
Public-domain ebook
De erfenis eener moeder
Language: nl239 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76879.

Public-domain ebook
Language: nl239 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Children & Young Adult Reading·Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76879.
The opening · free to read
VOORBERICHT.
Afwisseling van spijs doet eten. Het werkje, hetwelk ik hier aan ons jeugdig publiek aanbied, is noch op historisch, noch op geographisch of letterkundig gebied; het is op dat der phantasie. En waarom mag, in onzen practischen tijd, ook niet de phantasie van tijd tot tijd eens tot haar recht komen? Phantastisch is het daarom niet; ’t is een eenvoudige familiegeschiedenis, waarin groote sprongen noch vreeselijke gebeurtenissen voorvallen; maar waarin de erfenis eener gestorvene moeder een groote rol speelt, een rol, die zeker wel in staat is, om den leeslust van lezeressen en lezers te prikkelen. Want ik schreef het boekje zoo voor meisjes als voor jongens.
Ik twijfel niet, of ook dit werkje zal eene goede ontvangst genieten en vele lezeressen en lezers vinden. Dat er een algemeen zedelijke strekking in is, behoef ik niet te verzekeren. Te schrijven alleen om te vermaken, is mijn gewoonte niet. Ik zou mij den tijd, daaraan besteed, zeker beklagen; nuttig voor de Nederlandsche jeugd te zijn is steeds mijn hoogste doel.
Met aanbeveling van mijn arbeid aan allen, wien de opvoeding en ’t onderwijs der Nederlandsche jeugd zijn toevertrouwd, zend ik deze „Erfenis eener Moeder” de wereld in.
Amsterdam, 1877.
P. J. ANDRIESSEN.
BERICHT VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Dat de schrijver zijn hoogste doel, nuttig voor de Nederlandsche jeugd te zijn, geheel bereikt heeft, wie zal ’t betwijfelen?
Duizende exemplaren toch, worden jaarlijks van zijn verschillende boeken nog voor die jeugd gekocht, ter belooning van—en ter opwekking tot het goede.
Amsterdam, 1893.
DE UITGEVER.
BERICHT VOOR DEN DERDEN DRUK.
„Duizende exemplaren worden nog jaarlijks van Andriessen’s boeken verkocht”—zoo vermeldde het „Bericht voor den Tweeden Druk”. Het noodig zijn van een Derden Druk bewijst wel, dat Andriessen nog steeds onvergetelijk blijft voor de Nederlandsche jeugd.
Amsterdam, 1902.
DE UITGEVER.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN DAG NAAR BUITEN.
„Ik vind het laf van je, dat je niet meedoet, Ernst. Wat moeten de andere jongens er van denken?”
„Laat ze er van denken wat ze willen. Wat gaat mij dat aan!” antwoordde Ernst. „Ik kan ’t nu eenmaal niet betalen, en daarmee basta!”
„Maar ik wil je ’t geld leenen, Ernst. Dat heb ik je nu al driemaal gezegd, en ’t komt er volstrekt niet op aan, wanneer ik het terugkrijg. Je weet het, pa is rijk; ik heb maar te spreken of er over te schrijven, en hij zendt me een postwissel voor ’t geen ik hem vraag.”
„Juist Rudolf,” antwoordde Ernst. „Jouw vader is rijk, schatrijk misschien, en daarom heb je volkomen gelijk, dat je royaal meedoet. Maar de mijne is arm en ’t kost hem al opoffering genoeg, om mij hier te laten, en mij ’t weinige zakgeld te geven, dat hij mij zendt. Als ik dus die vijf gulden van je leende, zou ik ze je niet kunnen teruggeven, of....”
„Wat het teruggeven aangaat; daarover behoef je je niet eens te bekommeren,” viel Rudolf hem gul in de rede. „Al is dat over een halfjaar, over een jaar—ja, al is ’t ook nooit: ’t komt er niet op aan.”
„Zoo, zoo!” riep Ernst. „Gelukkig, Rudolf, dat we elkander kennen. Wanneer ’t een ander was die me dit zei, zou ik heel beleedigd zijn. Iets te leenen, waarvan je al vooraf weet, dat je ’t niet kan teruggeven, is in mijn oog net zoo goed als diefstal. Daarenboven, pa heeft mij altijd ingeprent om, wat er ook gebeurt, nooit van iemand geld te leenen. Als je geld leent, zegt hij altijd, is het, alsof je tweemaal betaalt: want je beschouwt het geleende als je eigendom en betaalt er mee wat je er voor hebben wilt; later moet je ’t geld weeromgeven, en dan is ’t je alsof je het voor de tweede maal uitgeeft. Daarenboven zegt ’t Fransche spreekwoord niet te vergeefs: qui donne à crédit, perd son bien et son ami; want de meeste menschen zijn erg boos, wanneer iemand, die hun iets geleend heeft, het geleende terugvraagt.”
„Maar als ik ’t je nu present wil doen....”
„Geen woord meer, als je wilt, dat we vrienden blijven,” hernam Ernst op min of meer trotschen toon. „Dat pa arm is, kan ik niet helpen en daar schaam ik mij ook niet over, maar als ik weldaden aannam, al was ’t ook van jou, zou ik reden hebben me over me zelf te schamen, en ik zou den eerlijken naam van mijn braven vader bevlekken, die ’t mij nooit zou vergeven, dat ik mij zoo laag had aangesteld.”
„In vredesnaam dan, Ernst,” antwoordde Rudolf, eenigszins knorrig en teleurgesteld. „Intusschen kun je er op rekenen, dat je door je weigering me de helft van mijn pleizier ontrooft—ja.... ik heb in de heele zaak nu geen pret meer, nu jij niet van de partij zult zijn.”
„Dwaasheid, kerel,” hervatte Ernst lachend. „Als je eenmaal in de pret bent, zul je mij wel vergeten. Maar toch,” vervolgde hij op hartelijken toon, „dank voor je aanbod. Wanneer ik ’t niet al wist, zou ik er uit leeren, dat je een waar vriend bent. Ik ben trotsch op zulk een edelmoedigen, onbaatzuchtigen vriend!”
Hoe knorrig Rudolf ook op den onverzettelijken knaap was, deze laatste woorden ontwapenden geheel en al zijn toorn: hij nam de hem aangeboden hand aan, drukte die hartelijk en zei:
„Je bent een kopstuk, Ernst. Maar ’t zij zoo. Ik moet je principes eerbiedigen.”
Mijn lezeressen en lezers zullen waarschijnlijk belang genoeg in onze beide jongens stellen, om iets meer van hen te vernemen. En ik wil aan hun nieuwsgierigheid voldoen en hun terstond wat van de twee sprekenden mededeelen.
Rudolf Nederhorst was de oudste zoon van een rijk koopman in Amsterdam. Ofschoon van zijn jeugd af aan in rijkdom en weelde grootgebracht, had hij echter zijn studiën niet verzuimd, en was vrij ver in alles wat men op zijn jaren—hij was in zijn zestiende—kennen moet. Hij was dan ook, ofschoon hij de oogappel van zijn vader was, niet verwend, en dat had hij vooral te danken aan zijn verstandige moeder, die hem wist te leiden en hem steeds voor oogen had gehouden, dat geld alleen niet genoeg is, om iemand geacht en bemind te maken; maar dat slechts een braaf karakter en een ontwikkeld verstand den man van geld den eerbied van anderen doen verwerven. Gelukkig had Rudolf een helder verstand, een vlug begrip en een allergelukkigsten aanleg; daarbij liefde tot de wetenschap en een gepaste eerzucht, die er hem steeds naar deed streven, om anderen vooruit te komen. Vier jaar geleden, toen hij elf jaren oud was, had zijn vader hem, op aandrang van zijn moeder, naar een der beste kostscholen van ’t land gestuurd; want mevrouw Nederhorst was bevreesd, dat haar man, zonder dat hij ’t wilde, den knaap zou bederven, en daarom had ze ’t noodig geoordeeld hem onder de leiding van een vreemde te geven, die beter de gebreken van haar Rudolf zou zien en bestrijden dan de vader, die geen kwaad in zijn jongen kon zien en blind was voor ’t geen er verkeerds in ’t karakter van zijn zoon was.
Ofschoon Rudolf Nederhorst met al de jongens op de school perfect kon omgaan, daar de meesten den vroolijken, levenslustigen knaap graag mochten, die, hoe vlug hij ook leerde en hoe hij hun daarin dikwijls de loef afstak, bij spel en pret, ja bij ’t kattenkwaad dat zij soms uitvoerden, steeds een trouwe en ferme makker was—had hij zich toch bijzonder gehecht aan Ernst van Hogenberghe, den zoon van den kapitein der infanterie van dien naam. Daar kapitein Van Hogenberghe, ofschoon van ouden adel, geen fortuin van zich noch van de zijde zijner vrouw en daarbij verscheidene kinderen had, kostte ’t hem vrij wat moeite, om in zijn stand fatsoenlijk rond te komen, en was ’t hem, zooals zijn zoon zelf zeide, opoffering genoeg, om zijn Ernst op zulk een deftige en dure kostschool te laten gaan. Zooals we reeds zagen, bezat Ernst van Hogenberghe al heel weinig adeltrots, maar fierheid van karakter genoeg, om zich niet over de bekrompen omstandigheden van van zijn vader te schamen, en al hinderde ’t hem wel eens, dat hij niet zooals de anderen met alles kon meedoen—hij was er te zeer van overtuigd, hoeveel ’t zijn vader kostte, om hem een goede opvoeding te geven, dan dat hij zich niet met alle macht op ’t verkrijgen van kennis zou hebben toegelegd. Hij vond er dan ook weinig of geen zelfoverwinning in, om openhartig te bekennen dat „het hem te duur was” en „dat zijn middelen hem niet veroorloofden, deze of gene verteringen te maken.” Verre, dat zijn kameraden hem daarom minder achtten, hielden ze allen veel van den knaap, die ook ferm met hen kon meedoen, en zochten velen zijn toegenegenheid, omdat hij van adel was, vooral zij, wier ouders geen adellijk blazoen in hun wapenschild voerden; terwijl de adellijke jongeheeren van de kostschool hem volstrekt niet minder achtten, omdat hij, zooals hij ’t geliefde te noemen, arm was; ofschoon dit woord veel te hard klonk voor een toestand, die slechts bekrompenheid van middelen mocht heeten.
De zaak, waarvoor ’t geld benoodigd was, bestond in een roeitocht, welken de scholieren vóor ’t begin van de vacantie met elkander zouden maken. Onder toezicht van twee der secondanten zouden ze dan naar den „Borrelenden Roompot” roeien, een allerliefst gelegen uitspanning, waar ze zich den geheelen dag amuseeren konden. De kosten van ’t huren der schuitjes, van déjeuner en diner zouden bestreden worden uit de bijeengebrachte gelden der deelnemers, die vijf gulden per hoofd bedroegen, wel zoo’n groote som niet op zichzelf, maar een heel kapitaal voor een kostschooljongen. De meesten, misschien allen, hadden dat onmogelijk uit hun zakgeld kunnen fourneeren, naar huis geschreven en vandaar een extra toelage per postwissel of door tusschenkomst van meneer Voornvisser, den directeur der kostschool, gekregen. Zooals we zagen had Ernst niet bijgedragen. Hij was echter de eenige niet; nog een viertal anderen deelden in zijn lot: éen; omdat zijn vader kort geleden gestorven was, een tweede, omdat de zijne boos op hem was dat hij niet was bevorderd, en de twee anderen, omdat hun moeder er volstrekt tegen was, daar ze vreesde, dat er met zulke wilde jongens, die op zoo’n vrijen dag uitgelaten moesten zijn, ondanks de tegenwoordigheid der twee secondanten, veel gevaar voor ongelukken bestond.
Hoezeer de jongens gaarne hadden, dat allen deelnamen aan zoo’n pretje, want ook bij hen gold het spreekwoord: „hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd,” speet het hun van die vier toch niet. De reden van den eersten moesten ze respecteeren; No. 2 was een luiaard, en luiaards konden ze niet uitstaan, en No. 3 en 4 werden, hoe onschuldig zij er ook aan waren, voor moedersjongetjes gescholden. Dat gaat meer zoo; want in zulke gevallen zijn jongens, hoe anders ook op recht gesteld, vrij onrechtvaardig. Wat Ernst aangaat, van hem speet het den meesten, zoo niet allen, en zelfs had de commissie tot de feestviering, bestaande uit drie jongens, van wie Gerrit Zalmvoort als penningmeester fungeerde, hem uit naam van allen, die tot de partij behoorden, aangeboden, om zonder te betalen mee te gaan, daar men hem er zoo graag bij had; maar Ernst had dit met een hoogen blos op de wangen verworpen. Hij wist, dat het uit hun goed hart voortkwam en kon er zich dus niet door beleedigd achten, en toch was er iets in hem, wat zich zoo sterk tegen dat aanbod verzette, als voelde hij er zich door gekrenkt. Hij had hun dat echter niet laten merken, alleen gezegd, dat hij, hoe getroffen hij over hun aanbod was, er echter geen gebruik van maken, maar eenvoudig even als de vier anderen thuisblijven zou; ja, zoover wist hij zich zelf te verloochenen, dat hij niet, zooals deze, zich pruilend in de school opsloot, maar aan den waterkant stond, om de vroolijke makkers te zien afvaren en hun van harte een pleizierigen dag te wenschen. Ieder der jongens was dan ook ten volle overtuigd, dat Ernst van Hogenberghe een ferme jongen was, en menigeen, waaronder ook Rudolf Nederhorst, gevoelde, dat hij zelf daartoe niet in staat zou zijn.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.