
Public-domain ebook
Aspasia
Language: nl650 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #64986.

Public-domain ebook
Language: nl650 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #64986.
The opening · free to read
VOORREDE.
Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.
En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting, als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel, levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.
Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid, in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.
Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen. Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine, onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de vlammen overgeeft.
R. H.
Gräz, November 1875.
Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.
Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.
Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen, bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten, waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de gemoederen.
De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.
Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.
De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.
Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.
Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip in snelle vaart doen naderen.
Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.
Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden arm.
Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker wendend:
„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.”
„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.
„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken, zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”
De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8] wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van het „met violen omkranste Athenen.”
Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.