
Public-domain ebook
De Belgische omwenteling
Language: nl291 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #45392.

Public-domain ebook
Language: nl291 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #45392.
The opening · free to read
'S-GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1905
TYP. ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.
België en Nederland hebben te veel gemeen, dan dat, bij het feest ginder, de gedachten van hier niet over den Moerdijk zouden vliegen.
Ik heb de mijne niet weerhouden. Zij keerden van heden tot verleden terug. Tot wat ons vereenigt, en wat ons scheidt.
Zich daarover een klaar oordeel te vormen, past den Hollander als den Belg. En nimmer zal het licht van één kant kunnen komen. Ik waag het er op, mijn zienswijze publiek te maken. Moge slechts mijn geschrift kunnen doen gelooven, dat zij niet zonder studie is gevormd.
C.
INLEIDING.
Nimmer zal ik den indruk vergeten, dien, jaren geleden, het eerste bezoek aan België op mij achterliet.
In dien kring van studiegenooten der Gentsche hoogeschool, aan dien disch waar scherts de—Nederlandsche!—taal kruidde, onder het luisteren naar die zangstem die aanhief van „die nachtegael die sanc een liet,” zangstem die aan den schrijver van „De Nederduitsche geschriften van Marnix van St. Aldegonde” behoorde,—was de Leidsche student in den vreemde?
Wij van onze Leidsche tafel plachten toen een hoog woord te voeren—hooger dan ons toekwam, meen ik natuurlijk thans betamelijkerwijs—over kunst en literatuur. Hoe geleidelijk konden wij daarmee voortgaan te Gent. Zij hadden Couperus en van Deyssel gelezen, wij Buysse's pas verschenen „Recht van den Sterkste”.
Maar de reis ging verder België in, en wij bemerkten meer en meer hetgeen ons reeds te Gent niet verborgen was gebleven: dat „'t Zal wel gaan” een kleine minderheid vertegenwoordigde. Brussel, zijn schouwburgen en eethuizen waren Fransch. De dagbladpers, Fransch, en wat meer zegt, aan al wat Parijs betrof een onevenredige plaats inruimend, als ware Brussel geen centrum, maar provincie.
Wat viel er, buiten den kleinen kring van „'t Zal”, in België als Nederlandsch op? De taal der aflaatbeloften, waarmede de kerkwanden als overdekt waren, de schreeuwende aanprijzingen der wonderdoende kracht van dezen en gindschen heilige, patronen tegen buik- en kiespijn, de rijke sorteering in katholieke stuiversliteratuur achter de ongewasschen vensterglazen van boekwinkels van den vierden rang. De Belgische samenleving scheen van boven verfranscht en van onderen verroomscht. En welk een Roomschheid! In geen katholieke kerk in het Noorden—gloednieuwe gebouwen voor het meerendeel—verwacht of vindt men zóó gestelde aanplakbrieven.
Nederlandsch was er voor de opmerkingsgaaf van ons alledaagsche reizigers ook nog iets anders. Er moesten blijkbaar zoo iets als wetten bestaan ter bescherming van de rechten onzer taal in dit tusschenland. Allerlei mededeelingen aan het publiek, van heel of half ambtelijk karakter, waren in beide talen gesteld. Maar ons overstapje heette een „overeenstemmingskaart,” en, op de terugreis, konden wij aan den ingang van het Leopoldspark te Antwerpen de waarschuwing lezen: „verboden hier paarden in te sleepen.” Wij waren echter niet te paard. Doch stel u, ruiter-landgenoot, gerust. Komt gij ooit op uw bruin voor het hek, de andere helft van het bord, met zijn „défense d'entraîner des chevaux”, zal u de bedoeling volkomen duidelijk maken.
Een land van veel beloften en meer teleurstellingen;—met dezen indruk keerden wij naar huis.
Als wij later België bezochten, waren het andere zaken die wij zien wilden. En of die er zijn! Wat ben ik aan u, primitievenzaal van het Antwerpsch museum, verplicht; wat aan u, betooverde Brugsche grachten! Aan u allen, steden van het Vlaamsche land! De Hollander, die werk maakt van de geschiedenis van zijn eigen volk, kan u niet genoeg bezoeken. Uit Vlaanderen, of door Vlaanderen, is een groot deel van onze beschaving tot ons gekomen, en die zien wil, vindt in dit land van her- en doorkomst nog heden daarvan de sporen. En België is daarbij geen dood land, maar een dat in zijn heden ons in veel opzichten tot voorbeeld strekt. Zijn optreden op het wereldtooneel kan ons dikwijls beschamen. De kloekheid en het goed gevolg, waarmede dit volk zijn materieele belangen weet voor te staan in verre landen, blijven bij ons niet onopgemerkt; wij, die ons geboren kooplieden noemen, mogen de Belgen hun consulaatwezen benijden. De haven van Antwerpen leidt een zoo krachtig leven als één der onze, terwijl onze nijverheid bij de hunne niet in vergelijking komt. En dit bloeiend stoffelijk leven wordt geadeld door nieuwe werken van het oude kunstgenie. Zoo onze Israëls naam heeft, hoe staart de wereld bewonderend op Meunier! Hoe dun blijkt ook, bij beter kennismaking, het Fransche vernis over het Belgische karakter gespreid. Rodenbach en Maeterlinck, zij mogen dan naar Parijs zijn gegaan, zijn geen Franschen en schrijven niet als Franschen. En dan stegen, juist in de laatste jaren, uit de diepten van het Vlaamsche volksgemoed klanken voor ons op van zegevierende schoonheid. Jaren lang, onverstaan en ongeëerd, had daar in een hoek van West-Vlaanderen Guido Gezelle gedicht. Wie kende tien jaren geleden zijn naam? En thans mogen wij ons schier afvragen, of onze gansche, rinkelende „beweging van '80” iets heeft voortgebracht, dat niet door het werk van dezen eenzame wordt overschenen. Een eenzame? Bloem en dier, zon en kind kenden hem. En aan de zijne verwant is de loutere ziel van dien anderen grooten Vlaming, Edgar Tinel.
Wij Hollanders moeten weten wat dit wonderbare land is. Leeren wij de Belgen, zij ons niet kennen, licht zullen wij, bij de eerstvolgende nauwe aanraking, elkander kwaad doen in plaats van goed.
Er moet wel veel tusschen ons zijn, dat het ons zooveel moeite kost, elkander te vinden. Zóóveel punten waarop verstandhouding mogelijk schijnt, en toch nog zoo weinig vruchtdragende samenwerking. Ieder van ons blijft, in zich gesloten, zoo klein;—hoe zou het onzen gedachtenkring verruimen, indien wij ons aanwennen wilden, van weerszijden wat aanhoudender en wat scherper over de grens te zien. Het komt, bij eenig nadenken, toch waarlijk ongehoord voor, dat bij ons de aardrijkskunde van België, en ginder die van Nederland, onderwezen worden als die van een geheel vreemd land. Met de geschiedenis is het alleen in zooverre beter, dat de lotgevallen van het eene deel in de vijftiende en zestiende eeuw, en in de periode van '15 tot '30, niet verhaald kunnen worden zonder eenige vermelding van die der andere helft. Doch hoe staat het bij ons met de kennis van België's geschiedenis sedert den val van Antwerpen tot het Weener Congres, of van België's geschiedenis sedert 1830?
Ik zou het een goed denkbeeld, en mij dunkt uitvoerbaar achten, aan een Noordnederlandsche hoogeschool een leerstoel voor Zuidnederlandsche geschiedenis, aan een Zuidnederlandsche een leerstoel voor de geschiedenis van het Noorden op te richten. En mochten dan de titularissen vooral de geschiedenis na 1830 niet vergeten. Hun werkzaamheid zou kunnen en moeten opwekken tot kennismaking met het levende zusterland.
Doch ik kwam hier tot een praktisch voorstel, en dit is voorshands mijn doel niet. Ik wil, naar aanleiding van dit onafhankelijkheidsfeest, mij verdiepen in ons gezamenlijk verleden. De vroegere vereeniging, onder de Bourgondiërs, zal ik niet voorbijgaan, doch mij bepaaldelijk met de latere onder Willem I bemoeien. Met de oorzaken der scheiding, en met de omwenteling zelf, die nog altijd zoo verschillend en veelal met zoo weinig kennis van zaken beoordeeld wordt. Daarna zal ik trachten uit te drukken wat naar mijne meening ieder van ons thans is, en onderstellenderwijs spreken over hetgeen wij voor elkander zouden kunnen worden.
EERSTE HOOFDSTUK.
België en Nederland vóór de Vereeniging.
België vormt, ondanks zijn tweetaligheid, in veel hooger mate een eenheid dan men het zich dikwijls voorstelt. Om die eenheid te begrijpen moet men de geschiedenis van België raadplegen.
De oudste geschiedenis van België, waar die te vinden? Langen tijd heeft men haar inderdaad niet weten voor te stellen, en de oudste geschiedenis der Belgische gewesten voor geschiedenis van België gegeven. Tot Pirenne het meesterlijk boek schreef, waarvan de voltooiing voor Noord en Zuid beide van zooveel gewicht zijn kan. Een goede geschiedenis van België toch zal ons helpen, onze eigene beter te verstaan.
België geeft moeilijkheden genoeg. Half Waalsch, half Dietsch; half leen der Fransche kroon, half Rijksleen. Een horizontale linguistische, een vertikale politieke scheidslijn. En toch moet dit België een nationale geschiedenis hebben gehad, aangezien het eene natie is geworden.
De naam wijst tot Caesar's tijden terug. Toen waren de Belgen de noordelijkste Kelten op het vasteland, ongeveer van de Marne en de Moezel tot het eiland der Bataven wonend. Hun geheele gebied werd ingelijfd in het Romeinsche rijk; het vormde er het uiterste grensland van, dat het eerst weder verloren is gegaan. Ten gevolge der aanhoudende oorlogen met de volken van over den Rijn raakte het Noorden van het tegenwoordige België, tot den grooten heerweg van Keulen over Maastricht en Tongeren naar Doornik en Boulogne, nagenoeg geheel ontvolkt en werd door Germanen ingenomen. Ten Zuiden van de lijn Maastricht–Boulogne handhaafde zich de Keltoromeinsche bevolking in zoodanige dichtheid, dat de ook hier als enkele individuen, niet meer als volksmassa gevestigde Germanen, de taal der Keltoromeinen overnamen. Deze taalgrens in België, ontstaan omstreeks het jaar 430, heeft zich tot den huidigen dag zeer weinig verschoven.
Gelijk de taal, was ook de godsdienst van het laat-Romeinsche rijk uit het Noorden van België verdwenen. Niettegenstaande de bekeering van hun koning Clovis, bleven de Salische Franken heidensch in het land waar zij de eigenlijke bevolking van uitmaakten: aan den benedenloop van Schelde en Maas. Deze streken moesten later voor het Christendom worden teruggewonnen. Het is betrekkelijk laat geschied: de stichting van de eerste kerk, op de plaats waar later Gent verrees, door St. Amand is van 610, en dit was eerst het begin. De christianiseering van het geheele gebied van het huidige België was eerst omstreeks een eeuw later voltooid. Een feit van niet te onderschatten beteekenis nu voor de vorming der Belgische nationaliteit is het geweest, dat in het Germaansche Noorden geen zelfstandig bisdom ontstond. De noordelijkste bisdommen, welke voor den val van het Romeinsche rijk bestaan hadden, reconstitueerden zich eenvoudig en namen elk hun moot van het inmiddels Germaansch geworden Noorden terug: Tongeren (Maastricht, Luik) het land tot de Dijle, Kamerijk (Atrecht) dat tusschen Dijle en Schelde, Noyon (Doornik) dat van de Schelde tot het Zwin en de Noordzee, Terwaan het dal van de Yser. M. a. w. de bisdommen, die in hun traditiën teruggingen tot den Romeinschen tijd, zochten de grenzen op der oude Romeinsche provinciën en civitates: Tongeren besloeg het gebied van de gewezen civitas der Tungri en ressorteerde, als weleer die civitas, onder de provincie Germania inferior, m. a. w. onder Keulen;—Kamerijk, Noyon[1] en Terwaan vertegenwoordigden elk een van drie vroeger bestaan hebbende civitates der provincie Belgica secunda (die der Nervii, Menapii en Morini) en ressorteerden onder het aartsbisdom dier provincie: Reims. De kerkelijke indeeling weerspiegelde dus, tot 1559 toe, die van den Romeinschen tijd, hoewel de oude stammen, wier grenzen de Romeinsche indeeling gevolgd had, lang verdwenen waren. Nu lagen al deze vier bisschopszetels bezuiden de taalgrens: m. a. w. de hoofdsteden van de aanvankelijke beschaving der gezamenlijke Zuidnederlanders lagen in Franschsprekend gebied. Dáár verrezen hun kathedraalkerken, dáár werd hun geestelijkheid opgevoed, dáár bevonden zich de grootste abdijen[2]. Elke diocees, van uit Waalsch gebied bestuurd, had zoowel Dietschers als Walen onder hare geloovigen. Hierdoor werden de Dietsche Belgen als uit de Germaansche volkerengemeenschap afgescheiden en met hun aangezicht naar het Zuiden getrokken, of liever, zij werden in die laatste houding, welke zij op het oogenblik der christianisatie, als uit het Noorden gekomen veroveraars, uit den aard der zaak innamen, voor goed in de geschiedenis vastgelegd. Geheel anders is het uitgangspunt der geestelijke ontwikkeling van het Noorden geweest. Daar ontbrak de mogelijkheid, bij overleveringen uit den Romeinschen tijd aan te knoopen, en vormde Utrecht een locaal en tegelijkertijd nationaal middelpunt.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.


New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.