
Public-domain ebook
De groote betoovering
Language: nl351 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Historical Novels·Novels·Classics of Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76185.

Public-domain ebook
Language: nl351 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Historical Novels·Novels·Classics of Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76185.
The opening · free to read
Ik weet wel, dat er vroeger heel wat menschen waren, die niet wisten wat bang-zijn was. Ik heb van veel menschen gehoord, die graag over één nacht ijs liepen, en die geen grooter genoegen kenden, dan met paarden te rijden die den kolder hebben. Ja, zelfs waren er, die niet vermeden kaart te spelen met Jonker Ahlegaard, hoewel men ontdekt had, dat hij er allerlei kunsten met de kaarten op na hield, zoodat hij altijd won. Ik ken ook enkele onverschrokken knapen, die er niet bang voor zijn een reis op Vrijdag te aanvaarden, of aan te zitten aan een tafel voor dertien personen gedekt.
Maar ik zou wel eens willen weten of één van die allen den moed zou hebben gehad, dien verschrikkelijken ring aan zijn vinger te steken, die het eigendom geweest is van den ouden Generaal Löwensköld op Hedeby.
Het was diezelfde oude Generaal, die aan de familie Löwensköld haar naam, haar landgoed en adel had bezorgd, en zoolang nog een van hen op Hedeby woonde, hing zijn portret in de groote zaal van de bovenverdieping, tusschen de vensters. ’t Was een groot schilderstuk, dat van den vloer tot den zolder reikte, en bij den eersten oogopslag dacht men, dat het Karel XII zelf was, die daar stond in een blauwen rok, met groote zeemleeren handschoenen en geweldige kaplaarzen aan, stevig staande op den geruiten vloer, die er uitzag als een schaakbord; maar als men dichterbij kwam, zag men wel, dat het een heel ander soort man was.
’t Was een groot en grof boerengezicht, dat boven den kraag van den rok uitstak. De man op de schilderij zag er uit, alsof hij geboren was om levenslang achter den ploeg te loopen. Maar hoe leelijk hij ook was, hij zag er toch uit als een verstandig, betrouwbaar prachtexemplaar van een man. Als hij in onzen tijd geboren was, zou hij minstens lid van het Kantongerecht of van den Gemeenteraad zijn geworden, ja, wie weet of hij niet in het Parlement gekozen zou zijn. Maar nu hij leefde in de dagen van den grooten heldenkoning, ging hij in den oorlog als gemeen soldaat, kwam terug als de beroemde Generaal Löwensköld, en kreeg van de regeering het riddergoed Hedeby, in de gemeente Bro, als belooning voor zijn diensten.
Hoe langer men het portret bekeek, hoe meer men verzoend raakte met het uiterlijk van dien man. Men meende te kunnen begrijpen, dat zoo de krijgslieden geweest waren, die onder het bevel van Koning Karel hadden gestaan en hem een weg hadden gebaand door Polen en Rusland. Het waren niet alleen avonturiers en hofridders, die hem volgden; maar juist zulke eenvoudige en ernstige mannen, als hij op dit portret, waren het, die van hem hielden en vonden, dat hij een Koning was om voor te leven en te sterven.
Wanneer men het beeld van den ouden Generaal bekeek, was er gewoonlijk altijd een van de Löwenskölds bij de hand, die opmerkte, dat het heelemaal geen bewijs van ijdelheid was van den Generaal, dat hij den handschoen aan de linkerhand zoover uitgetrokken had, dat de groote zegelring, dien hij aan den wijsvinger droeg, op de schilderij te zien was. Hij had dien ring van den Koning gekregen—er was maar één Koning voor hem—en de ring was mee op het portret gekomen om te toonen, dat Bengt Löwensköld hem trouw was. Want hij had bittere critiek over zijn heer en meester moeten hooren. Men durfde beweren, dat hij door onverstand en overdaad het rijk op den rand van den ondergang had gebracht, maar de Generaal stond door alles heen aan zijn kant. Want Koning Karel was een man, zooals er geen tweede op de wereld was, en zij, die in zijn omgeving geleefd hadden, zij hadden ervaren, dat er hooger en heerlijker dingen waren om voor te strijden, dan wereldsche eer en voorspoed.
Zooals Bengt Löwensköld den koningsring mee op het portret had willen hebben, had hij dien ook mee in het graf willen nemen. Ook hier was geen ijdelheid bij in het spel. Het was niet zijn bedoeling er mee te pralen, dat hij den ring van een groot koning aan zijn vinger droeg, als hij voor Onzen Lieven Heer en de aartsengelen verscheen, maar hij hoopte misschien, dat als hij de zaal binnentrad, waar Koning Karel XII zat met al zijn „zwaarden” om zich heen, de ring als herkenningsteeken zou dienen, zoodat hij ook na zijn dood in de nabijheid van den man zou mogen zijn, dien hij heel zijn leven had gediend en vereerd.
Toen de kist van den Generaal in den gemetselden grafkelder werd gezet, dien hij voor zich in orde had laten maken op het kerkhof van Bro, zat dus de koningsring nog aan den wijsvinger van zijn rechterhand. Er waren velen onder de aanwezigen, die het betreurden, dat zulk een kleinood met een doode in ’t graf moest gaan, wat de ring van den Generaal was bijna even bekend en beroemd als hij zelf. Men vertelde, dat er zooveel goud aan was, dat het genoeg had kunnen wezen om er een hoeve voor te koopen, en dat de roode karnalijn, waar de naamletters van den koning in waren gegraveerd, niet minder waard was. Men vond over het algemeen, dat het den zonen tot eer strekte, dat zij zich niet tegen den wensch van hun vader hadden verzet, maar hem het kleinood lieten behouden.
Als nu de ring van den Generaal in werkelijkheid zoo was, als hij op de schilderij was afgebeeld, dan was hij een leelijk, lomp ding, dat wel bijna niemand nu aan zijn vinger zou willen dragen; maar dat belette niet, dat hij voor een paar honderd jaar buitengewoon op prijs gesteld werd. Zie eens, men moet niet vergeten, dat alle sieraden en vaatwerk van edel metaal, op maar enkele weinige uitzonderingen na aan de kroon hadden moeten worden afgestaan, dat men te kampen had gehad met de daalders en het staatsbankroet van Goertzen, en dat voor veel menschen goud iets was, waar zij over hadden hooren praten, maar dat hun nooit onder de oogen was gekomen. Zoo kwam het, dat de menschen den gouden ring, die zoo nutteloos onder den deksel van een doodkist was neergelegd, niet hadden kunnen vergeten. Men vond het bijna verkeerd, dat die daar lag. Hij had immers voor een hoogen prijs kunnen worden verkocht en zoo velen brood verschaffen, die niet anders hadden om zich mee te voeden dan stroo en boombast.
Maar hoewel er velen waren, die wel wenschten, dat dit kostbare sieraad in hun bezit was gekomen, was er toch niemand, die er in ernst aan dacht het zich toe te eigenen. De ring lag in een dichtgeschroefde kist, onder zware steenen platen, onbereikbaar voor zelfs den stoutmoedigsten dief en zoo meende men, dat het moest blijven tot aan ’t eind van de wereld.
II.
In de maand Maart van het jaar 1741 was de Generaal Majoor Bengt Löwensköld overleden en een paar maanden later gebeurde het, dat een dochtertje van den Ritmeester Göran Löwensköld, de oudste zoon van den Generaal, die nu op Hedeby woonde, aan roodvonk stierf. Zij werd op een Zondag dadelijk na de godsdienstoefening begraven en alle kerkgangers volgden den lijkstoet naar het graf van de familie Löwensköld, waar de twee geweldig groote grafsteenen rechtop waren gezet. Het gewelf daaronder was geopend door een metselaar, zoodat het kistje van het kind naast dat van haar grootvader kon worden gezet.
Terwijl de menschen om het graf heen stonden te luisteren naar de begrafenisplechtigheid en de lijkrede, was het niet onmogelijk, dat deze en gene aan den koningsring dacht en het betreurde, dat die in een graf verborgen moest liggen, zonder iemand tot nut of vreugd te zijn. Een of ander vond dit misschien ook en fluisterde zijn buurman in, dat het nu niet zoo onmogelijk zou zijn, aan den ring te komen, omdat het graf waarschijnlijk niet voor den volgenden dag weer zou worden dichtgemetseld.
Onder de velen, die daar stonden en zich met deze gedachten bezig hielden, was ook een boer van Mellomstuga in Olsby, die Baard Baardson heette. Hij hoorde heelemaal niet tot hen, die grijze haren hadden gekregen ter wille van dien ring. Integendeel! Toen iemand hem over dien ring had gesproken was zijn antwoord geweest, dat hij zoo’n beste hoeve had, dat hij den Generaal niet hoefde te benijden, al had hij ook een schepel goud mee in de kist genomen.
Toen hij nu op het kerkhof stond, kwam hem als zooveel anderen in de gedachte hoe wonderlijk het was, dat het graf was geopend. Maar hij was er niet blij om. Het maakte hem ongerust. „De Ritmeester moest het wel al van middag weer in orde laten maken,” dacht hij. „Er zijn velen, die dien ring begeeren.”
Dit was immers iets wat hem heelemaal niet aanging; maar hoe het nu ook kwam, hij leefde zich meer en meer in de gedachte in, dat het gevaarlijk zou kunnen zijn het graf den nacht over open te laten staan. Het was nu Augustus geworden, de nachten waren donker en als het graf niet dien zelfden dag werd gesloten, kon een dief er in sluipen en zich den schat toeeigenen.
Zijn angst werd zoo groot, dat hij er over dacht naar den Ritmeester te gaan en hem te waarschuwen, maar hij wist immers wel, dat de menschen hem voor onnoozel hielden en hij wilde niet uitgelachen worden.
„Natuurlijk heb je hierin gelijk,” dacht hij, „maar als je je hier al te druk over maakt, word je uitgelachen. De Ritmeester, die zoo’n verstandig man is, heeft er zeker al voor gezorgd, dat het graf weer wordt dichtgemetseld.”
Hij was zoo in die gedachten verdiept, dat hij niet merkte, dat de begrafenisplechtigheid was afgeloopen, maar bij het graf bleef, en er zeker lang zou zijn blijven staan, als niet zijn vrouw was gekomen en hem aan den mouw van zijn jas had getrokken.
„Wat heb je toch?” zei ze. „Je staat hier op dezelfde plek te staren als een kat naar een muizengat.”
Een schok ging door hem heen; hij keek op en zag, dat hij en zijn vrouw alleen op het kerkhof waren.
„’t Is niets,” zei hij. „Ik stond er over te denken....”
Hij had zijn vrouw wel graag willen vertellen waar hij over dacht, maar hij wist wel dat zij veel scherpzinniger was dan hij. Ze zou zeggen, dat of het graf al of niet gesloten zou worden, iets was wat Ritmeester Löwensköld aanging en niemand anders.
Ze gingen op weg naar huis, en toen Baard Baardson het kerkhof den rug toe had gekeerd, had hij immers de gedachte aan het graf kwijt moeten raken, maar dat was niet het geval. Zijn vrouw sprak over de begrafenis, over de kist en de dragers, over den stoet en de lijkrede, en hij voegde er nu en dan een woordje bij, om niet te laten merken, dat hij er niets van wist en er niets van had gehoord. Al gauw was ’t alsof de stem van zijn vrouw heel uit de verte klonk. Zijn hersens begonnen de vroegere gedachten weer over te malen.
„Zie nu eens, het is vandaag Zondag,” dacht hij, „en misschien wil de metselaar ’t gewelf niet weer in orde brengen op een rustdag. Maar dan kon de Ritmeester immers den doodgraver een daalder geven en hem zeggen, dat hij van nacht bij het graf moest waken. Als hij nu maar op die gedachte komt!”
En op eens begon hij hardop in zich zelf te praten. „Ik had toch naar den Ritmeester moeten gaan. Ik had er mij niet aan moeten storen of de menschen me uit zouden lachen.”
Hij had heelemaal vergeten, dat zijn vrouw naast hem liep; maar hij kwam weer tot bezinning, doordat ze op eens bleef staan en hem aanstaarde.
„’t Is niets,” zei hij. „’t Was maar hetzelfde, waar ik over liep te denken.”
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.