Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

De kust van Malabar strekt zich in het Zuid-westen van het schiereiland Voor-Indië uit over een lengte van ongeveer 540 kilometer tegenover de Arabische Zee. Boven de kuststrook verheffen zich de West Ghats met hun prachtige teakbosschen, en in de laagte vertoont het land veel meren en plassen, die van de zee zijn gescheiden door duinen en door vruchtbare vlakten. De havensteden, als Cochin, liggen niet aan zee, maar aan de lagunen. Op de kust van Malabar begonnen de veroveringen van de Portugeezen; daar stichtten de Franschen Mahé; daar vestigden de Engelschen zich voor goed te Tellicherry in 1863.

Als men bij het verlaten van laatstgenoemde stad de houten brug op palen betreedt, die over de rivier is geslagen en naar de fransche bezitting Mahé leidt, heeft men een prachtig uitzicht. Rechts heeft men de riviermonding met de reeks rotsen en de lijn van het witte schuim der branding; aan den eenen kant de woning van den administrateur, half begraven onder het hooge groen, waarboven palmen wuiven; tegenover dat huis een zandige landtong, omzoomd met kokospalmen, waarvan de kruinen zich buigen naar het blauwe water der zee; links de blauwgrijze rivier, in glanzige kalmte, stroomend tusschen twee hagen van groen, dat de warme tint heeft van het tropische gebladerte; op den achtergrond in de verte de afgeronde bergtoppen van de Ghats; op den voorgrond tuinen en aanplantingen, en heel boven de fijne, elegante kruinen der kokospalmen, silhouetten van dakbungalows dicht aan het water, wegschuilend in diepe schaduw. Op het water varen eenige prauwen, slank en lang, voortgepagaaid door een inboorling, die aan een der uiteinden staat. Op het punt, waar de woning van den resident verrijst, teekent zich de vlaggestok van de fransche driekleur scherp tegen het azuur der lucht af.

Daar passeeren enkele inboorlingen, bronskleurig, met zwarte, schitterende oogen, gehuld in hun wit ruim overkleed; sommigen met buizen aan, anderen met bloote schouders, allen met een reuzenhoed van palmbladeren op het hoofd, dat daaronder bijna onzichtbaar is. De vrouwen zijn wonderlijk gekapt, met een kegel van haar op zij van het hoofd of aan den achterkant. Zij dragen eenzelfde rokje of pagne als de mannen, met een stuk vuil linnen over de borst, die ten halve bedekt of geheel naakt is. Daar loopen kleine kinderen als aapjes, met een lapje, niet grooter dan een hand, om de decentie te redden of ook wel zonder zulk een kleedingstuk; een soldaat met breeden, rooden gordel en een tulband van dezelfde kleur, met bloote voeten en een wijde broek van zware, blauwe stof en eindelijk een Europeaan met grooten helmhoed, wit van het hoofd tot de voeten en gebruind door de lucht en het klimaat.

Op het oogenblik van mijn aankomst was het overal kalm en rustig; ik kreeg het gevoel, dat ik mij bevond in een slapende of verlaten stad. De inboorlingen, die ik tegenkwam, liepen met ernstig gezicht zachtjes voort, in groepjes en zwijgend, en van boven viel in de diepe schaduw onder de hooge boomen een zware en heete lucht op ons neer. Men is ten hoogste verbaasd, als men na eenige straten, of wat daarvoor moet doorgaan, te hebben doorloopen, te hooren, dat dit nu Mahé is en te vernemen, dat er niet minder dan 4000 inwoners leven. Slechts enkele hutten vertoonen zich, en enkele honderden inboorlingen vormen de menigte op de markt, ziedaar alles. Dat komt, doordien de hutten en huisjes, die vrij ver uiteenstaan, verloren zijn in het hooge groen der tuinen en verdwijnen achter de hooge bermen van de wegen.

Die geweldige bermen, die de wegen insluiten tot een hoogte van twee meters en meer, worden in den regentijd overdekt met een echt tapijt van kleine, teêre grassen, met mos en varenkruid, met kleine begonia'tjes en andere planten, en de grond gaat geheel wegschuilen onder de bekoorlijke bekleeding, die in wezen blijft gedurende een deel van het droge seizoen. Ook de kleinste paden worden aldus omlijst. Men moet op de teenen gaan staan, om in de tuinen te kijken. Op bepaalde afstanden is in den berm een trapje aangebracht, steil en smal, met nauwelijks ruimte voor het plaatsen van den voet. Daar is een ingang van een inboorlingenwoning. Of wel de stam van een kokospalm is maar eenvoudig over het mostapijt gelegd en van insnijdingen voorzien, om als trap te dienen, en de inboorlingen gaan er parmantig op en af als over de traptreden van een paleis.

Aan de andere zij van dien natuurlijken muur heeft iedere hut haar tuin, haar paramba, die het geheele terrein omvat met de stroohut, door een groot dak van gevlochten palmtakken bedekt, goed gebouwd en met leem bestreken en van een zekere welvaart getuigend, en de aanplanting van mangoboomen, kokospalmen, arecaboomen, vanilleplanten, bananen, mimosa's, peperboomen, alle ordeloos door elkaar staande en hun gebladerte ondereen mengend, dat in de hoogte zich tot een indrukwekkenden koepel vereenigt.

De pyramidale klokketoren van de katholieke kerk geeft aan Mahé eenige gelijkenis op een fransch dorp. Bij de kerk begint de Marktstraat en op het plein stond vroeger een kleine steenen zuil op een vierkant voetstuk, met een borstbeeld van de Republiek, omsloten door een ijzeren hekje, waar op feestdagen de fransche kolonie hulde kwam brengen aan het verre vaderland. Thans is de kleine zuil overgebracht naar de rivier bij de woning van den administrateur.

Tegenover de kerk verrijst naast een mooien bloementuin de school met een breede veranda onder witte kolommen, die een groot dak dragen van gevlochten kokosbladeren. Aan het plein staan eenige bungalows met strooien daken, dan kleine winkeltjes en eenige tuinen, waarboven hooge palmen wuiven.

De lange straat, die tegenover de zuil begint, leidt naar de markt. Aan den eenen kant ziet men de bungalows of woningen van kleurlingen, allen van eenzelfde type, verdwijnend onder hun groote daken van palmbladeren en op lage palen rustend. Aan den anderen een lange donkere laan, leidend naar de varges, zooals de rijstvelden worden genoemd. Hier is het postkantoor, het Zustershuis met een groote koetspoort, en daarna een reeks kleine winkeltjes, laag en smal, tegen elkander aan gebouwd, waar van alles wordt verkocht, gezouten visch, betelbladeren, katoentjes, glaswerk, kruidenierswaren, aardewerk, producten uit Europa, naast vruchten uit het land zelf en inlandsche geneesmiddelen. Koopers en verkoopers, wandelaars, Mohammedanen, Tiven, Naïrs, Hindoes uit Koromandel, mannen en vrouwen, verlevendigen den stoffigen weg.

Daar staan verkoopers van ledige kokosnoten, de eenige brandstof, naast met zorg ingezamelden en gedroogden buffelmest, daar het hout schaarsch is en te duur; ze dragen de notenbasten in groote netten aan het eind van een bamboestok; kooplui van groene kokosnoten, op dezelfde manier gedragen; colporteurs met manufacturen, die als overal in Indië Muzelmannen zijn; een barbier in functie onder het strooien afdak van zijn winkel; koopvrouwen met stukjes palmsuiker; nieuwsgierigen met den langen parasol van een kokosblad in de hand of de banale parapluie van vijf-en-twintig stuivers open in de schaduw, zooals de mohammedaansche vrouwen gewoon zijn; jonge Malabarschen, die er frisch en welgedaan uitzien, met enorme oorhangers; oude, gerimpelde vrouwen, wier oorlellen verlengd zijn door de rekking van de zware looden oorversierselen; Tamoelen met ringen of kleine gouden sieraden in den neus gestoken, en een hoop kleine zwarte kinderen, als aapjes met dikke buikjes vóór de uitstallingen, naakt als wormen of met een zeer klein zilveren hartje aan den gordel hangend aan een dunnen plantenvezel, bij wijze van vijgeblaadje. De zeevisch ligt ten toon gesteld in manden en verspreidt een leelijken stank; verder ziet men ossenkarren, terwijl groote buffels met horizontale horens lange, met palmbladeren gedekte wagens trekken; politiesoldaten met rooden gordel en rooden fez loopen langzaam rond; gebronsde Europeanen, bijna zwarte kleurlingen met hoeden en vesten, maar zonder hemd, en overal raven, op de daken gezeten, die in groepjes op roof uittrekken en van den grond den afval oppikken, of een vrouw volgen, die haar portie gezouten of versche visch van de markt heeft gehaald, klaar, om als het oogenblik gunstig is, zich op de mand te storten.

Uit het roode stof van den weg stijgt een onmogelijk te beschrijven geur op, samengesteld uit rook, roet, bloemen, muskus en visch, een exotisch geurtje, dat meer verrassend is dan wel hinderlijk. De markt loopt door langs den weg tot even vóór de grens; aan den anderen kant begint het engelsche gebied.

Achter de eerste rij winkels strekt zich langs het vlakke strand de visscherswijk uit. Het zand is er wit en fijn; de grond ligt vol manden, netten en vischgereedschap; tusschen de hutten van stroo zijn de lange, smalle prauwen op het strand getrokken, en de overhellende kokospalmen schijnen zich te rekken, om hun bladerbouquetten te verfrisschen boven het verkwikkende water.

Een lange, donkere laan loopt tusschen eenige woningen, die verborgen liggen tusschen bloemen en klimplanten, hagen van hooge boomen en muren, behangen met vochtig groen, waaruit sterke geuren opstijgen, en komt uit met een breede straat op de promenade van Mahé. Daar heeft men tegen het ondergaan der zon te midden van den prachtigen plantengroei in de koelte van den vallenden avond een heerlijke gelegenheid, zich te verkwikken. Op de banken zitten Portugeezen te praten; langs den weg wandelen kalm eenige Mohammedanen; een Malajala vrouw verhaast haar schreden; ze heeft een bundel hout op het hoofd en verdwijnt in de tuinen, loopend langs de smalle paden, die de overstroomde rijstvelden van elkander scheiden. Verderop komt een zuster uit een donkere gang, waar ze in de eene of andere armoedige hut troost en lafenis heeft gebracht.

Aan het eind staat een groote, ronde, steenen bank, van waar de voetpaden uitgaan, die rechts en links naar de paramba's of erven leiden. Van die plek heeft men het gezicht op de rijstvelden, enkel afgebroken door een paar bouqetten van kokospalmen, door kleine tuinen, die oasen gelijken, en heel in de verte een lijn van witte heuvels, verdwijnend in een lichten, blauwen nevel. Hier en daar graast een kudde buffels in een weide, en als de wandelaars voorbijgaan, ziet men ze den kop wantrouwig opheffen en vijandig hun zwarten snuit vooruitsteken. Ook wentelen ze zich wel in het slijk der rijstvelden, een natte modder, die hun aangenaam schijnt aan te doen. Maar men moet oppassen met die beesten, want ze houden niet van Europeanen, en het is, of er in hen iets schuilt van den tegenzin van den overwonnene voor den overwinnaar, van den Hindoe voor den Engelschman.

Nu en dan treft men op de rustige, stille paden een winkel, gehouden door een Mopla of Moplay, zooals de Engelschen, of Maplet, zooals de Franschen hen noemen, dat is een mohammedaansche Malabaar met tulband, het mes in den gordel als al zijn geloofsgenooten, wachtend op de klanten, en het lijkt vreemd, dat er in deze begroeide eenzaamheid nog behoefte is aan koophandel. Maar wat zijn deze winkels dan ook eenvoudig! Wat specerijen, eenige trossen bananen, die aan het stroodak hangen, een beetje rijst, rijpe kokosnoten, ghee, dat is de boter van het land in een grooten aarden pot, dat is alles.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.