Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Adieu, Paris, doux et brillant rivage, Où l’étranger reste comme enchanté!

Men vertrekt des avonds ten acht uren van Parijs. Den volgenden morgen omstreeks negen uren is men te Bazel, Zwitserlands Rijnpoort aan de zijde van Duitschland; ten twee uren te Zürich, het zoogenoemde Zwitsersche Athene. Daar nemen de betooveringen een aanvang: het landschap wordt hier eerst echt majestueus, terwijl de machtige stilte u onbeschrijfelijk aangrijpt. De spoortreinen gaan in de kantons Zürich en St. Gallen niet veel sneller dan de oude postwagens: maar niemand denkt er aan, daar over te klagen. Als ge het meer van Zürich voorbij zijt, gaat de tocht langs het Wallenmeer, een der frischste, blauwste en landelijkste meren van Zwitserland. Men heeft geen oogen genoeg: de honderd oogen van Argus zouden hier nog onvoldoende wezen. Men geniet eenige dier zeldzame oogenblikken in het leven, die men nooit vergeet, en bij wier herinnering het hart nog van verrukking klopt. Lachende dorpen gaan u voorbij, van den oever van het meer als tusschen boomgaarden tegen de helling der heuvelen opklimmende; de spoortrein voert u door slingerende tunnels heen, wier ruwe openingen in allerbekoorlijkste perspectieven groote kommen helder en doorschijnend water omlijsten, nu eens van het diepste en donkerste, dan weder van het verrukkelijkste smaragdgroen vonkelende. Aan de andere zijde van het meer verheffen geweldig hooge bergen hunne toppen, weerspiegelende in de kristallen wateren. Aan hunne voeten heeft men zelfs geen pad; als men echter scherp ziet, meent men hier en daar eenige strookjes gras te ontwaren; vervolgens, o wonder, ontdekt men op deze bijna microscopische schiereilandjes een aardig lilliput-achtig huisje, van welks schoorsteen de rook opwaarts kronkelt: een weinig verder heeft men een molen in miniatuur, welks fijn rad als door een zilveren draad in beweging wordt gebracht. Is het mogelijk? Wie zou daar durven wonen? De onvoorzichtigen! Zal het water, als het maar even onstuimig wordt, deze kleine wereld niet verzwelgen? En welk een eenzame verblijfplaats! Zou ooit een boot het durven wagen, zoo dicht bij deze steile, schrille rotspunten te naderen? Men staat verbaasd: maar te gelijker tijd zegt men bij zichzelven, dat men wel een van die Robinsons zou willen zijn—een ganschen zomer in stille afzondering gebannen te wezen in deze verrukkelijke, deze plechtige natuur!

Bijna met tegenzin bereikt men het kleine Wallenstad, dat zijn naam aan het meer geeft; men stoomt midden door twee hooge bergketenen van een verschillend voorkomen; te Sargans, in den linkerwand, ontsluit zich eene breede kloof, als om den Rijn genoegen te doen, die, ofschoon nog een kind, reeds woelig en onstuimig met vrij wat gedruisch over een bed van keijen naar het meer van Constanz voortwentelt. Ten vijf of zes uren bereikt men het doel zijner reis, en terwijl men uit den spoorwagen stijgt, heeft men Ragatz, zedig gegroepeerd op een tien minuten afstands van het station, aan den voet der bergen voor zich.

Op het eerste gezicht zou men Ragatz nauwelijks een honderd huizen geven. Het eerste van allen, op den zandweg, is de kerk, die zich niet bijzonder onderscheidt. Een fraaie, wit marmeren plaat komt halverwege boven den muur van het kerkhof uit: als men zich voorover buigt, kan men het opschrift lezen. Het is de graftombe van den wijsgeer Schelling, in Augustus 1857 overleden. Een beetje kunst, de herinnering aan een beroemd man, zijn geen onverschillige zaken: het is een soort van verwelkoming, die u gunstig stemt.

De hoofdstraat, waardoor de weg heenloopt, is met hôtels bezet. In de Tamina (de naam van een bergstroom, die door het dorp heendwaalt en zich in den Rijn ontlast); In den Thabor, (aldus naar een naburigen berg genoemd); In den Leeuw,—maar waartoe de andere namen opgesomd? Aan het einde der straat gaat men een kleine steenen brug over, en heeft men Hof-Ragatz, het groote hôtel, voor zich, waar in fraaie, met wit porcelein bekleede vijvers het lauwe water van de bron van Pfeffers, die drie of vier kilometers hooger nabij een oud klooster ontspringt, zich uitstort.

Op zekeren dag vroeg ik aan den baddoctor van Hof-Ragatz, waarin toch inderdaad, naar zijne meening, de kracht dezer wateren bestond? Met al het gewicht van een man van ondervinding en kennis, begon hij een geleerde, ofschoon tamelijk langdradige, uitlegging te geven, maar die hem, naar ik veronderstel, even weinig als mij scheen te voldoen, bij gebrek van een woord dat de zaak genoegzaam uitdrukte. Ik was zoo vrij hem in de rede te vallen:

“Een mijner vrienden, die hier ten vorigen jare de baden heeft gebruikt, noemde ze: levendmakende baden.”

“Juist,” hernam de doctor, terwijl hij in de handen klapte, “juist, dat is het ware woord. Men kan het niet beter uitdrukken: levendmakende baden.”

De huizen der hoofdstraat in de buurt der hôtels schoon nieuw opgetrokken, zijn volkomen karakterloos; maar zoodra men, hetzij links of rechts, de kleinere straten of stegen inslaat, bevindt men zich midden in het oude dorp, dat zich als voorheen op den landbouw blijft toeleggen. De woningen zijn er van hout, eenigen met overdekte galerijen, waaronder sleden en winterprovisie zijn opgestapeld. Een groot aantal zijn van buiten met een soort van maliënkolder bekleed, uit dunne repen pijnboomhout, op de wijze van vischschubben afgeslepen en saamgevoegd, bestaande. De boeren hebben een deftig en zachtzinnig voorkomen. Met genoegen leg ik hier de verklaring af, dat ik gedurende de drie weken, die ik hier doorbracht, niet één beschonkene heb gezien. Ik heb geen kind zien slaan, hetgeen meer dan alles voor de goedheid en het gezond verstand der inwoners pleit. Onderweg liet men nooit na, mij goeden avond of goeden morgen te wenschen, en dit geschiedde noch op nederigen noch op trotschen toon.

Op zekeren dag toen ik op weg naar de post het dorp doorliep, zag ik boven een deur een uithangbord: het berichtte stilzwijgend dat in dat huis een drukkerij was en een nieuwsblad werd uitgegeven. Ik klom eenige trappen op, die naar een kleinen boekwinkel voerden.

“Hebt gij in dit dorp, vroeg ik den eigenaar, een eigen nieuwsblad?”

“Ja mijnheer.”

“Wat behelst het?”

“De zaken die de gemeente, hare administratie, den landbouw aangaan, de officiëele stukken van het kanton en van Zwitserland; de voornaamste gebeurtenissen in het overige gedeelte der wereld; berichten omtrent den akkerbouw, de nijverheid en de kunst; eenige zedekundige opstellen, anecdoten, enz.”

“En heeft dat blad veel geabonneerden?”

“Bijna al de inwoners.”

“Zij kunnen dus lezen?”

“Allen, eenige ouden van dagen uitgezonderd.”

“En koopt men bij u nog al boeken?”

“Ik heb geen klagen.”

“Welke boeken slijt gij het meest?”

“Godsdienstige en geschiedkundige boeken.”

“Er zijn hier dus zeker goede scholen?”

“Twee: de een voor lager, de andere voor middelbaar onderwijs.”

“Is het onderwijs vrij?”

“Neen, de schoolplichtigheid is hier aangenomen.”

“Waartoe dient dit, als het onderwijs zoo algemeen is?”

“Ik geloof wezenlijk dat de schoolplichtigheid tegenwoordig niet meer noodig is; maar in den beginne was zij het wel degelijk.”

Misschien kom ik op dit onderwerp, dat mij altijd na aan het harte ligt, terug, maar vóór alle dingen moet ik een bezoek aan de bron afleggen.

Men volgt den loop der Tamina bergopwaarts; men laat Hof-Ragatz liggen, gaat voorbij een zaagmolen, een fraaien waterval, en treedt een der rotskloven binnen, waar geen andere plaats is dan voor den stortvloed en een voor een klein bochtig pad, waar langs een reeks houten pijpen, uit holle boomstammen bestaande, heenloopt, en waardoor het water van de bron van Pfeffers naar Ragatz wordt overgevoerd. De vochtige overhangende rotswand van den tegenoverliggenden steilen, grijzen, met dicht boom- en struikgewas bezetten oever is in volmaakte harmonie met de wilde sprongen, het schuim en het woeste gedruisch der Tamina. Toch loopt men ongeveer drie kwartier dus voort, terwijl men nu en dan dicht tegen de rots aan gaat staan, om de karren met één paard en vier zitplaatsen te ontwijken, die in vollen draf komen aanrijden en u bij een kromming van den weg zouden kunnen verrassen. Van tijd tot tijd ziet men landlieden voorbijkomen, met blauwe of roode regenschermen, die zij nooit verzuimen mede te nemen, terwijl zij u in de volkstaal of in het fransch groeten, zonder dommen glimlach en zonder belachelijke nieuwsgierigheid; reizende muzikanten, met contrabassen en koperen instrumenten beladen; burgerlijke en boersche families; moeders en jonge dochters, zoo zwitsersche als duitsche, met blozende aangezichten, en van wie men gevoelt dat zij gelukkig zijn deze heldere, frissche lucht te mogen inademen.

Voorbij een door de natuur in de rots gevormden boog ontmoet men eenige arme drommels op krukken, die u aankondigen dat men het oude benedictijner klooster van Pfeffers nadert. Niets droefgeestigers, van nabij zoowel als van ver, dan het voorkomen van dat drie- of viertal gebouwen, zonder de minste kunst, die in de lengte zich in de steeds enger wordende bergpas van Pfeffers uitstrekken en haar geheel en al vullen. Indien men nog verder den loop der Tamina wil nagaan, zonder het klooster te betreden, moet men den berg tamelijk hoog bestijgen en niet tegen een vermoeiende klimpartij opzien. Deze weinig beteekenende gebouwen, het klooster, dagteekenen van de zeventiende eeuw. Na de opheffing der kloosters door de zwitsersche regeering, dat is te zeggen omstreeks 1840, heeft men ze als zieken-inrichting verpacht. En inderdaad is het meer een gasthuis dan een gewoon badhôtel. De pachter heeft geen cent uitgegeven om het een vroolijk voorkomen te verschaffen, en hij heeft gelijk gehad: het zou iets onmogelijks zijn geweest. Reeds bij het binnentreden wordt men door een onaangename lucht getroffen; vervolgens komt men in een langen, gewitten, laag gewelfden, vochtigen gang, waar het geen dag en geen nacht is; de deuren aan weerszijden geven slechts het uitzicht op zwarte keukens en naakte eetzalen, waar een groot aantal zoo mannelijke als vrouwelijke bedienden ronddribbelen, allemaal goede, beste menschen, maar die niet veel aantrekkelijks hebben. Oude klokken laten van tijd tot tijd een dof geluid hooren: zij schijnen uit gewoonte hare voormalige dienst te doen en hare oude meesters tot de vroegmis of den vesper op te roepen. Hoe dieper men doordringt, des te meer voelt men zich tegelijk door een killen en verstikkenden adem aangegrepen. Men zet den voet in kamertjes die eertijds als cel hebben gediend, en waar men nu, naar men wil, tot driehonderd patiënten kan logeeren. Het zijn wezenlijke zieken, die voor de deuren dezer kleine cachotten, als magere, bleeke, strompelende schimmen opdagen, terwijl het hun blijkbaar hindert dat men hen ziet. Hier is niets dat tot vroolijkheid stemt.

In het eigenlijke hôtel, Hof-Ragatz, komen zij, die voor genot op reis gaan; meer om rust te zoeken, den zuiveren dampkring en de schoonheid van het oord te genieten, dan wel om een ernstige badkuur te ondergaan. Maar hier in dit klooster: nieuwsgierige vraagallen! vraagt geen der gasten van Pfeffers naar zijne gezondheid. Onvermijdelijk zoudt gij een lijst hooren: kwaadsappigheid, gevoel van zwakte, hartklopping, maagpijn, benauwdheden, zwaarmoedigheid, slechte bloedsomloop, huiduitslag, volbloedigheid, aandoening der slijmvliezen... op zeer weinig uitzonderingen na al de kwalen waaraan de menschheid onderhevig is. Hij, die werkelijk in een lijdenden toestand verkeert, bekommert zich weinig om de schoone landschappen, ontwijkt het gezelschap der gelukkigen in Ragatz, trotseert de verveling, en slaat zijn tent hier in het kloostergebouw, zoo dicht mogelijk bij de bronnen, op.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and Prejudice

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.