Public-domain ebook
De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder
by Buysse, Cyriel; Boonen, Jaak
Dutch300 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #48178.
Public-domain ebook
by Buysse, Cyriel; Boonen, Jaak
Dutch300 downloads on Project GutenbergDownload EPUB
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #48178.
The opening · free to read
POOVER'S huisje stond eenzaam op de groote heide.....
Vier okergele, scheef-en-schots-gezakte kernen muurtjes, vol barsten en builen, een grauw, half ingevallen stroodak, aan den westkant met een zware, donkere deken van klimop begroeid, twee kleingeruite raampjes met verschoten, scheefhangende blauwe luikjes, en** laaggewelfd, vermolmd, bleekblauw deurtje, zoo stond het, in zijn stille, doodsche eenzaamheid op de verlaten heide... Zoo klein en nietig onder het eindeloos breed en hoog gewelf der hemelen, tegen de verre donkere streep van aan den horizon golvende bosschen... Zoo knellend-melankolisch-eenzaam onder de gure, grijze najaarsstormen, die in klaaggeloei over de gansche wijdte van de hobbelige vlakte zweepten; zoo eenzaam-rustig en gemoedelijk enkele malen, wanneer het heidekruid in verre roze-en-paarse tinten bloeide, wanneer de zon, stralend in hoogere reinen hemel, als met eigen louter hemelsblauw het week, verschoten blauw van deurtje en van luikjes weer deed opglanzen.
1 Uit: Van Arme Menschen, P. N. Van Kampen & Zoon. Amsterdam.
´Pooverª noemden hem de enkele menschen die hem kenden of die van hem hadden hooren spreken. Zijn eigenlijke naam herinnerde zich niemand. Hij leefde moederziel alleen d‡‡r, drie uren van de naaste menschenwoning, vier** van het naastgelegen kleine dorp verwijderd. Men wist alleen maar dat hij er was komen wonen met zijn ouders, in den reeds lang geleden tijd toen de groote bosschen zich nog tot in de buurt van zijn eenzaam stroohutje uitstrekten. Als de jachtbewaker van een rijken heer was zijn vader er gekomen. Maar de heer was arm geworden, en vele bosschen waren uitgerooid. Enkel het huisje, dat voor niemand meer een waarde had, was blijven staan. Daar hadden Poover's vader en moeder tot hun dood gewoond, en na hun dood was hij er ook gebleven, omdat hij nu eenmaal gewend was aan dat leven, omdat hij naar iets anders niet verlangde, omdat hij, onwetend van alles wat er in de wijde wereld omging, zich geen ander leven meer kon voorstellen.
Hij bezat enkele kippen die hem eieren gaven, een zwijntje dat hij vetmestte, een hond, dien hij voor zijn kruiwagen spande, een kat, die de muizen en de ratten uit zijn huisje weerde. En hij had ook een sijsje, in een kooitje, dat vroolijk zingen kon in 't zonnig ochtenduur, en ook een boschuil, vreemde stille gast, die gansche dagen roerloos in een donker hok zat, en enkel met het schemeruur kwam opdagen, stil-nijdig met zijn groote, ronde kattenoogen op de vensterbank van 't kleingeruite raam gezeten, waar Poover hem zijn voeder kikkers, musschen, muizen in de klauwen stopte. Verder was er niets van leven om hem heen. Op een door hem ontgonnen hoekje heide plantte en zaaide hij aardappels, koren, groenten; uit de verre bosschen haalde hij takkebos voor brandstof. Zijn slaapplaats was een hoop met stroo en dorre bladeren tusschen vier ruwe planken, zijn kleederen hadden de kleur der aarde. Hij was van middelmatige, ietwat gebogene gestalte, met opmerkelijk lange armen. Zijn baard en haren waren ruig en grauwachtig, zijn magere koonen hadden een zonderlinge hoog-roze kleur, en in zijn vreemd-licht-grijze, rustelooze oogen lag een uitdrukking van groote schuwheid en gejaagdheid.
Nooit, of bijna nooit kwam er een mensch in zijn nabijheid. En als er zich soms een vertoonde, hield Poover zich liefst schuw-verborgen, alsof het hem iets vreemds en onheilspellends was. Het spraakvermogen had hij nagenoeg verloren, en de namen van zijn beesten uitte hij in korte klanken. Zijn hond heette Duc, zijn uil heette Koeb, zijn poes heette Mie, zijn sijsje heette Fientje. En in zijn geest waren de gedachten schaarsch en duister, altijd en onveranderlijk beperkt tot den beperkten horizon waarin zijn eenzaam leven opgesloten was. Hij dacht aan zijn kippen en zijn zwijn, aan zijn aardappels en aan zijn koren, aan zijn arbeid, aan zijn hond, aan zijn kat, aan zijn uil. Op stille zomeravonden zat hij zijn pijp te rooken, neergehurkt in het zand vÛÛr zijn deur, werktuigelijk-en-roerloos-starend, zonder gepeinzen. Des winters zat hij starend voor zijn haardvuur, de oogen in de vlam, de handen op zijn knieÎn, het denkvermogen ingeslapen. Soms keek hij lange tijden naar de poes, die rustig in elkaar gerold te spinnen lag, soms kwam hij in de schemering van 't venster naast den boschuil zitten, om hem, in stil-starende-roerloosheid, de kikkers en de vogeltjes te zien verslinden,**
Geld had hij niet, zag hij niet. Maar telkens als zijn zwijn was vetgemest, of als hij te veel kippen had, wat om de vier of vijf maanden gebeurde, trok hij er mee naar het ver afgelegen dorp, om er allerhande waren tegen in te ruilen.
Hij vreesde zeer die onvermijdelijke tochten. Want elken keer was het een opschudding in het doorgaans zoo rustig dorpje.
Van zoo verre de straatjeugd hem met zijn trekken den hond en volgeladen kruiwagen zag komen, ging het gegil op: ´Doar es Poover! Doar es Poover!ª En in joelende, spottend-uitgelaten benden liepen zij met hem mede, het geblaf van zijn hond, het geknor van zijn zwijn, het gekraai van zijn hanen nabootsend, terwijl Poover, rood van angst en schaamte, zich met schuwe, schuinsche blikken spoedde, en weldra hollend het wiel van zijn kruiwagen tegen den staart van zijn jankenden hond duwde, om zoo gauw mogelijk, door de dubbele rij van meehollende bengels en van spottend op hun drempels staande dorpelingen, aan het huis van den spekslager en winkelier, als in een veilige haven, te zijn.
Daar was hij uit de wreede klauwen. Zijn zwijntje werd gewogen, de prijs gedebatteerd, en voor de waarde ervan nam hij allerhande uit den winkel mede; eerst een nieuw jong zwijntje, dat hij weer vet zou mesten, en verder spek en kruidenierswaren, linnengoed en andere kleeren, boter, meel, koffie, tabak, alles wat hij voor zijn lange eenzaamheid weer noodig had. De menschen van het winkeltje onthaalden hem daarenboven nog op een lekkeren ´spoelkom kaffeeª, met kaas en tarweboterhammen, en vergezelden hem met hun ietwat spottende, maar toch goedmoedige gelukwenschen tot aan de deur. En telkens had daar weer dezelfde grap plaats; telkens als Poover de draagboomen van den kruiwagen optilde, en ´ hue! ª roepend tegen zijn hond, sterk met het lichaam duwde om den wagen voort te krijgen, ging er uit de groep van aan den overkant der straat geschaarde bengels een joelende schaterlach op. Een van hen had bedriegelijk een baksteen tusschen het wiel en de voorplank geduwd en de wagen kon niet voort. Suf glimlachend en onnoozel met het hoofd schuddend, als was hij telkens weer verrast door die telkens weer herhaalde grap, liet Poover de draagboomen los, haalde met moeite den baksteen van tusschen het wiel en de voorplank, en reed dan eindelijk weg, al spoedig weer hollend als bij zijn aankomst, onder het spotgejoel der tot verre buiten 't dorp met hem meehollende straatjeugd.
Zoo leefde hij, in volkomen verlatenheid, de lange, onbewuste jaren van zijn kleurloos leven, tot op dien vreemden dag van stoornis, waarop het verwijderd leven van zijn medemenschen zelf naar hem toe scheen te komen.
Er waren daar plotseling menschen, op een ochtend, in de buurt van zijn armoedig hutje, menschen die bedrijvig op de heide heen en weer liepen, met lange kettingen en rood-en-wit geverfde staken, die zij hier en daar in den grond duwden, en er dan met gespannen aandacht van verre naar keken.
Poover, ontsteld en bang, hield zich schuil achter zijn kleingeruit raampje. Hij begreep niets van wat er gebeurde, maar weldra zag hij een man, gekleed als een heer, en gevolgd door een arbeider in de richting van zijn hutje komen, en 't ogenblik daarna werd er op zijn gesloten deur geklopt.
- Is er iemand?ª hoorde hij buiten roepen.
Eerst hield Poover zich als dood en wou niet open doen. Maar harder werd geklopt, en bevend kwam hij eindelijk te voorschijn.
- Mijn vriendª, sprak de heer zeer beleefd, ´zoudt gij ons niet aan een paar lange stokken kunnen helpen? Wij zijn bezig met de afmetingen op te nemen voor de nieuwe spoorbaan, die hier langs moet komen.ª
- O bah joa ik, meniere,ª antwoordde Poover, met zijn hol-heesche stem, waarvan hij zelf haast nooit den klank meer hoorde. En van achter zijn hutje haalde hij de gevraagde stokken, en overhandigde die aan den arbeider.
- Merci, ge zijt wel bedanktª, glimlachte de heer. Wilt g'n sigaar rooken?ª**
- As 't ou blieft, meniere,ª heeschte Poover.
De heer overhandigde hem enkele sigaren, en zei, met iets triomfants in de stem, als dacht hij Poover daarmee groot plezier te doen:
- Het zal hier niet lang meer zoo eenzaam zijn, weet ge?
Poover, de bleeke oogen schuw-verbauwereerd, gaf geen antwoord.
- 't Is voor de groote expressen dat wij hier die route komen leggen,ª voegde de heer als toelichting bij zijn gezegde, met een schuinschen blik op den zonderlingen man.
Maar Poover bleef halsstarrig sprakeloos, als was hij eensklaps stom geworden; en na een ´allo, de goÍn dag, van avond zullen wij u de stokken terugbrengenª, was de heer met zijn arbeider weg.
Een spoorweg! dacht Poover. En hij werd bang voor dien spoorweg, die daar nu zou komen. Het stoorde diep zijn leven, het bracht er een omwenteling in reeds vÛÛr hij er was. Veel liever had hij er daar geen zien komen. Hij, de dood-eenzame, vreesde het verkeer van menschen die altijd den spot met hem dreven. En toch, in hem ontwaakte een nieuwsgierigheid, die allengs werd een groot en vaag verlangen. Eerst vluchtte hij tot in de wijde verre bosschen voor de indringing van al die onbekende lui, die nu voortdurend kwamen. Maar langzamerhand verminderde zijn schuwheid, tot hij weldra af en toe naar de werken kwam kijken, en zelfs met die vreemde menschen, die hem toch geen kwaad deden, enkele woorden wisselde.
´Hawel Poover,** schertsten zij, ´da zal hier amezant gaan worden, hË, veur ou, ne kier dat de boane daar ligt? Dan zie je nie anders mier as luxe-treins mee keunijngen en prinsen en prinsessen hier veurbij zjoeven.ª
´En komt er euk 'n stoasie in de buurte?ª vroeg Poover.
´Wel nien 't; zij-je zot dan? Dat 'n es hier moar 'n deursnÍe, om de wig van de gruete treins wa te verkorten. Moar, weet-e watte,ª gekscheerden zij: ´den trein zal veur ou kastiel euk wel ne kier stilhouÍn, moar ge moet hem bij tijds tieken doen mee ouÎ neusdoek.ª
´'K 'n hË nog noeit gienen trein gezien,ª antwoordde Poover.
En peizende keerde hij terug naar de verre bosschen.
Hij zag weldra de treinen: gillende, puffende locomotiefjes met lange, lange rijen open wagentjes, waarvan hoopen zand, houten staven, stalen rails werden afgeladen. Bang maakte 't hem niet; hij vond het alleen maar onbegrijpelijk, wonderbaar. Het wonderbaarst van al dat die lange, zware gevaarten steeds zoo trouw langs die dunne riggels bleven loopen zonder er een enkele maal af te kegelen.
´Hoe es 't toch meugelijk!ª dacht Poover. En dikwijls kwam hij kijken, elk oogenblik verwachtend dat een onvermijdelijk ongeluk gebeuren zou.
Maar nooit gebeurde het. In regelrechte streep, borend door heide en door bosschen, strekte zich de lijn weldra van den eenen einder tot den anderen uit, en eindelijk werd zij voor 't verkeer der groote prachttreinen geopend.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.