Public-domain ebook
Extaze: Een Boek van Geluk
Dutch462 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #12003.
Public-domain ebook
Dutch462 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #12003.
The opening · free to read
Dolf van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de zuster zijner vrouw, Cecile van Even, op den Scheveningschen weg, en hij wachtte in den kleinen voor-salon, wandelend tusschen de rozenhouten meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene groote, zeshoekige lichtbloem.
Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij zich aanstonds Cecile's verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink,--al glimlachte hij ook--in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het baardje van nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, lampeschijnsel en intimiteit, discretie verspreidden ook door geheel het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en meubelen,--fletsch roze moiré en rozehout,--die hing in het hoekje der kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven. En die zachte lucht van bescheiden exquiziteit, vol gedemptheid, teederheid, kuischheid bijna, die dreef tusschen het haardje, de schrijftafel en de chaise-longue, die gleed tusschen de stille plooien der geëffaceerde behangsels, hield iets in, dat rust gaf aan zenuwachtigheid, zoodat Dolf, in eens, zijn stap van meten staakte, zitten ging, om zich heen zag en, eindelijk, stil, turen bleef op het portret van Cecile's man, den minister Van Even, die anderhalf jaar geleden gestorven was.
Toen duurde het wachten hem niet meer lang, tot Cecile binnenkwam. Zij trad glimlachend naar hem toe, waar hij oprees, drukkend zijne hand, zich verontschuldigend, dat de kinderen haar hadden opgehouden. Zij bracht ze altijd zelve naar bed, hare twee jongens, Dolf en Christie, en ze zeiden dan naast elkaâr, in hunne ledikanten naast elkander, hunne gebedjes op. Dolf herinnerde zich nu, dat zij over de kinderen sprak, dit dikwijls gezien te hebben.
--Christie was niet wel, hij was zoo hangerig; als het maar geen mazelen worden, sprak zij.
Er was eene moederlijkheid in hare stem, maar zelve was zij niet als eene moeder, jonkvrouwelijk tenger als zij daar nu zat, op de chaise-longue, den zachten gloed der kanten lichtbloem op stengel van onyx achter zich, zijzelve zwart in het krip van haren rouw, haar dof-blond hoofd hier en daar heel eventjes aangegoud door het licht van achteren. In dat krip--een los sleeptoilet van krip, voor in huis --vertengerde zich hare gestalte als tot die van een maagd; zoó teeder verbogen zich de lijnen van heur ietwat langen hals en dunne schouders--de armen met iets looms in beweging neêrvallend, de handen in den schoot--verbogen zich ook de lijnen der meisjesachtige jeugd van buste en fijnen leest, fijn als eene vaas van tengerheid, en alle, die lijnen, boetseerden haar bijna in een, nog wachtenden, bloei van maagdelijkheid, of zij geene jonge vrouw ware, of zij niet hare kinderen had, hare twee jongens, van zes en zeven.
Haar gelaat was weggedoezeld in de schaduw--het lamplicht guldende om heur haar--en Dolf zag haar eerst niet in de oogen, maar toen, zich wennende aan die schaduw, bespeurde hij haren blik, zacht schitterend in het donker van heur gelaat. Zij sprak met hare stem van zachten klank, een beetje dof en gedempt, als een overwaasd fluisteren; zij sprak hem nog eens over Christie, over zijn petekind, Dolf, vroeg toen naar hare zuster, Amélie.
--We maken het goed, dank je; je mag wel eens naar ons vragen, we zien je bijna nooit, antwoordde hij.
--Ik ga zoo weinig uit, verontschuldigde zij zich.
--Dat is juist verkeerd: je komt veel te weinig in de lucht en veel te weinig onder de menschen. Amélie zei dat van middag ook aan tafel, en daarom ben ik eens aangeloopen om te vragen of je morgenavond bij ons komt.
--Een soirée?
--Niemand.
--Goed; ik zal komen met heel veel plezier zelfs.
--Ja maar, waarom doe je dat nooit uit jezelve?
--Ik kom er niet toe.
--Wat voer je dan 's avonds uit?
--Ik lees, ik schrijf, of ik doe niets. En dat laatste is nog het heerlijkste: ik leef pas als ik niets doe.
Hij schudde zijn hoofd.
--Je bent een rare meid. Je verdient eigenlijk niet, dat we zooveel van je houden.
--Hé ja! vroeg zij coquet.
--Kom, het kan je niets schelen. Je zoû even goed buiten ons kunnen.
--Dat moet je niet zeggen, dat is niet zoo. Ik heb heel veel behoefte aan je sympathie, maar ik verplaats me moeilijk. Als ik eenmaal zit, dan zit ik en dan denk ik of ik denk niet, maar tot opstaan kom ik dan niet gauw ...
--Dat is een schandelijke luie levensopvatting!
--Het is de mijne! Je houdt immers van me: vergeef je me die luiheid dan ook niet? Vooral als ik beloof morgen te zullen komen?
Hij was ingepalmd.
--Nu goed! sprak hij lachend. Je bent natuurlijk vrij te leven, zooals je wilt. We houden tóch van je, al verwaarloos je ons.
Zij lachte, zei, dat hij leelijke woorden gebruikte en langzaam stond zij op, om hem aan hare kleine theetafel zijn kopje in te schenken. Hij voelde iets als eene streelende zachtheid over zich heen komen, als zoû hij daar gaarne lang gezeten hebben, pratend en thee-drinkend, in die viooltjes-atmosfeer van bescheiden exquiziteit: hij, de man van de daad, de staatsman, lid van de Tweede Kamer, wiens dag uur aan uur bezet was, met commissies hier en commissies daar.
--Je zei, dat je las en schreef; wat schrijf je? vroeg hij.
--Brieven.
--Altijd brieven?
--Ik hoû heel veel van correspondeeren. Met mijn broêr en mijn zuster in Indië.
--Maar toch niet altijd.
--O neen.
--Wat schrijf je dan nog meer?
--Je wordt indiscreet, hoor! lachte zij.
--Nu kom, ik! lachte hij terug, als mocht hij wel. Toch geen belletrie?
--Wel neen. Mijn dagboek.
Hij lachte luid, vroolijk op.
--Jij een dagboek! Wat zal jij met een dagboek doen! De eene dag zal je wel precies gelijk aan den andere zijn.
--Maar wel neen!
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.