
Public-domain ebook
Lente
Language: nl477 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #67159.

Public-domain ebook
Language: nl477 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #67159.
The opening · free to read
BAKKERIJ „DE RUIJTER” DER FIRMA VERKADE & COMP.
Het was op een voorjaarsavond, gezellig tegenover elkander zittende, dat wij aan den praat raakten over ons album No. 3, dat toen pas was uitgekomen en in slechts enkele weken zijne bestemming gevonden had door gansch het land.—Zoo’n album met de plaatjes, teksten, en alles wat er aan vast is, kost veel tijd van voorbereiding; heel een organisatie van teekenaars, drukkers, binders en pakkers komt er bij te pas, en is het eenmaal verschenen, dan komt van zelf de vraag: „Wat nu? Hoe kunnen wij, geleerd door de ervaring van vorige uitgaven, een volgend jaar iets beters leveren, iets wat nog meer voldoet aan het doel, dat wij ons speciaal in de laatste jaren voor oogen stelden, n.l. om het geld, dat wij voor reklame uitgeven, zoo practisch en tevens zoo nuttig mogelijk te besteden?”
En al pratende lokte het eene denkbeeld het andere uit. Eerstens wilden wij een beslist Nederlandsch werk leveren: plaatjes met Hollandsche voorstellingen, door landgenooten ontworpen, gereproduceerd en gedrukt, het album hier gemaakt, gedrukt en gebonden, het papier er voor van eene Nederlandsche firma.
Dan wilden wij zoo gaarne, dat de plaatjes niet alleen de verzamellust der kinderen zouden bevredigen, maar ook dat ouders en anderen er vreugde van zouden kunnen hebben,—dat er voor allen wat uit te leeren zou zijn, wat hun lust tot opmerken zou prikkelen, hunne liefde voor de natuur zou vergrooten. En toen stond het plan ons spoedig geheel voor den geest: wij zouden eene vertelling trachten te geven van het jaar, van de verschillende jaargetijden, van bloemen, vogels, vlinders, kevers, die overal te vinden zijn in ons kleine land, doch die maar door enkelen worden gekend.
Natuurlijk kwamen ons toen dadelijk in de gedachte de aardige boekjes van Heijmans en Thijsse: In Sloot en Plas, Hei en Dennen, enz. en de artikelen van Thijsse in het „Alg. Handelsblad”, en wij namen ons voor een dier heeren te vragen, of hij ons helpen wilde in ons streven, om het geld, dat wij nu eenmaal moeten uitgeven om aan onze producten die bekendheid te geven, die voor den bloei onzer zaken noodig is, nuttig te besteden, ten bate van eene breede schare van lezers en lezeressen, zoo oud als jong, in het belang van verbreiding van kennis onder hen en het aankweeken van liefde voor alles wat groeit en bloeit in onze zoo mooie natuur.
Dus niet een album alleen, maar een boek, en ter illustreering van den tekst de plaatjes, die wij bij onze artikelen pakken. Een boek dat geïllustreerd zal zijn tegen dat de Lente opnieuw haar intrede doet. Een boek, dat een deel zou kunnen vormen van eene volgreeks: Lente, Zomer, Herfst en Winter, een boek geschreven door eenen scherpen waarnemer, versierd met oorspronkelijke en daarbij behoorende teekeningen, welke het bloempje en plantje of vogel en vlinder, zoo getrouw mogelijk weergeven.
Wij waren in onzen schik met deze vondst, en togen aan den arbeid, of juister nog de heer Vlaanderen, die onze afdeeling reklame beheert. De heer Thijsse verklaarde zich bereid het boek te schrijven, de teekenaars Jan van Oort en L. W. R. Wenckebach te Amsterdam en Jan Voerman Jr. te Hattem namen het ontwerpen en teekenen der plaatjes op zich, terwijl de reproductie daarvan werd toevertrouwd aan de heeren Roeloffzen-Hübner & Van Santen, Amsterdam en den heer S. Bakker Jzn., Koog a/d Zaan. De tekst werd gedrukt door de firma Mouton & Co., Den Haag, op papier, geleverd door de firma Van Gelder Zonen, Wormerveer; het binden geschiedde door de heeren Stokkink & Van Lith, Amsterdam. Wij noemen deze namen, omdat wij in het begin zeiden, dat het geheel een zuiver Nederlandsch werk zou vertegenwoordigen, en tevens om de heeren dank te brengen voor de goede zorgen, die zij aan een en ander hebben besteed.
Eén vraag dringt zich thans aan ons op: zullen wij op den ingeslagen weg voortgaan, zullen wij spoedig na het uitkomen van dit album kunnen besluiten een volgend jaar een vervolg daarop te geven, getiteld „Zomer”? Dit hangt van U af, waarde lezer. Hoe spoediger wij weten, dat het boek „Lente” met de daarbij behoorende plaatjes U bevalt, hoe liever wij dit hebben, dan kunnen gedurende den zomer de bloemen, vogels en insecten uitsluitend naar de natuur worden geteekend, en ook voor den schrijver van den tekst heeft het veel waarde wanneer hij zoo vroeg mogelijk weet, of het vervolg op „Lente” verschijnen zal, ja dan neen. Wanneer gij derhalve plaatjes ter ruiling zendt, schrijft ons dan of gij met ons plan instemt.
Wij besluiten met den wensch, dat „Lente” de kring van onze jeugdige vrienden zal vergrooten en de kennis en de liefde tot de natuur zal vermeerderen.
Firma VERKADE & COMP.
LENTE.
Het is nog niet uitgemaakt, wie het eerst de Lente proclameert: de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar. Het eene jaar komt de vogel het eerst met ’t nieuwtje, het andere jaar de heester of de bloem, maar in ieder geval weten zij het altijd eerder dan de menschen, die op den kalender afgaan, en meenen, dat de Lente den eenentwintigsten Maart haar intocht doet.
Mij dunkt, ik hoor die zanglijster al lachen! „21 Maart, begin van de Lente? Maar dan zitten wij al lang in de zorgen! Neen hoor, de ware pret begint al, wanneer de dagen weer langer worden, zoo in het begin van Januari. Hoor maar eens, wat de andere vogels er van zeggen”.
En waarlijk, daar gaat hij zitten in den hoogsten top van zijn geliefkoosden abeel of iep en roept ze alle op. Want de zanglijster is alle talen machtig en ’t kost hem niet de minste moeite, om in éen adem koolmees en pimpelmees, roodborst en huismusch, wulp en spreeuw toe te spreken, ieder in zijn eigen dialect.
Uit pure vreugd en baldadigheid gooit hij daar nog allerlei geluiden tusschen in van eigen vinding: mooie loopjes en melodieën en afschuwelijke krijsch- en sisgeluiden, net als een kwajongen, die al tamelijk goed viool kan spelen, maar ’t niet kan laten, om zijn instrument van tijd tot tijd te gebruiken als speelgoed.
Dag aan dag zit hij in denzelfden boom, dikwijls op denzelfden tak zijn blijdschap uit te galmen, eerst alleen in de morgenuren bij dooiweer, dan ook tegen zonsondergang en eindelijk heele dagen lang, onverschillig wat weer het is. Al hagelt, regent en sneeuwt het tegelijk, het hindert hem niet. Alleen wanneer er onverwacht weer eens een winterweekje komt en de grond hard bevriest, zoodat hij niets anders te eten kan vinden dan wat bevroren hulstbessen of onrijpe klimopvruchten, dan verstomt zijn lied en dan kan hij in een paar dagen geweldig afvallen, zoodat hij ten slotte niet meer is dan vel over been.
Doch zoodra de thermometer boven nul staat, begint de vreugd opnieuw. Deze afwisseling van bitteren strijd en uitgelaten vreugde maken de eerste lenteweken tot den heerlijksten tijd van het jaar, vol pit, fermheid en blijdschap.
Den eenen dag verdringen de musschen zich hongerig en haveloos om het voederbakje, den volgenden zitten ze onbezorgd en voldaan gezellig te sjielpen in de kale boomen. Wat ze elkander daar te verhalen hebben is een raadsel, maar zeker is het, dat de zon erbij betrokken is, want ieder straaltje vangen ze op tusschen de half opgerichte grijze veeren. En als de zon op ’t punt is onder te gaan, dan is hun gezelschap ’t grootst en het gesjielp op zijn luidruchtigst.
Blijft het zonnige weer aanhouden, dan sleepen de musschen dra met vezels en strootjes en dat beteekent nesten bouwen. Die vogels hebben het onder de bescherming van onze huizen en daken al zoover gebracht, dat zij den winter soms totaal negeeren en kale jongen hebben met Nieuwejaar. Maar dat lijkt ons een afdwaling der natuur veroorzaakt door het stadsleven.
Doch in Februari, dat is wat anders. Dan gaat de zanglijster ook al bouwen en de meezen ontbinden gaandeweg hun groote winterlegers en trekken bij kleine troepjes, ten slotte zelfs bij paren door het land.
Wie de meezen voert met spekzwoord of soepbeentjes, vet in een notendop of een kokosnoot—alles opgehangen in de boomen—kan dat gemakkelijk waarnemen. In den winter komen heele troepen op ’t voer af. Niet, dat ze alle tegelijk eten, o neen, dat gaat bij beurten: de sterkste het eerst en dan wippen de andere ongeduldig door het hout onder het uiten van hun klokjesheldere loktonen. Het zijn meest koolmeezen, met zwarten kop en zwarte middenstreep over zwavelgele borst, maar ook komen er prachtige pimpelmeesjes bij met lichtblauwen schedel en donkerblauwen halskraag.
En als nu de lente komt, dan worden de troepen in de boomen minder talrijk, maar er zitten er meer op het voeder; dikwijls twee op dezelfde kokosnoot of hetzelfde varkensribbetje. De een is wat grooter en mooier en forscher geteekend dan de andere, ’t is een mannetje, dat zijn wijfje vergunt mee te eten en dat van tijd tot tijd woedend opvliegt naar een derden vogel, die boven aan het touwtje zit te rukken. Bijna alle jonge vogelhuishoudens hebben last van zoo’n derde, zoo’n indringer, en ’t kost het mannetje heel wat ongerustheid en strijd, om hem ten slotte van de baan te krijgen.
De pimpelmeesjes verschijnen eerder gepaard dan de koolmeezen. Dat hangt misschien samen met de omstandigheid, dat zij op ietwat vertrouwelijker voet staan met de menschen, want in den omgekeerden bloempot of de nestkastjes, die gij ter beschikking van de vogels stelt, zullen zich veel eerder pimpelmeesjes dan koolmeezen vestigen. Toch zijn er nog altijd drie kansen tegen één, dat er in plaats van pimpeltjes ringmusschen of spreeuwen in komen en de kansen voor roodstaartjes staan zoowat gelijk.
Die meesjes beginnen nu ook hun lentelied te zingen, dat veel liever en vroolijker is, dan hun winterzang. Zoo gaat het ook met roodborst en winterkoning. Die hebben den heelen winter door gezongen, vorst of geen vorst, maar nu het lente wordt, zingen zij eens zoo mooi en eens zoo lang, het roodborstje hoog en fijn en aandoenlijk, de winterkoning dartel en blij met geraas en geschetter en trillers zonder eind.
Hij is nog doller dan de zanglijster, want die zit ten minste nog stil op zijn tak.
De winterkoning echter houdt het nergens langer uit dan een minuut, telkens verandert hij van plaats, altijd door zingend, zoodat hij eindelijk met zijn korte snorrende vleugeltjes gaat gelijken op een soort van muzikaal balspel. Ten slotte schijnt hij uitgeraasd te zijn, en dan sluipt de bruine dwerg tusschen de boomstronken door, om voedsel te zoeken of om bouwstoffen te vergaren voor een van de vele nesten, die hij onderhanden heeft.
Daar ontmoet hij den zwarten lijster, die ook al met lentegedachten rondloopt en daardoor minder verdraagzaam is, dan een maand geleden, zoodat hij dat gedraai en gesnuffel van zoo’n winterkoning in zijn nabijheid niet hebben kan. Hij springt dus met zoo’n paar deftige lijstersprongetjes op den kleinen indringer los, deze slaat op de vlucht en begint in zijn agitatie natuurlijk weer van voren af aan te zingen. Want elke sterke gemoedsaandoening, al is het ook een onaangename, is voor hem en voor vele andere vogels de aanleiding tot een lied.
De zwarte lijster koelt nu zijn woede op een arme aardworm, die hij onder de dorre bladeren gehoord had en laat de zucht hooren, waarvan de lijsters het monopolie hebben en dat eigenlijk een armzalig dun gefluit is. Waarom zou hij zuchten, die mooie zwartgerokte, goudgesnavelde merel? Wel, verleden week vochten drie bruine merelwijfjes om hèm, en nu moet hij weer dag aan dag met andere merelmannen vechten om de eene van de drie, die toen de baas en daardoor zijn wijfje geworden is.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.