voor den duivel heb ik met boeiende mannen te doen?
PRINS HENDRIK. En wat weêrgâ heb ik met de waardin van het wijnhuis te doen?
FALSTAFF. Nu, gij hebt toch aardig dikwijls met haar afgerekend.
PRINS HENDRIK. Heb ik er u ooit bijgeroepen, om uw deel te betalen?
FALSTAFF. Neen, dat moet ik u tot uw eer nageven, gij hebt altijd alles betaald.
PRINS HENDRIK. Ja hier, en elders ook, zoover mijn geld reikte; en waar dit niet toereikte, heb ik mijn krediet gebruikt.
FALSTAFF. Ja, en opgebruikt ook, zoodat, als gij niet de vermoedelijke troonopvolger waart, vermoedelijk,--maar ik bid u, zeg mij, mijn lieve guit, zullen er in Engeland nog galgen overeind blijven staan, als gij koning zijt, en zullen zij, die wat durven, evenals nu, beetgenomen worden met den roestigen breidel van den ouden zotskap, de wet? Neen, hang geen dief meer op, als gij koning zijt.
PRINS HENDRIK. Neen, gij zult het doen.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.