Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

DOMBEY EN ZOON.

Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.

Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.

Dombey, opgetogen over de lang verwachte gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.

“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”

Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”

Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.

“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”

Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.

“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.

Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken met Anno Domini, maar beteekende Anno Dombey en Zoon.

Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.

Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.

Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—een valsche jongen—anders niet.

Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.

Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”

Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.

Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.

“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps [1] verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw....”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd....”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eene bestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.

Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.

“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”

Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.

“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet....”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten...”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in het West-End....”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en...”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak...”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.