
Public-domain ebook
Dionyzos
Dutch401 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #67746.

Public-domain ebook
Dutch401 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #67746.
The opening · free to read
O, Dionyzos, laat uw lach en spot En spel en sterke levenswellust stralen, Hel glanzend goud vol zuider-idealen, En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot!
Mijn ziel is twee: een kind van noordewee, Duikt zij deemoedig onder noordeluchten En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.
Maar als de schemervizioenen vluchten Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed, Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet;
II.
Voelt zij zich, Dionyzos, met u één, Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken Haar heldrende oogen naar die oogenblikken Terug, waarin zij welkte in geween.
Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen En starende oogen, en het stootend snikken; Niet meer het onder Noodlot onverwrikken En scheemren, samen met die Zielen kleen.
Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen, Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel!
En lachen zoû zij willen zonder reden, Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel!
III.
Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie, Beschonken, neêrgezonken op éen knie, Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,
Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie: Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen, Krampbevende haar lichaam na: gedoogen Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.
Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen, Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.
In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard; Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard— Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!
IV.
O, Dionyzos, laat uw godeleven Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan Langs purperwanden van het Vaticaan; De zalen door, waar vaag de schimmen zweven
Der badgenooten van Diocletiaan, Die zich UW ranken om de slapen weven! O, laat mijn loome voeten dwalen, beven Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan!
Ik zoek U slechts, ik zoek UW ruige saters! Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters, Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang:
Nòg spelen fluit zij als Praxiteles Hun vingers leerde, parelgamma-les, Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang!
V.
Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg, Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg Mijn beide handen, u omvat beminnig,
En geef mijzelven aan uzelven weg? Vinden uw saters mij te droef diepzinnig Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig Omdat ik, u omhelzende, overleg...?
Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren, Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren, Wie U wil zeggen met te doffen klank;
Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen: Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank, Om u te heerlijken langs myrtehagen!
VI.
Ludovisi-Buancampagni.
Ik zie slechts u, ik zie u overal, Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen, Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen, Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal;
Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen, Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal Gij open-oogs en staand, éven te slapen.
Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê, Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid: Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd:
Terwijl uw rechte haar pijnappelroê Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe Het panthervel ligt zonder plooi gespreid....
VII.
Biga-zaal.
Ik zie u in de Karre-zaal gebaard: Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen, Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen; Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard.
De marmren zegekar schijnt u bewaard; Der marmren zegerossen zult GIJ hoûen De strengen in uw vuist en door den blauwen Droomether neemt ge apotheoze-vaart!
Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven, En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven, Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt.
Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven, Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt, Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt!
VIII.
Lateraan.
Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes, Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt. De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes En hebben dra den vollen tros geplukt.
Zij hellen, lachend overlangs gebukt, En bieden andren goodjes keer op keertjes ’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes, Het godje tuimelt, als omver gerukt.
Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol: Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.