
Public-domain ebook
Een Broertje van den Beer
Language: nl2,182 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Essays, Letters & Speeches·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #20957.

Public-domain ebook
Language: nl2,182 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Essays, Letters & Speeches·Nature/Gardening/Animals
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #20957.
Dit werk is een verzameling van natuur‑ en gedragsobservaties van wilde dieren, geschreven door de Amerikaanse natuurbeschermer William J. Long in 1903. Het boek opent met een inleidende verklaring over de namen van vogels en andere dieren, ontleend aan de Milicete‑Indianen, en legt uit dat alle beschreven gebeurtenissen op eigen waarneming berusten, later bevestigd door andere onderzoekers. Vervolgens volgt een anekdotisch verslag over een beer die naast zijn dode partner staat, waarna Long een pleidooi houdt voor nauwkeurig veldwerk en het kritische denken over “instinct” en soortkenmerken. Het eerste hoofdstuk, getiteld “Een broertje van den Beer”, beschrijft een afgelegen bosgebied, een verlaten watermolen en een mysterieus ondergrondse ingang, waarin de auteur samen met een jong kind de sporen van een onbekend dier onderzoekt.
De stijl is die van een vroege twintigste‑eeuwse natuurhistoricus: plechtig, rijk aan beschrijvende details en doordrenkt met filosofische reflecties over de relatie tussen mens en natuur. Het taalgebruik is formeel, met lange zinnen en een mengeling van wetenschappelijke observatie en literaire verhalende toon. Lezers die geïnteresseerd zijn in klassieke natuurstudies, etnografische notities over inheemse volkeren, of in de vroege evolutiedebatten over gedrag en intelligentie bij dieren, zullen dit boek boeiend vinden. Het spreekt zowel de nieuwsgierige lezer als de meer analytische onderzoeker aan.
The opening · free to read
De vreemde namen, die hier voor vogels en andere dieren gebruikt worden, zijn afkomstig van de Milicete-Indianen, en geven gewoonlijk een geluid of een eigenaardigheid van 't beest zelf weer. Behalve daar waar het duidelijk anders vermeld wordt, zijn al deze gebeurtenissen, is al wat hier is waargenomen onder mijn eigen oogen geschied en later door andere waarnemers bevestigd. In de verhalen, waarin ik me stipt aan de feiten hield, heb ik eenvoudig getracht al deze dieren even belangwekkend voor den lezer te maken, als ze voor mij waren, toen ik ze ontdekte.
William J. Long.
Stamford, Connecticut, 1903.
HOE MEN 'T BEKIJKT.
Een oude Indiaan, dien ik goed ken, had eens een berin in zijn val gevangen. Dienzelfden dag was het mannetje van de berin gekomen en had geprobeerd den zwaarbevrachten stam, die op haar rug was gevallen en haar verpletterd had, weg te tillen. Toen hem dat niet gelukte, was hij door de omheining heengebroken, en toen de Indiaan op geruischlooze voeten aankwam, door een eigenaardig zoemen in de lucht gelokt, zat de beer naast zijn doode wijfje met haar kop in zijn armen klagend heen en weer te wiegen. Wie in onzen tijd over de natuur schrijft en eerst de dierenwereld wil begrijpen om zijn ontdekking daarna met anderen te deelen, moet twee dingen doen. Hij moet zijn feiten verzamelen, als 't kan uit de eerste hand, en dan deze feiten weergeven naar den indruk dien ze op eigen hoofd en hart maken, in het licht der omstandigheden waarmee ze omringd zijn. Het kind zal met zijn dierenverhaal tevreden zijn, maar de man zal stellig vragen naar 't hoe en waarom van elk feit uit het dierenleven dat hem bijzonder treft. Want elk feit is tevens een openbaring, en is vooral belangrijk, niet om zichzelf, maar om de natuurwet of het leven dat er achter schuilt en waar dat feit in zekeren zin de uitdrukking van is. Een appel die op den grond viel, dat was nog wel gewoon--zóó gewoon dat het niet de aandacht trok, tot iemand er eens over nadacht, en de groote wet ontdekte, die zoowel den vallenden appel als de vallende ster omvat.
Zoo gaat het ook in de dierenwereld. De gewone dingen, als kleur, afmeting en uiterlijk, waren al eeuwen opgemerkt, maar wekten weinig of geen belangstelling, totdat iemand er over ging nadenken en ons de wet over het ontstaan der soorten gaf. Van de meeste dieren zijn deze gewone dingen en hun beteekenis nu wel bekend, en het is een vervelende en ondankbare taak ze nog eens na te gaan. Het ontstaan der soorten en de wet der zwaartekracht worden nu gemakkelijk gerangschikt met de stoommachine en de telegraafdraad en andere dingen, die we meenen te begrijpen. Ondertusschen zijn er onzichtbare stroomingen in de lucht, die bereid zijn om onze boodschappen over te brengen, en de zon verspilt dagelijks zooveel kracht op onze domme planeet, dat al onze machinevuren er overbodig door zouden worden, wanneer we het maar begrepen. En ondertusschen liggen er in het dierenleven een eindelooze reeks van onbekende feiten verscholen, of komen langzamerhand aan het licht, doordat de natuuronderzoekers de dieren tot in hun eigen schuilhoeken volgen en ontdekken hoe hemelsbreed zij van elkaar, zelfs binnen dezelfde soort, verschillen, en hoe ver ze afwijken van de gewoonten, die hun toegeschreven worden in de boeken.
Wij zijn veel te lang tevreden geweest met de leelijke telegraafpalen en -draden als het toppunt van volmaaktheid in het verkeer; en we hebben veel te lang berust in het aangenomen feit dat de dieren door een vreemd, onbekend iets, instinct genoemd, worden beheerscht, en dat zij, die tot een zelfde groep behooren, allemaal hetzelfde zijn. Dit gaat echter slechts op wat het uiterlijk betreft. Het doet dienst om de dieren algemeene benamingen te geven, maar verder ook niet; en een dier zijn naam of de soort is toch de hoofdzaak niet. Ge zijt nog niet klaar met de Indianen, als ge hun ras en hun stam hebt vastgesteld. In een boek over ethnologie mag dit voldoende zijn; mogelijk was de Calvinistische godgeleerde daar eens tevreden mee; maar het leven van den Indiaan is er ook nog, van grooter beteekenis dan zijn ras; en pas na twee eeuwen van veronachtzaming, of vervolging, of onrecht, worden we wakker voor het feit dat zijn leven van het allergrootste belang is voor ons menschen. Zijn medicijnleer, zijn opvattingen omtrent God liggen dieper dan de ronding van zijn schedel; zijn legenden en zijn primitieve muziek moeten verklaard worden, even goed als zijn huidskleur; en wij beginnen nog maar pas de beteekenis van deze belangrijke dingen op te merken. Dit is slechts vergelijking en bewijst niets. Maar wanneer we er over nadenken, zou dit ons op de gedachte kunnen brengen, dat we ten opzichte van de dieren wel eens een dergelijke fout konden begaan hebben, dat we nog niet geheel met ze hebben afgehandeld, wanneer we "instinct" hebben geroepen en hun soorten genoemd; en niet volkomen vrij uitgaan, als we ze maar ijverig van den aardbodem uitroeien--zooals we eertijds gedaan hebben met de arme Beothuk-Indianen, om het kostbare bont dat ze droegen.--Onder hun vacht en hun veeren is hun leven; en eenige waarnemers beginnen te begrijpen dat ook hun leven, dat heel in de verte aan onze eigen prille jeugd doet denken, van het grootste belang is voor ons menschen. Sommige van die dieren maken plannen en berekeningen; en wiskunde, zelfs in haar eerste beginselen, is toch niet bepaald een zaak van instinct. Sommige leggen dammen en kanalen aan; sommige hebben bepaalde maatschappelijke verordeningen; sommige redden makkers die in nood verkeeren; sommige verbinden hun eigen wonden en zetten zelfs een gebroken poot met een kleiverband, dat steviger gemaakt wordt door er vezels of veeren in te werken. Alle hoogere soorten houden min of meer gedachtenwisseling met elkaar en oefenen hun jongen en wijzigen hun gewoonten om tegemoet te komen aan veranderde omstandigheden. Dit alles en nog veel meer, minstens even wonderbaarlijk, zijn ook feiten. We wachten nog op den bioloog, die ons werkelijk vertellen zal wat ze beteekenen.
Deze twee zaken--de nieuwe feiten en hun verklaring--hield ik in 't oog, toen ik deze verhalen uit mijn aanteekeningen en herinneringen uit de wildernis in elkaar zette. De feiten zijn zorgvuldig gekozen uit jarenlange waarnemingen, met de bedoeling om den nadruk te leggen op sommige ongewone of onbekende dingen uit de dierenwereld. Ja, bij al mijn werk, of liever uitspanning buitenshuis, heb ik het ongewone trachten te ontdekken, dat het karakter van een dier kenmerkt, en het beschrijven der algemeene gewoonten en het rangschikken in klassen aan andere natuurkenners overgelaten, die meer weten en het beter kunnen. Daarom heb ik wel honderd dieren overgeslagen om er éen te bestudeeren, en heb ik slechts de buitengewone waarnemingen vermeld, zooals er zelden gedaan worden, en dan nog alleen door menschen die dagen, jaargetijden lang in stille aandacht in de bosschen doorbrengen.
Of deze zeldzame gewoonten gemeengoed zijn onder de soorten, en ons slechts vreemd lijken, omdat we zoo heel weinig over 't verborgen bestaan der in 't wild levende dieren weten, of dat ze de vondst zijn van een heel enkel beest dat beter door de natuur begiftigd is dan zijn makkers, zal de lezer moeten uitmaken, want ik weet het niet. Onze uitspraak moet echter niet berusten op een theorie, of een vooroordeel, of vooringenomenheid; maar eenvoudig op een aandachtiger gadeslaan van de dieren, wanneer ze zich niet van de menschelijke nabijheid bewust zijn en zich dus natuurlijk uitdrukken. Ik mag er hierbij op wijzen dat ik zelden een waarneming gedaan heb, hoe ongelooflijk ze me op dat oogenblik ook toescheen, of vroeger of later trof ik een Indiaan, een "trapper", een natuuronderzoeker aan, die iets dergelijks onder 't wilde volkje had opgemerkt. De vindingrijkheid van de houtsnip, wier geschiedenis hier verhaald zal worden, is een van die gevallen. Ook het stekelvarken, dat een lange helling afrolde, alleen voor de grap klaarblijkelijk--een waarneming die tweemaal bevestigd is, eens door een strooper in Nieuw-Brunswijk en nog eens door een leeraar van Harvard. Evenzoo de wilde kat die mijn net stal, en de reiger, die kleine vischjes door uitgestrooid lokaas ving, en de vos die zich dood hield toen hij in een kippenhok gevangen werd, en de ijsvogels die een stilstaande plek in 't water vol voorntjes wierpen om ze door hun jongen te laten vangen, en de pad die had geleerd tegen melktijd op den hoef van een koe op de vliegen te zitten wachten. Het zou wel eens kunnen zijn dat al deze, en nog een massa ongelooflijke dingen meer, door verschillende waarnemers op verschillende plaatsen gezien, aantoonden dat verstand onder de boschbewoners meer algemeen verspreid is, dan wij verondersteld hadden; en dat wij, wanneer wij onze oogen verder openzetten en onze vooroordeelen overboord geworpen hebben, zullen merken dat de natuur mild is met haar gaven en gunstbewijzen, zelfs voor het kleine goedje.
Wat de verklaring der feiten betreft, waar ik me zoo nu en dan aan gewaagd heb--die is geheel van mezelf en is van ondergeschikt belang naast de andere. Haar beteekenis is zuiver persoonlijk en ik heb haar meer meegedeeld om den lezer zelf aan het denken te brengen, dan om zijn vragen te beantwoorden. In het hart van elken mensch zal de maatstaf voor zijn wereld gevonden worden, om het even of die groot is of klein. Hij zal de warmte beoordeelen, niet naar een wiskundige berekening van de kracht der zon, maar naar de pijn van den vinger dien hij gebrand heeft, zooals elk ander kind; en de wet van den tegenstand begrijpen, niet uit Ganots verhandeling, maar wanneer hij aan zijn eigen schoenriemen trekt. Zoo zal hij, met alle nieuwe verschijnselen uit het dierenleven vóór zich, toch in een wereld van raadselen leven en niets begrijpen, tenzij hij den moed heeft, in zijn eigen hart te kijken en te lezen.
EEN BROERTJE VAN DEN BEER.
Weinigen kennen den weg naar het huisje in de rotsen, waar het Broertje van den Beer woonde. Het was mijlen ver van eenig ander huis op één na, in het hartje van de groote, stille bosschen. Je moest den grooten weg verlaten, waar deze een koele, donkere vallei indook tusschen de dennen, en een verlaten ouden weg volgen, dien de houthakkers 's winters gebruikten, en deze leidde je, als je hem ver genoeg volgde, naar een ouden, vervallen watermolen aan nog weer een zijweg, waar de beek den heelen, langen dag babbelde en lachte tegen het vergane rad, en de phoebe [2] ongehinderd onder de doorgezakte balken bouwde, en je soms in de schemering een forel kon hooren springen tusschen de schuimbellen. Maar zoo ver ging je niet, als je er achter wou komen waar het Broertje van den Beer woonde.
Wanneer je den boschweg volgde, kwam je plotseling aan een kleine open plek met een beek en een wild weitje en een overhangende rots, geheel met varens bedekt. De weg kronkelde hier, zooals een weg altijd doet wanneer hij langs een mooi plekje komt, alsof hij nog eens omkeek. Er stond een oud huisje onder de overhangende rots, waar een paar schuwe, stille kinderen woonden; en dit was de eenige menschelijke woning aan den weg, drie mijlen ver. Vlak er achter, op een punt waar het kreupelhout het dichtst groeide, sloop onopgemerkt een karrepad van den boschweg af en bracht je naar een meertje in de groote bosschen, op een plaats waar eeuwen geleden de bevers een dam hadden gemaakt en een kolk om hun hout 's winters weg te bergen. Wanneer je een langen stok nam en hier diep in de modder wroette, kon je soms een afgeknaagd stuk vinden van het hout, dat den bever tot voedsel diende, waarvan de kegelvormige uiteinden duidelijk de indrukken van de sterke tanden vertoonden en de bast nog versch was, als wachtte ze om opgegeten te worden wanneer de kleine eigenaar terug zou komen; want daarvoor knaagde hij 't af en borg hij 't op, tallooze jaren geleden. Maar heel weinigen hebben daar echter ooit aan gedacht; zij die op deze plek kwamen wijdden al hun aandacht aan de katvisch [3] die krioelde in de oude voorraadschuur van den bever en die goed beet op donkere dagen. Om den heelen, ouden dam heen en aan weerskanten van de boschrijke vallei stroomaf liep een rotswand; en tusschen de mossige met varens bedekte rotsen van dien wand wees een van de schuwe kinderen, met wie ik vriendschap had gesloten, me een boogvormigen doorgang, die gevormd werd door twee groote, tegen elkaar leunende steenen.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.