Public-domain ebook
Ontboezemingen
Dutch411 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24675.
Public-domain ebook
Dutch411 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #24675.
The opening · free to read
Bladz. BEREISDE LIEDEN 3. AFSCHEID 17. AAN DE NOORDZEE 20. EEN EERSTE STORM 25. PORTSMOUTH BINNEN 41. LONDON-BRIDGE 48. IN »POETS-CORNER" 51. IETS OVER DE ENGELSCHEN 56. RUZIE AAN BOORD 70. EEN KERSDAG 76. ONDER DE LINIE 81. DILETTANTISME 86. KOMEDIE-SPELEN 103. EEN DROOM 107. OM DEN ZUID 116. EEN SCHEEPSTAFEL 123.
DE SLAMAT.
Bladz.
ONTBOEZEMING VAN EEN »AMBTENAAR TER BESCHIKKING" 131.
MINNEBRIEVEN.
AAN NONNA FLORA 163. AAN TITANIA 169. SUZE 175.
EEN BLIJSPEL.
DE GETERGDE ZACHTMOEDIGHEID, OF, »'T SOP WAS DE KOOL NIET WAARD" 181.
BEREISDE LIEDEN.
EEN PROLOOG.
Strange! quoth I, debating the matter with myself, that one-and-twenty miles sailing, should give a man these rights.--
STERNE.
Hebt ge wel eens een neef, of broêr, of vriend van een eerste zeereis zien t'huiskomen? Hebt ge, wanneer 't verdoolde schaap per Zierikzeesche boot zou arriveren, hem in dat Zeeuwsche stedeken opgewacht, en van dáár 't trajekt tot Rotterdam met hem zamen gemaakt?
Zóó iets deed ik onlangs.
De boot slingerde een weinig--doch mijn bereisde neef op 't achterdek aan 't wandelen, om te toonen hoe zeevast hij op de beenen stond. 't Was gloeijend heet--maar onverstoorbaar hield zich onze held buiten de beschuttende zonnetent, opdat 't middagvuur nog een laatste hand mogt leggen aan de roode kleur van gelaat en handen, waarop hij zoo trotsch was. Straks ging hij zitten--niet, gelijk een gewoon mensch, op een bank of krukje--neen, met roekelooze gratie zette zich de waaghals op 't ijzeren hekje naast de raderkast, en verrigtte er de ijzingwekkendste evolutiën, om toch een iegelijk de overtuiging te schenken, dat hij niet over boord vallen kon. Maar hij had geen rust: zijn koffers moesten nagezien worden: zijn koffers, waarop met enorme letters de namen van Batavia, Samarang, Tagal en Brouwershaven prijkten; een gesp werd losgemaakt en weêr aangetrokken, een touw werd versjord:--want men moest 't weten, dat die koffers met die uitheemsche etiquetten hem toebehoorden!--Aan de stad genaderd, kamde mijn brave zich den haveloozen vlasbaard wat uit, trok een norsch, regt cosmopolitisch gezigt, gaf zich zooveel mogelijk 't woeste air van een pas geretourneerden Marco Paolo, en stapte aan wal met den zwaaijenden gang van een op zee gewonnen en getogen zeebonk.--In zijn moeders woning geïnstalleerd, behield hij nog geruimen tijd de hebbelijkheid, van net te doen alsof hij in zijn geboortestad den weg niet meer kende; ja, wel een jaarlang ná zijn terugkomst, bleef hij, tot groot ongerief der huisgenooten, een gedecideerde antipathie aan den dag leggen tegen aardappelen, groenten, en dergelijke "Hollandsche burgerkosten"; terwijl hij zich schadeloos stelde door 't gebruik van aanzienlijke hoeveelheden drooge rijst, die hij, in de oogen zijner verbaasde medeaanzitters, oneetbaar maakte door toevoeging van curry, lombok, sambal, trassi, en meerdere zulke stankverspreidende ingrediënten, van wier genot--hoewel hij slechts weinig maanden in Indië had doorgebragt--hij gemoedelijkweg verzekerde, zijn maag niet meer te kunnen spenen.
Vroeg men dien neef van mij, wat hij eigenlijk op zijn togten alzoo gezien had--dan wist hij bitter weinig meê te deelen.
In 't eerst verwonderde mij dit, en vond ik 't zooveel te belagchelijker in hem, dat hij roemen dorst op een bereisdheid, waarvan hij blijkbaar zóó weinig vruchten had geplukt.
Sedert ik echter zelf een uitstapje naar Java volbragt, leerde ik op 't humaanst den onschuldigen reizigerstrots van mijn goeden neef verklaren, en tevens de onmogelijkheid waarin hij zich bevond, om op de tallooze tot hem gerigte vragen steeds belangwekkende en romaneskklinkende antwoorden te geven.
Er zijn er onder de landmenschen, die zich voorstellen, dat men op zoo'n zeereisje--naar Oost-Indië b.v.--al magtig veel te zien krijgt, en die u zonder schromen--gelijk wij onzen neef--voor stompzinnig en gevoelloos zullen uitmaken, wanneer ge, t'huiskomend, hun niet een menigte curieuse bijzonderheden kunt opdisschen. »Vertel ons toch--roepen ze--: hoe ziet de zee er uit; hoe hoog zijn de golven; wat eet men aan boord; ontmoet men soms zeeslangen en meerminnen; zijn de zilte wateren groen of blaauw gekleurd; heeft men ook last van kakkerlakken; braakt een vulkaan werkelijk rook en vlammen uit; is een haai heuschelijk zoo'n bloedgierig beest; speelt zoo'n scheepskapitein niet erg den bully; en is 't waar, dat damespassagiers altoos 't eerst aanleiding geven tot krakeelingen--?"--Andere daarentegen, zijn van meening, dat de drie of vier maanden aan boord doorgeworsteld, niet anders kunnen opleveren, dan een vagevuur tusschen waken en slapen, bestaan en niet bestaan: een polaire winter voor ligchaam en geest, waarin geen zon verrijst dan 't noorderlicht van eten en drinken, en gedurende welken de mensch niet verstandiger zou kunnen doen, dan oogen en ooren sluiten, en in een beerehuid kruipen, om te slapen en zich op de duimen te zuigen.
De ware opvatting ligt ook hier, gelijk elders, in 't midden.
Zij, namelijk, die verwachten, op zee iets anders te zullen aanschouwen dan lucht en water, moeten zich, uit den aard der zaak, jammerlijk bedrogen vinden.--Voor den schilder, den dichter, den natuurminnaar, steekt in die woorden, lucht en water, een schat van onuitputtelijk schoon: zóó iemand ziet dan ook op zee veel meer, dan penseel of pen zouden kunnen teruggeven.--Doch wee hem, die, door een alledaagschen reis- en kijklust aangespoord, de bevrediging zijner manie op den breeden oceaan zou willen zoeken--: die man zal zich gruwelijk vervelen, en zijn domheid verwenschen, dat hij de vette weilanden en omwilgde slootjes van Holland verliet, om te gaan staren, dagen, weken, maanden lang, op een graauwen waterplas, voor hem zoo doodsch en onbewoond, als de wolken die er óver drijven.
Vooral op de reis van Holland naar Java beklaagt zich de min diepzinnige passagier over de weinige afwisseling, die de togt hem biedt.--Gedurende 't zeilen van Indië naar huis, ontmoet men verscheiden malen land, en doet 't somwijlen aan. Men passeert dan altijd 't Kaapland digt genoeg, om op 't Kaapsche rif naar kabeljaauw te kunnen angelen, en, onder 't kruisen, de sombere, in stormen gehulde bergen van Afrika's uithoek te kunnen bespieden; te St. Helena neemt 't schip gewoonlijk water in, en hebben de reizigers dus gelegenheid, om--'t zij mét of zonder behulp van den Engelschen sherry--in geestdrift te geraken bij 't leêge graf van den Corsicaanschen gier; kort daarop stuurt men Ascension rakelings voorbij; en krijgt ten slotte, als men niet tusschen de Hesperiden doorloopt, vaak nog een bergtop van de Azoren in 't oog.--Op de heenreis echter--als men ze voorspoedig maakt--geen zweem van dat alles. Juist, wanneer 't den nieuweling zoo aangenaam zou zijn: als hij slechts uitkijkt naar een ijsberg, een vulkaan, een onbewoond eiland--des noods een zaagvisch of cachelot--om zijn stervend dagboek met bladen vol schilderachtige beschrijvingen te verrijken----juist dan, niets van dat alles! Een armzalige haai, een verdwaalde walvisch, een kudde blazende »botskoppen", een vliegend vischje, een troep bruinvisschen of bonieten, wat albatrossen, »dominees", »bootsluî", »kleêrmakers", zwaluwen, Kaapsche duiven en boebi's[1]----nu ja, die visschen- en vogelwereld had hij zich kunnen voorstellen. Land wil hij zien: hooge bergen, verre kusten! Hij benijdt den Sindbad van vorige eeuwen, die, door schraalheid van water en proviand, genoodzaakt werd, nu en dan 't anker neêr te laten; hij zou een ligten aanval van scheurbuik zegenen, waardoor 't binnenloopen in een verafgelegen haven onvermijdelijk werd; en hij bidt om een goedig orkaantje, dat zijn schip, met behoud van volk en lading, aan de kust van la Plata of Madagascar zou vastzetten. Te vergeefs tuurt hij aan den horizon naar Teneriffe's spitse piek; te vergeefs tracht zijn binocle de nevelen te doorboren, die de tuinen der Gelukkige Eilanden wreedelijk omsluijeren; 't bestaan van St. Helena blijft voor hem, niet minder dan dat van 't meer Kinibaloe, een punt van blind geloof; de Tafelberg eindelijk, weet hij, vertoont zich even zoo weinig als de Man in de Maan; en, »na zooveel leed en ommezwerven", zal hij zich niet mogen verheugen in den aanblik van zijn natuurlijk element, vóór zijn 't rondzien ontwend oog zich verkwikken zal aan 't donkergroen der eilanden, die sluimeren in Straat Soenda's schoot--als smaragden, los gestrooid in een bekken van kristal.
----Halt, jongeling--strijk uw wieken, wisch u 't dichterlijk angstzweet van de slapen! die Pegasus-ridjes naar 't verhevene maken doorgaans den ongelukkigen jockey tot een Icarus, en laten, per slot van rekening, den aanschouwer zoo koud als een Uranusbewoner!
Ik antwoord u, o dichtlievend lezer, met de--woorden van een ander, zeer groot dichter--:
»--------------'t is wel verheven, Altans, bij storm! doch ik verkoos de lieve dreven Der aarde in zoo'n geval. 't Verheevne wordt ook vrij Eentoonig ras, op zee, als in de poëzij."
Wanneer men voor 't eerst aan boord stapt, voelt men zich vervuld van een kostelijk enthousiasme voor al wat golft en al wat drijft: men zou de peregrinaties van een notedop in een stroopflap kunnen vereeuwigen. Getrouwelijk beschrijft men dan ook een eersten storm, mitsgaders de poëtische gewaarwordingen, die zoo'n phenomenon in 's menschen boezem doet ontbranden.
Edoch, zoodra men eenmaal de stereotype termen van: klepperende touwen, loeijende vlagen, schuimende wateren, donderende stortzeeën, ratelende bliksemslagen, en wat dies meer zij, in behoorlijke volgorde heeft opééngestapeld--ontwaart men, tot zijn niet geringe spijt, dat van een zoo grootsch natuurverschijnsel weinig anders te bezingen overblijft, dan de veelmeer in 't oog vallende kleine jammeren, die er onvermijdelijk uit voortvloeijen, en die alras den rijksten schat van poëzie doen verkeeren tot een hoopje druipend, bibberend, diep ongelukkig proza--: als daar zijn: zeezieke heeren, zieltogende dames, benaauwde hutten, door lekwater bedorven beddegoed, gebroken wijnglazen, omgesmeten soepterrienen, druipnatte matrozen, gemelijke stuurlui, ongenaakbare kapiteins, en dronken hofmeesters met builen op 't hoofd.
Van dáár dan ook, dat geen stormbeschrijving ooit zóó treffend en waarachtig gegeven is, als die van den Schoolmeester: want waarlijk--hoe grootsch en verheven een onstuimige zee den landbewoner, die haar van rots of duin overziet, moge toeschijnen--van een schip bekeken, levert ze, met al haar bovengemelden stoet van rampen, zelfs den stoutstgewiekten hoogvlieger zóó weinig stof tot geestverheffing, dat de enthousiast, die haar met woorden prijzen wil, daartoe geen veiliger weg kan inslaan dan dien van een aangename parodie. En, wat 't onmogelijke en onwaarschijnlijke van zoo'n geparodieerde schilderij betreft--men geloove mij, dat zelfs 't dansen van quadrilles met de inboorlingen van een onbewoond eiland, in werkelijkheid minder onwaarschijnlijk is, dan de vervoering, waarin sommige jeugdige dagboekschrijvers voorgeven te geraken, wanneer ze van door hen bijgewoonde stormen een tafereel gaan ophangen.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.