Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.
Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne takken broederlijk dooreen strengelden.
's Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen, winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot één enkel koor van levenslust.
«Koekoek! koekoek!» klonk het dan schaterend in de verte en de kleine hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den zwartgevlerkten zanger.
Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, «Koekoek! koekoek! waar zijt ge?» vroegen thans de kinderen, «Kom bij ons, we zullen u wormpjes zoeken en broodkruimels voor u strooien,» maar de vogel kwam niet en deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht weergalmen.
«Willen wij hem opzoeken?» sprak de knaap tot zijn zusje.--«Ik durf niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen verwijderen.»--«Zij zal het niet weten» lachtte Atto, «zij is vader tegemoet, die heden van de jacht terugkomt.»
En Juna liet zich overreden.
Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den spottenden zanger niet.
Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde geen pijn te gevoelen.
Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald vaaren.
Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en daarna werd alles stil, doodstil.
Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan boomen.
Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.
En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... «De wolven! de wolven!» kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren broeder aan.
Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en vermoeidheid, viel weldra op zijne knieën in slaap.
Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde dieren, dat akelig door het woud weerklonk....
's Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.
Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat, tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. «Wij zijn gered!» murmelde Atto, «laten wij langs den boord van het water voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen.»
Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen, water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij leden zoo geweldig door honger en dorst!
Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was, want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.
«Daar komt een man,» kreet eensklaps Juna met blijde verrassing.
«Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid kocht!» lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en spoedde zich naar de kleinen.
Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange, blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende kleederen.
Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de kinderen stonden te zien.
Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne ouders te brengen.
Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso, dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.
De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den nacht doorbrachten.
's Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel.
De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk «goede reis!»
Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.
Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten omstreeks den avond, de ouderlijke hut.
Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso.
2.--Oud België.
Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee kinderen leefden niet in onzen tijd, maar vóór honderden en honderden, ja, schrikt niet ... vóór 2000 jaar.
De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en in akkers herschapen.
De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen.
Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers, knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in hinderlagen te lokken.
Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels ... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons.
Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee beken gebouwd?
Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.