
Public-domain ebook
Heleen: "een Vroege Winter"
Language: nl344 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #74089.

Public-domain ebook
Language: nl344 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #74089.
The opening · free to read
Het huis, waarin Heleen was geboren en waarin ze den geheelen duur van haar jeugd verbleef, stond afgezonderd aan de bocht van een breede rivier, waarvan het water traag tusschen vlakke oevers voortstroomde. Rietland en bosch lagen tusschen plassen aan de overzijde verderop, en daarachter de bleeke, vochtige weien.
Wanneer Heleen in later jaren haar huis herdacht, de blanke plassen, het riet en de weien, dan scheen het aan de beelden van haar verbeelding, alsof het daar altijd late herfst en komende winter was geweest. Op het koude water van de rivier dekten de bonte bladeren het diep en wazig beeld van een hooge, bonte lucht, bleeke nevels zweefden zwak en onvast tusschen wolken en water, in het vochtig bosch beefde damp om elken stam, daar lag de zomerpracht vergaan en de bedroefde roep der late vogels klonk hol als in koude zalen. In de druipende takken wiegden nesten verlaten, het grauwe huis schreide ziltig vocht, bleek onkruid wies uit de spleten en het vervallen hek voelde van groenen uitslag glibberig en kil. Voor-langs het huis, in de bocht van den weg, waar regen het grint gestadig vochtig en donker hield, zuchtten smartelijk de oude, scheeve boomen—, hun duistere kruinen drukten zwaar de knoestige, korte stammen, en beneden dien weg lagen achter berm en sloot de wijde, grijze akkers tusschen smalle greppels; kraaien pikten het winterzaad uit de verwoelde klei, schichtige spreeuwen hipten over de kluiten, schreeuwden met gerekten hals en repten zich weg. Een kruiwagen, omgestort bij verlaten gereedschap, leek aan de aarde vastgekorst, huisjes en boompjes verderop stonden in ijle, blauwe wazen gevat.
Binnen in het hol en donker najaarshuis bewoonden Heleen en de haren maar enkele kamers, de andere stonden leeg, bij gebrek aan meubels. Boven, onder het dak, lagen bloote, grauwe vloeren tusschen koude wanden, leege kasten kierden en klemden en het rook er kil naar rag en vochtig stof. De wind joeg door de scheuren van het dak regen als het herfst en sneeuw als het winter was, het ijzig stuifsel sloeg in ijle plakken tegen balk en bint—, dan drong ook een starre klaarte naar binnen, die den schemer verjoeg en de geheimenissen openbaarde der zwammen, die teer en bleek daar groeiden uit vocht en donkerte van den nazomer af tot in de Mei. Beneden aan de voorzijde was hun woonkamer, ruim maar laag, stoffig en bedompt. Het ruige en halfvergane kleed scheen met den vloer, de meubels met het vloerkleed saamgegroeid. Alles in die kamer was duister en zwaar, er waren geen bloemen en geen lichte gordijnen, geen spiegelend meubel en geen luchtige snuisterij. Portretten van grootouders hingen aan de wanden en schenen als de klok daarmede één geworden.
Wat haar vader buitenshuis deed en waarvan ze leefden wist Heleen niet, er werd daarover nooit gesproken, zij vroeg er niet naar. Uit haar moeders verhalen, waarvan ze in later jaren wel geloofde, dat zij ze maar gedroomd of gelezen had, wist ze dat haar moeders familie rijk en aanzienlijk was geweest en daarna door onverstand tot armoe vervallen, en dat er vele kleine broertjes en zusjes waren gekomen en weer gegaan, zoodat zij nu nog maar met drie anderen over was, de kleine broertjes en de oudere zuster. Zij drieën waren slank en bleek met blonde haren, maar de zuster kort en plomp, ze ging niet naar school en bij dag het huis niet uit, tegen den avond nam vader haar mee en wandelde met haar langs de rivier. Soms zat ze een volslagen dag in een hoek van den zolder op den grond, knaagde aan haar handen en bewoog grommend het lijf in bochten. Al haar vingers waren van het knagen geschonden;—somwijlen vertelde ze Heleen lange vertelsels zonder zin of samenhang, waarnaar Heleen peinzend luisterde, pogend te begrijpen; doch ze had ook haar booze dagen, dan was haar heele gezicht geslonken van nijd, beet ze zichzelf fel tot bloedens toe in den duim en kneep Heleen en de beide broertjes met klein-genepen oogen. Heleen dacht aanvankelijk over die vreemde gewoonten van haar zuster weinig na, ze wist niet beter of het behoorde zoo als een deel van huis en leven, en ze vermoedde niet voor veel later uit wat anderen in schimp en giftige scherts haar toebeten, dat die zuster krankzinnig was.
Heleen’s moeder was tenger, druk en bleek, ze zong met een schrille stem treurige Fransche liedjes, die ze als klein kind van haar grootmoeder had geleerd, doch waarvan ze den zin vergeten of nimmer geweten had, ook Heleen begreep ze dus niet, maar het deerde haar weinig; met het gelaat naar grootmoeders portret, luisterde ze peinzend en indachtig, onthield ze op den klank en neuriede ze bij zichzelf, zoo vaak ze alleen was, net zoo lang tot ze een weekheid in zich voelde als gegraven en schreien moest. De ontroering en het schreien wilden niet altijd komen. Toen ze later de beteekenis van die liedjes wist, stelden ze haar teleur en kon ze er niet meer om schreien, het was of een diepte in haar voorgoed geëffend was—, ze had ze zich donker en woest als rotsen en ravijnen gedacht.
Heleen’s vader was forsch en stil, zijn handen alleen waren smal en zacht, hij lachte zelden, maar als hij lachte, deed die lach Heleen goed tot in haar hart en ze lachte mee, met vochtige oogen, doch ze hield niet van haar moeders drukke vroolijkheid, die maakte haar schichtig en stil en doofde gemeenlijk in dagenlange neerslachtigheid uit.
Over dingen als braaf oppassen, plicht-doen en vooruitkomen werd in huis nagenoeg niet gesproken, Heleen dacht er uit zichzelf nimmer over na. Ze was van aard meegaande, fel en onverzettelijk alleen tegen geringschatting en dwang, van aanleg bevattelijk; het schoolleven deerde haar dus niet, straf was iets dat daarbij uitteraard behoorde en geen indruk op haar maakte, evenmin als het preeken en praten vooraf en daarna. Wanneer ze haar vader haar rapporten van de school toonde, lette hij weinig op de waardeeringen voor vlijt en goed gedrag en Heleen nam gauw genoeg die geringschatting voor het een en het ander over, zonder dat dit evenwel van invloed op haar doen en laten werd. Belooning of bijzondere lof voor hooge cijfers kwam niet voor, zoodat Heleen-zelf ook daaraan weinig waarde hechtte.
In de klas had ze geen vriendinnetje, doch speelde met elkeen die haar vroeg zonder bijzondere voorkeur, ze plaagde niemand en deed in wreedheid jegens dieren en gebrekkigen niet mee, doch verzette zich evenmin tegen het doen der anderen. Ze hield van de menschen in haar huis, niet omdat ze vader, moeder en broertjes waren, maar omdat ze bij haar in het huis behoorden. Van het huis-zelf en de oude meubels hield ze bijkans evenzeer. Ze hield van wat bij haar-zelf hoorde en verlangde geen nieuws. Ze hechtte zich snel en sterk aan wie op haar vertrouwd of haar deernis ingeroepen hadden, die waren dan ook niet langer vreemd maar eigen, ze leed weken om het hondje, dat in den regen met haar mee naar huis geloopen was, dat ze weenend van deernis gevoed en getroost had, en dat haar vader had voortgejaagd in donkeren avond omdat het ziek was en vuil; ze schreide in de nachten daarna, zich radeloos afvragend waar het wel dolen zou, en in de avonden, dat het stormde, dacht ze aan de arme zeelui met rillingen van smart. Deernis, angst en pijn was in al haar genegenheid, voor het levenloos huisraad bijkans evenzeer als voor mensch en dier, om den ouden stoel die jaren lang naast den warmen haard had gestaan en gebroken naar den zolder werd verbannen, deernis, die vaak zonder dat ze wist waardoor of waarvoor, als een benauwdheid in haar aanzwol, deernis als bloedende pijn, die gejaagd en radeloos maakte en elk goed ding verbitterde, zoodat ze veel en vaak schreide—, doch ze verborg dit alles voor haar omgeving. Elkeen zag haar als een willig, gehard en goedlachsch kind, sterk opgaand in spel, afkeerig van twist, de waarheid sprekend van nature, maar liegend zonder blozen als de nood het gebood. In school bezon ze zich nooit opzettelijk op kwaad, maar deed grif mee in rumoer of plagerij, want nooit kwam het in haar op, dat dit den meester deren of verdrieten kon. Hij bulderde en strafte en bleef daarbij de baas, de strijd tusschen kind en meester lag in de natuurlijke orde der dingen, Heleen had het nooit anders gezien.
II.
Heleen ging op school in een kleine, oude stad, een half uur gaans ver van haar huis. Ze kwam er langs den grintweg met de boomen, die liep van den rivierkant af, met holle bochten, de laagte in en tusschen de akkers door. Ze ging graag alleen en verveelde zich nimmer, maar keek neuriënd om zich heen en peinsde over de dingen, die ze zag. Ze keek naar het zwoegen der boeren tusschen koren en koolzaad in de trillende hitte van den zomer en benijdde hun ruime en onbetwiste vrijheid, ze ademde in de vochtige winden van lente en herfst met open mond en halfgesloten oogen en begreep niet recht wat haar daaruit aanwoei en beving met zoete benauwdheid, ze staarde naar de gouden misten in September en October in eenzelfde heerlijke zwaarmoedigheid,—die ze niet begreep, doch waaraan ze zich gelukzalig overgaf,—doch ook de winter bekoorde haar nog met zijn zachte, onvaste dagen, de neveldagen vóór de Kerstvacantie, als er damp welt uit het warme land en bevend opstaat om de boomen. Het eenige, dat ze niet verdroeg, was het wreede, harde vorstgetij, het klare, koude winterweer, het open verschiet, het verstarde akkerland—, en op haar weg naar school schreide ze als verscheurd van koude en van rampzaligheid.
In het stadje ging ze altijd denzelfden weg naar school. Ze wist en zocht er geen anderen; stond ze bij toeval in een vreemde straat dan voelde ze zich verdwaald en verloren, het aangezicht der huizen vijandig. Haar weg leidde dwars over een smal grachtje, waarvan het water roerloos en met troebele glanzen als van bezonken zeepsop tusschen de vooze schoeiingen der oude achterhuizen lag. Op het platte bruggetje bleef Heleen vaak staan, hing over de leuning en staarde zacht-ademend tegen die huizen aan. Daar was ook een koffiebranderij met deur en schutting tegen den walkant aan. Stond de deur open, dan rook Heleen den scherpen geur van het branden en in het witte licht tusschen schutting en muur stond op de binnenplaats een kleine man in ’t bruin gekleed en draaide gestadig aan een groot rad. Heleen noemde hem in haar gedachten „De Slaaf” en behield haar leven lang uit dat woord niet zoozeer de voorstelling van een klein, krom mannetje op een binnenplaats, als wel den reuk van koffie en het licht van een regendag. Zoo dikwijls Heleen hem daar mocht zien, nooit vroeg ze anderen, waarom hij er stond en wat hij er deed. Ze vroeg weinig naar de dingen, die ze zag, schoon ze veel opmerkte en nimmer iets vergat van wat ze eenmaal had gezien. Doch ze had voor zichzelf volkomen genoeg aan wat haar uit aanschouwing, klank en geur aanwoei en beving, hervoelde dat in eenzaamheid, klonk aan elk ding een vreemd en vluchtig beeld uit haar fantasie vast en bewaarde ding en beeld gezamenlijk in één enkele voorstelling, die dan eigenlijk een aandoening en geheel en al haar eigendom was.
Was Heleen het bruggetje over, dan moest ze een smal ingekneld huisje voorbij, waar een oud, halfblind dametje een leesbibliotheekje hield. In een engen uitbouw lagen op een hellende plank de opengeslagen boeken ten toon gespreid. Bijkans elken dag stond Heleen daar en zag er dezelfde boeken. Van sommige kende ze alleen het vergeelde titelblad, volbedrukt met ijle trekletters en het zwarte prentje er tegenover, van andere twee bladzijden ergens middenin. Weken aaneen lag dat alles daar onveranderd, dan las Heleen op een dag plotseling nìeuwe dingen, zag onbekende prentjes, maar verheugde zich niet. Ze had zich aan de bekende prentjes gehecht en voelde zich vervreemd en tekort gedaan. Maanden achter elkaar zag Heleen in den benedenhoek van de toonplank, vlak tegen het raam, het prentje en den titel van een boek, dat „De Fonkelende Sterren” heette. Een heer in een ouderwetsche jas, een bedroefde dame met sluier en sleep stonden daar hand aan hand onder den nachtelijken hemel; de heer hief de vrije hand naar de sterren omhoog. In den bleeken achtergrond van streepjes en veegjes meende Heleen tengere boomen, van nachtwind bewogen en verder daarachter nog donkere heuvelen te zien. Als Heleen daarnaar keek, beving haar een vreemd gevoel, van niet weg te kunnen, maar ook niet weg te willen, omdat het blijven en peinzen zoo zoet was. Ze stond zacht ademend vlak tegen het raam en gevoelde zich ver weg, maar als het lachen en joelen der voorbijtrekkende kinderen achter haar, haar beduidde, dat het schooltijd werd, maakte zij zich los en ging gewillig naar school. Nimmer kwam het in haar op, zich ook maar voor éénen dag aan de strenge wet van het schoolgaan te onttrekken. Heleen was in geen enkel ding lichtvaardig.
Reading is always free
The full text is free. Sign up to keep reading with every scene drawn and each character a consistent portrait.