Public-domain ebook
De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Language: nl390 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24630.
Public-domain ebook
Language: nl390 downloads on Project Gutenberg
Subjects
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24630.
The opening · free to read
Wat Gil Blas en zijn metgezellen deden, na den graaf de Polan te hebben verlaten; van het gewichtige plan, dat Ambrosius vormde, en op welke wijze het werd uitgevoerd.
Nadat de graaf de Polan ons nogmaals verzekerd had, dat wij steeds op zijn dankbaarheid zouden kunnen rekenen, riep hij den waard, om hem te raadplegen over de middelen veilig in Turijn te komen, waar hij plan had heen te gaan. Wij verlieten het hotel en sloegen den weg in, dien Lamela koos.
Na twee uren begon het dag te worden en kwamen we te Campillo aan. We trokken door de bergen, die tusschen dit dorp en Requena liggen. Overdag rustten wij en telden onze geldmiddelen, die zeer versterkt waren door den inhoud van de zakken der roovers, want men had niet minder dan driehonderd pistolen bij hen gevonden. Tegen den avond begaven wij ons weer op weg en den volgenden morgen betraden wij den bodem van het koninkrijk Valencia. In het eerste bosch besloten wij rust te houden. In de schaduw van de boomen en bij een beek met kristalhelder water, vleiden wij ons neer; maar, toen wij wilden gaan ontbijten, bemerkten wij, dat we maar zeer weinig levensmiddelen meer hadden en onze wijnzak was reeds een lichaam zonder ziel geworden. "Mijne heeren," zei Ambrosius, "de schoonste plaatsen bekoren niet zonder Bacchus en zonder Céres. Ik meen, dat wij vandaag provisie moeten inslaan en zal daarvoor naar Xelva gaan, een lieve stad en niet meer dan twee mijlen ver." Hij sprong weer te paard en reed snel weg, zoodat we hem spoedig terug verwachtten.
Maar de halve dag verliep en wij wachtten tevergeefs. Toen de avond begon te vallen en wij reeds ongerust begonnen te worden, zagen wij hem eindelijk belast en beladen aankomen. Behalve wijn, brood en gebraden wild, had hij een groot pak met kleeren op zijn paard, waarnaar wij met aandacht keken. Hij bemerkte het en zei glimlachend: "Mijne heeren, ge bekijkt die met verwondering en ik kan dat begrijpen, ik zal u laten zien, wat dit pak inhoudt en geef u te raden, waartoe dat alles moet dienen." Hij vertoonde achtereenvolgens een toga, een jas, een wambuis, een grooten inktkoker, een boek, wit papier, een hangslot en een groot zegel van groen lak.
Don Raphaël zei, dat hij er niet aan twijfelde of Ambrosius had goede inkoopen gedaan, maar hij vroeg, waar dat alles toe moest dienen.
Ambrosius antwoordde: "Al die zaken hebben mij met elkaar zes pistolen gekost en ik ben er zeker van, dat zij ons minstens vijfhonderd zullen opbrengen. Ik ben er de man niet naar om mijn geld aan nuttelooze zaken te besteden. Ik heb een plan gevormd, een plan, dat ontegenzeggelijk een van de vernuftigste is, dat ooit in een menschelijk brein is opgekomen. Gij zult er over oordeelen, want ik zal het u meedeelen en ik ben er zeker van, dat gij het prachtig zult vinden."
"Nadat ik brood had ingeslagen, ging ik naar een kok, waar ik last gaf, dat men voor mij aan het spit zou steken zes patrijzen, evenveel kuikens en jonge konijnen. Terwijl men het vleesch braadde en ik daarop zat te wachten, kwam er een man binnen, die zeer uit zijn humeur was en zich bij den kok beklaagde. Hij riep: "Samuel Simon is de grootste stommeling van alle winkeliers in Xelva. Hij heeft mij in zijn vollen winkel beleedigd. De vlegel heeft mij crediet geweigerd voor zes el laken. En toch weet hij heel goed, dat ik een soliede handwerksman ben en dat hij door mij geen schade zal lijden. Aan personen, die eenigszins deftig zijn, levert hij graag op crediet, maar met een eerlijk burger durft hij niets wagen! Wat een vervloekte jood! Ik hoop, dat hij eens goed zal worden beetgenomen, daar zullen velen pleizier in hebben."
Terwijl ik dien man zoo hoorde spreken, kwam het plan bij mij op, om hem te wreken en eens een grap uit te halen met Samuel Simon. "Mijn vriend," zei ik, "welk karakter heeft de man, van wien gij spreekt?" "Een zeer slecht karakter," kreeg ik ten antwoord, "hij is een woekeraar van het ergste soort, hoewel hij den schijn aanneemt van een eerlijk man te zijn. Het is een jood, die katholiek geworden is, maar in zijn ziel is hij nog een jood en alleen uit eigenbelang is hij van geloof veranderd."
Nadat ik nog het een en ander omtrent Samuel Simon had gehoord, ging ik zijn winkel eens opnemen en verzon toen een schelmenstreek, den bediende van mijnheer Gil Blas waardig. Daarna bezocht ik een uitdrager, waar ik deze zaken kocht; de kleeren zijn noodig voor een inquisiteur, een griffier en een gerechtsdienaar. Dat is alles wat ik gedaan heb en wat mij opgehouden heeft."
Don Raphaël toonde zich verrukt over de comedie, welke men zou gaan spelen. "Het plan is uitstekend!" riep hij, "en over de uitvoering behoeft ge u niet ongerust te maken. Gij hebt behoefte aan twee goede acteurs, die u ter zijde staan en die zijn gevonden. Ge hebt zelf een vroom uiterlijk, uitstekend geschikt voor een inquisiteur, ik zal den griffier voorstellen en mijnheer Gil Blas zal wel zoo goed willen zijn voor gerechtsdienaar te spelen. Zoo zijn de rollen goed verdeeld, morgen zullen wij het stuk spelen en voor het succes sta ik in."
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik het plan, dat don Raphaël zoo schoon vond, niet goed begreep, maar onder het souper bracht men mij op de hoogte en het scheen mij een vernuftige streek. Nadat wij het gebraad en den wijn behoorlijk hadden toegesproken, strekten wij ons op het gras uit en sliepen weldra in. Maar onze slaap duurde niet lang. Nog in den nacht kwam de onverbiddelijke Ambrosius ons roepen. "Opstaan, opstaan!" riep hij; "menschen, die voor de uitvoering van een groote onderneming staan, mogen niet lui zijn."
"De duivel hale je, mijnheer de inquisiteur, wat zijt ge vroeg!" riep don Raphaël. "Dat moet wel, mijnheer de griffier," zei de andere, "ik heb vannacht gedroomd, dat ik den jood de haren uit zijn baard rukte. Is dat niet een slechte droom voor hem?"
We gingen in een opgewekte stemming ontbijten en begonnen ons daarna te verkleeden. Er werd door ons nogal wat tijd daaraan besteed en wij zagen er uit als de personen, die wij wilden voorstellen, daarna liepen wij tot het einde van het bosch en rustten daar weder geruimen tijd, om tegen schemerdonker de poorten van de stad binnen te gaan, waar we nu vlakbij waren.
Onze paarden lieten wij in het bosch achter bij don Alphonse, die tot zijn groote tevredenheid geen andere rol in het stuk speelde. We gingen niet dadelijk naar Samuel Simon, maar eerst naar een herberg, dicht bij zijn huis. Mijnheer de inquisiteur liep vooruit, trad binnen en zei op ernstigen toon tot den waard: "Ik wenschte u alleen te spreken, ik heb u eenige vragen te doen over een zaak, betreffende den dienst van de inquisitie en dus zeer gewichtig." De waard bracht hem in een zaal en toen Lamela zag, dat wij alleen met hem waren, zei hij: "Ik ben commissaris van den heiligen dienst." Bij die woorden verbleekte de herbergier en zei met bevende stem, dat hij aan de heilige inquisitie geen reden meende te hebben gegeven om zich over hem te beklagen. Ambrosius zei op zachten toon, dat men er ook niet aan dacht, om het hem moeilijk te maken en hij vervolgde: "De inquisitie is gestreng, maar altijd rechtvaardig. Hoezeer ook klaar om te straffen, met God's hulp verwart zij toch niet schuld en onschuld. In één woord: om gestraft te worden, moet men schuldig zijn. 't Is niet voor u, dat ik naar Xelva gekomen ben, maar voor zekeren koopman, Samuel Simon. Er is ons een zeer slecht rapport omtrent zijn gedrag toegekomen. Hij is, zegt men, nog altijd jood en heeft het Christendom alleen aanvaard uit berekening. Uit naam van den heiligen dienst vraag ik u mij mee te deelen, wat ge van dien man weet. Wacht u er voor, hem als buurman en misschien als vriend te willen verontschuldigen, want ik verklaar u, indien ik dat merk, zijt ge evengoed verloren als hij. Schrijf griffier."
De griffier, die zijn papier en inktkoker reeds in de hand hield, ging aan een tafel zitten en maakte zich met het ernstigste gezicht van de wereld gereed om de antwoorden op te schrijven van den waard, die levendig betuigde dat hij aan de waarheid niets te kort zou doen.
"Antwoord mij alleen op mijn vragen, iets anders verwacht ik van u niet."
"Ziet gij Samuel Simon dikwijls de kerk bezoeken?" "Daar heb ik niet op gelet," antwoordde de waard, "ik herinner mij niet, hem bij ons in de kerk te hebben gezien." "Goed. Schrijf, dat men hem nooit in de kerk ziet." "Dat heb ik niet gezegd, mijnheer," riep de herbergier, "ik heb alleen gezegd, dat ik hem bij ons niet gezien heb, misschien gaat hij ergens anders of op een anderen tijd dan ik."
"Mijn vriend, ge vergeet, dat ge bij dit verhoor Samuel Simon niet moogt verontschuldigen: de gevolgen daarvan heb ik u meegedeeld. Ge moet mij mededeeling doen van de zaken, welke tegen hem getuigen."
"In dat geval," antwoordde de waard, "zal mijn getuigenis u van zeer weinig waarde zijn. Ik ken dien koopman bijna niet en kan dus niets goeds en evenmin iets kwaads van hem zeggen; maar als gij weten wilt hoe hij in zijn levenswandel is, dan zal ik Gaspard, zijn knecht, hier roepen. Die jongen komt dikwijls 's avonds hier met zijn vrienden. Hij is welbespraakt en zal u alles zeggen van zijn meester, wat ge weten wilt. Uw griffier zal de handen vol aan hem hebben."
"Voor uw openhartigheid ben ik u erkentelijk," zei Ambrosius, "het is ook een bewijs van godsdienstigen ijver, dat gij me een man aanwijst, die op de hoogte is van de gewoonten van Simon. Ik zal dat aan de Inquisitie overbrengen. Haast u om dien Gaspard op te zoeken, maar behandel die zaak zoo geheimzinnig mogelijk en zorg, dat vooral zijn meester niets bemerkt van hetgeen er gebeurt."
De herbergier kweet zich spoedig van zijn opdracht en bracht den knecht.
"Mijn zoon, wees welkom," zei Lamela, "ik ben inquisiteur en aangewezen om een onderzoek te doen naar Samuel Simon, die beschuldigd wordt den Judas te spelen. Gij woont bij hem en zijt getuige van de meeste van zijn daden. Ik geloof niet, dat het noodig is u te zeggen, dat ge verplicht zijt mij alles mee te deelen wat gij weet, indien ik u dat beveel namens de heilige inquisitie."
"Mijnheer," antwoordde de jongen, "ge zoudt u moeilijk tot iemand kunnen richten, die beter in staat is om u in te lichten dan ik het ben. En ik zal aan uw wensch voldoen, ook zonder dat ge het namens de heilige inquisitie beveelt. Indien men, mijnheer, mijn meester voor het geval stelde, waarin ik nu verkeer, ben ik zeker, dat hij mij niet zou sparen en ik ben ook niet van plan het hem te doen. Ik zal dan maar beginnen met u te zeggen, dat hij een snuiter is, van wien men moeilijk de geheime gevoelens leert kennen, want naar buiten neemt hij allen schijn aan van een halve heilige te zijn, terwijl hij in den grond van zijn hart een groote deugniet is. Iederen avond gaat hij naar een kleine grisette...."
"Het is goed, dat ge mij dit zegt," viel Ambrosius hem in de rede, "en ik bemerk uit hetgeen ge zegt, dat hij een man van slechte zeden is, maar geef mij niet anders dan een juist antwoord op de vragen, die ik u zal doen. Het is voornamelijk op het stuk van den godsdienst, dat ik belast ben mijn onderzoek in te stellen. Zeg mij of er wel eens varkensvleesch bij u wordt gegeten?"
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.