Public-domain ebook
De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven
Language: nl428 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Plays/Films/Dramas·Classics of Literature·British Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #29359.
Public-domain ebook
Language: nl428 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Plays/Films/Dramas·Classics of Literature·British Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #29359.
The opening · free to read
TOONEEL I.
Venetië. Een Straat.
ANTONIO, SALARINO en SOLANIO komen op.
ANTONIO: 'k Weet waarlijk niet waarom 'k zoo somber ben, Ik vind het lastig, en dat vindt gij óók; Maar hoe ik 't opdeed, er aan kwam, of 't kreeg, Waarvan 't gemaakt is, waaruit het ontstond, Dat weet ik niet; En tot zóó'n domoor maakt dat somb're mij, Dat met den besten wil 'k mijzelf niet ken.
SALARINO: Uw zinnen zwalken op den oceaan, Waar uw galjoenen met hun statig zeil, Signors en rijke burgers van den vloed, Of, als het ware, pronksieraân der zee, Zien boven 't hoofd der kleine schepen uit, Die voor hen buigen, en hun hulde doen, Voorbij hen vliegend op geweven wiek.
SOLANIO: Had ik zoo'n risico op zee, Mijnheer, Voorwaar het grootste deel van mijn gemoed Zou bij mijn verre hoop zijn. 'k Plukte steeds Grasjes om 't waaien van den wind te zien, Op kaarten tuurde ik om te weten waar Er havens, kaden, reeden konden zijn, En ieder voorwerp dat mij vreezen deed Voor wat op zee ik waagde, 't zou gewis Mij somber maken.
SALARINO: Als 'k mijn soep koud blies, Dan gaf mijn adem mij de koorts, wen 'k dacht Welk kwaad te harde wind op zee kon doen. Ik zag het zand niet door het uurglas gaan, Of 'k dacht aan banken en aan ondiepten, En 'k zag mijn rijke "Andries," met dek in 't zand, De mastpunt lager buigend dan het boord, Haar grafplaats kussen. Ging ik naar de kerk, En zag ik 't heilige gebouw van steen, Dacht 'k aanstonds niet aan rotsen vol gevaar, Die slechts de zijde rakend van het schip, Zijn specerij zou strooien op den stroom, Het brullend nat bekleeden met mijn zij, En, in één woord, zooeven zóó veel waard, Nu niets meer waard? Komt de gedachte in me op Hieraan te denken, denk ik dan ook niet Dat zulk een ramp mij somber maken zou? Zeg mij maar niets; 'k weet het, Antonio Is somber, denkend aan zijn handelswaar.
ANTONIO: Neen, zeker niet. 'k Dank mijn geluk er voor Dat mijn fortuin niet op één bodem rust, Noch op één plaats; noch hangt mijn gansch bezit Van 't slagen af in 't tegenwoordig jaar; Mijn handelswaar maakt mij dus niet bedrukt.
SALARINO: Welnu, dan zijt ge vast verliefd.
ANTONIO: Foei, foei!
SALARINO: Oók niet? Komaan, dàn zult ge somber zijn, Wijl gij niet vroolijk zijt; 't ging even goed Te lachen en te dansen en te zeggen "'k Ben vroolijk," omdat gij niet somber zijt. Bij den tweehoofd'gen Janus,[1] de natuur Heeft vreemde kwanten nu en dan gevormd: De een tuurt voortdurend door zijn wimpers heen, Lacht, als een papegaai, bij 'n doedelzak, En de ander heeft zoo'n zuur azijngezicht, Dat hij zijn tanden nooit ten glimlach toont, Schoon Nestor[2] zwoere op de aardigheid der grap.
BASSANIO, LORENZO en GRATIANO komen op.
OLANIO: Daar komt Bassanio, uw eed'le neef, Gratiano, en Lorenzo. Vaart gij wel: Veel beter is 't gezelschap dat u zoekt.
SALARINO: 'k Wou blijven tot ik u wat blijder zag, Maar waard'ger vrienden zijn mij vóór geweest.
ANTONIO: Uw waarde wordt zeer hoog door mij geschat, 'k Vermoed, uw eigen zaken roepen u, Gij neemt de kans dus waar on heen te gaan.
SALARINO: Ik groet u, waarde Heeren.
BASSANIO: Wel Signors, wanneer lachen wij weer eens? Gij wordt ons bijster vreemd; moet dat zoo zijn?
SALARINO: Gij moogt beschikken over onzen tijd.
SALARINO en SOLANIO af.
LORENZO: Mijnheer Bassanio, nu ge Antonio vondt, Verlaten wij u, maar onthoud toch goed Waar wij bij 't maal elkaâr weer zullen zien.
BASSANIO: 'k Zal stellig bij u zijn.
GRATIANO: Gij ziet er niet goed uit, Antonio, Gij zijt te veel bezorgd om 's werelds goed: Wie 't met veel zorgen koopt, verliest het weer, 'k Verbaas me, zooals gij veranderd zijt.
ANTONIO: 'k Beschouw de wereld slechts zooals zij is; Als een tooneel, waar elk zijn rol op speelt, De mijne is droef.
GRATIANO: Geef mij dan die van nar. Laat de oude rimpels komen met gelach En scherts, en gloei' mijn lever eer van wijn, Dan dat mijn hart door kommerlijk gekreun Bekoele. Waarom zou een man, wiens bloed Warm in hem is, daar zitten als zijn grootvaêr Gehouwen in albast?[3] en als hij waakt Gaan slapen? of de geelzucht op zijn lijf Door kniezen halen? Hoor nu eens, Antonio,-- Ik ben uw vriend, en vriendschap leidt mijn taal;-- Daar is een soort van menschen, wier gelaat Gelijk een stille vijver is bedekt, En die halsstarrig zwijgen, met het doel Om zich een dunk te geven van te zijn Vol wijsheid, ernst en diepe peinzerij; Alsof zij zeggen: "'k Ben Mijnheer Orakel, Geen hond mag blaffen, als ik spreken ga." O, mijn Antonio, ik ken ze wel, Die slechts voor wijs gehouden worden, wijl Zij nooit iets zeggen, en wier taal gewis De ooren bijna verdoemen zou, die 't hoorend, Tot hunne broeders zeggen zouden: "Dwaas!"[4] 'k Vertel u op een and'ren tijd nog meer: Maar visch niet met dit aas, melancholie, Naar dezen mallen spiering, dezen dunk,[5]-- Kom nu Lorenzo.--Vaar intusschen wel; Na 't eten krijgt ge 't slot van mijn vermaan.
LORENZO: Nu, wij verlaten u tot etenstijd. 'k Moet een van die stom-wijze menschen zijn, Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.
GRATIANO: Nu, ga nog slechts twee jaren met mij om, Dan kent ge uw eigen stemgeluid niet meer.
ANTONIO: Vaarwel: 'k word ook een prater als 'k u hoor.
GRATIANO: Mijn dank: op zwijgen wordt dan ook alleen gehoopt Bij ossetong en 't meisje dat zich niet verkoopt.
GRATIANO en LORENZO af.
ANTONIO: Heeft dat nu iets te beteekenen?
BASSANIO: Gratiano spreekt een ontzaglijke hoop niets, meer dan iemand in heel Venetië. Zijn verstandige woorden zijn als twee korrels tarwe verborgen in twee schepels kaf; ge moet den ganschen dag zoeken eer ge ze vindt; en als ge ze hebt, zijn ze 't zoeken niet waard geweest.
ANTONIO: Kom; zeg me nu, wie is die jonkvrouw toch, Naar wie ge stil een bedevaart woudt doen, Van wie ge mij vandaag vertellen zoudt?
BASSANIO: 't Is u niet onbekend, Antonio, Hoezeer ik mijn vermogen heb verkleind, Door 't ietwat houden van een hoog'ren staat Dan 'k door mijn beetje geld kon blijven doen. Nu klaag ik niet dat ik mij maat'gen moet In zulk een weelde; maar mijn grootste zorg Is hoe ik eervol afkom van de schuld Waarin mijn al te ruime levenswijs Mij heeft verstrikt. Ik heb het meest aan u, Antonio, in geld en vriendschap schuld; Uw vriendschap is me er ook een waarborg voor, Dat 'k al mijn plannen u ontboez'men kan Hoe van mijn groote schulden mij te ontdoen.
ANTONIO: Bassanio, ik bid u, zeg het mij; En valt het licht der eer er op, zooals Op U nog, wees verzekerd dat mijn beurs En mijn persoon en al wat ik vermag Voor uwe goede zaak beschikbaar zijn.
BASSANIO: Wanneer 'k als knaap een pijl verloren had, Schoot ik een and'ren van dezelfde kracht Denzelfden kant, en nam hem scherper waar, En door de twee te wagen, vond ik vaak Hen beî, niet één slechts. 'k Noem die jongensproef, Omdat wat volgt oprecht en zuiver is. 'k Ben u veel schuldig; wat ik schuldig ben Is weg zooals 't een heethoofd gaat; maar als Ge een tweeden pijl wilt schieten naar den kant Waarheen ge d'eersten schoot, ik twijfel niet, Of 'k vind--daar 'k op het doel zal letten--beî; Maar anders breng 'k uw laatsten inzet weer, En blijf voor d'eerste' uw dankb're schuldenaar.
ANTONIO: Gij kent mij goed, en gij verkwist slechts tijd, Als ge om mijn vriedschap met veel omhaal draait; Ge doet mij nu gewis meer onrecht aan Doordat ge twijfelt aan mijn beste hulp, Dan als gij al mijn goed hadt opgemaakt. Zeg mij daarom gerust wat ik moet doen, Wat, voor zoover gij weet, 'k zou kunnen doen, En 'k ben er toe bereid; spreek dus vrijuit.
BASSANIO: Op Belmont woont een jonkvrouw, ze is alleen, En zij is schoon, en, wat nog schooner klinkt, Van wonderbare deugden. Eertijds gaf Haar oog mij teek'nen, lief en sprakeloos. Haar naam is Portia, niets minder waard Dan Cato's dochter, Brutus' Portia. De wijde wereld kent haar waarde wel, De winden blazen toch van elke kust Doorluchte minnaars; en haar zonnig haar Hangt om haar slapen als een gouden vlies, Wat huize Belmont maakt tot Kolchos' strand, En vele Jasons zoeken haar tot vrouw.[6] O mijn Antonio! had ik midd'len slechts Om mij met hen te meten in waardij!-- Daar ik een voorgevoel heb van geluk, En dat ik zeker voorspoed hebben zou.
ANTONIO: Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee; Ik heb geen geld, en geen gelegenheid Om thans een som te heffen: ga dus heen; Zie in de stad[7] wat mijn krediet vermag: Gij moogt het rekken tot de verste grens, Als het u brengt naar Belmonts Portia. Ga, onderzoek terstond--ik doe dat ook-- Waar geld is, en het komt--ik twijfel niet-- Om mijnentwil of ook om mijn krediet. (Beiden af.)
TOONEEL II.
Belmont. Een vertrek in PORTIA'S Huis.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.