Storieta
Sign up

The opening · free to read

L. J. Veen--amsterdam

Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord, meest over dingen die ze wisten en evengoed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hun pijp, die opspiraalden uitdunnend, hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan 't schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.

Rik wendde dikwijls het hoofd naar het donker deurraam dat zwartvlekte in den witten muur en hij dacht wel:

--Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?

Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust naar iemand die moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het gleiertikken van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, zacht gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze zwegen.

--Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn zuster niet? dacht Rik.

Als hij weer 't hoofd wendde stond het meisje in 't donker deurgat en was aan 't afbreien van een langzwarte kous. De jongen rechtte zich halfop met de handen en hij keek hoe zij met stillen tred naderde en ging zitten rechtover hem, nevens Wies, op het bol van den eik. Hij rustte het hoofd op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef hij haar liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar bijzijn: het invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.

--Nu is het goed in den avond, zei hij stil.

Niemand en antwoordde maar 't deed hem deugd dat ze nu zwegen, en hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen en kijken naar Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij daarbinnen voelde opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder einde.

Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin tusschen de kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken zwart op dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen huis ging het geslof van Wies zijn moeder die daar in 't donker alleen bleef;--anders en repte er geen geruchte in heel den omtrek.

Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat waren en niemand een woord en vond dat 't zeggen weerd scheen. Hij luisterde naar het tikken van Lida's overeenwerkende breinaalden. Daar van omlaag gezien, zat heur wezen vol donkerte en op 't einde twijfelde hij of heur oogen zoo vriendelijk stil in de zijne keken of dat ze halftoe op heur werk waren gericht. De wellust kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij de oogen neerwaards dwong en niet meer opkijken durfde. Daar in 't gras nevens hem lag het bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte en opsprong telkens heur klein vingerke den draad deed inkorten.

--Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde Wies tusschen de tanden.

--De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat later:

De smoor hangt uit, 't is versterking, zie, en zij rechtte het hoofd en keek wijd uit over 't veld.

Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half ingehouden woorden, over land en weêr en spel en leven, heel gewoon; lijk broêr en zuster. Rik had ook iets willen inbrengen maar al zocht hij ook rond, er was niets dat goed scheen. Zijn oogen snuisterden weer in de donkere haarkroezeling om Lida's hoofd en naar hooger op; daar zocht hij in den bleeken hemel naar de eerste sterren die, lijk pas ontstoken kaarslichtjes, van langerhand kwamen uitpinken. Ginder te westen, ver over de velden, tegen 't uitveegsel van 't vergane zonnegoud, zwommen er witte wolkjes lijk groote bloemen zonder stengel. Daarbij werd de stilte zoo rein dat 't staaltikken van Lida's naalden nu duidelijk geruchte miek.

--'t Is alsof wij gedrieën alleen op de wereld waren, dacht Rik, en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo groot! en hij voelde zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar en de gevelde boomstam, eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en zocht hij meer van waar die voldaanheid uitkwam die evenals de goede dauw, rijkelijk rond hem neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als deugdelijke zeupen water bij grooten dorst en lag daar te verlangen: naar meer, altijd meer en dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar rustte een zware goedheid op de boomen, op het land hier, over al om dat huis bij Lida en Wies--elders was 't de dood en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde, vernauwde die wijde kring in een goede omheining rondom hen.

Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de armen hoog uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den lindestam. De deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde de diepten met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te zeggen die hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat speelde rond in zijn hoofd, maar zoo gauw hij 't in woorden wilde vastgrijpen, hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn gezegde en Lida verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met wijde, vragende oogen; lachen zou ze niet, dat was hij heel zeker, te meer dat 't nu zoo stille, zonderling avond was. Ze zat beeldstijf te staren.--Waarom hield zij die armen zoo hoog en haar lijf zoo uitgespannen?--Zij deed dat veel en die houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust, dat hij haar verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees dat ze hem betooveren zou.

--Van den nacht zal ze mij weer berijden als een kwade mare, en toch kon hij den wellust van haar zicht niet laten.

Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen verkijken uit die verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen komen.

--Hoor dien krekel, hier onder 't gras.

Wies noch Lida en zegden daar iets op en ze luisterden of telden de flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als dat luisteren weer zoo uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes als zooveel scherpe scheersneden die 't stilzwijgen in gelijke eindjes korf. Rik werd bang op 't laatst, niet voor zichzelf, om de verdrietigheid of verveling, maar hij vreesde voor 't gene die effene vlakstilte zou komen breken en dat glazen kasteel ging doen invallen. Dan kwam onvoorziens uit de opene huisdeur, zoo stoorscheurend gewoon, moeders:--Lida, we zijn slapen, kom!

Dat was het plotsinvallende teeken dat 't uit was voor vandaag. Lida schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken en nu ging er tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen uit 't dorp, over 't werk; Rik vertelde van Dirk Koole die zou trouwen met een vreemde; dat Pikkaert zondag laatst gevochten had tegen drie felle boschkanters. Lida vroeg gewone dingen over Riene en Tielde--Rik zijn zusters--en eindelijk rechtten zij zich alle drie tegelijk op, rokken de leden uit al geeuwend en wenschten elkaar een goên avond.

--Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo genegen haar hoofd naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis en Rik wandelde alleen door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem gekeken met haar donkere oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn bloed voelde verkruipen en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar huis, maar eerst wat zinnen nog over al 't geen er in zijn hoofd omwoelde. Hij stond daar nog en hoorde hoe Lida met heur heldere belstem het gebed voorlas. Dat ging lijk muziek over 't veld en dan eerst, als heur zangzeggend gebed uit was en niets meer en roerde rondom, werd hij gewaar dat 't nacht was bijkans en dat hij nu naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom en blijheid in zijn hoofd en dat danste over op al die zwaar zwarte boomen daar en door heel den hemel onder 't groot blauw geluchte, vol! Lida, Lida zag hem geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in een schallend koewachters "halarialo"! maar hij durfde de rust niet breken rond zich en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen zolder te zijn, alleen om traag al de beeldschatten uit te pluizen, te her-overdenken: al de woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te kijken op het gouden schemerbeeld dat in zijn hoofd geschilderd stond.

Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, ongezellig waren hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen gezonken met de oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede uitgestrekt over den vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, zijn zusters, zaten onder den blaker van 't blikken lampje, te naaien. Hij zegde hun allen een stillen goên avond en schreed den zoldersteeger op. Daar sloot hij met zorg de deur om goed alleen te zijn en al het vreemde ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij lang zijn leden op het stroobed, beet op de tanden en voelde een warme krijzeling over zijn lijf loopen,--zijn beenen krimpten op en dan strekte hij zich weer uit om kalm te smakken aan zijn gedachten.

Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, liggen denken.

--Lida, Lida, Lida! "Tot morgen!" had ze hem gezeid!--Morgen mocht hij weerkeeren, en zoo voort zou dat geluk in een ronde draaien en nooit uit zijn! Morgen nog een avond. Later kon hem niet schelen.

--Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben ik altijd zoo beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij daar vóór me zit?

O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar zijn opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of zelf aansprak, zoo dat 't gesprek voor een heelen avond op een ander wegelken bleef.--Dat ze nu zei wat ze wilde, 't was hem altijd even aangenaam en hij hield het zijne verduldig uitgesteld: later zou hij wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad te vermonden.

Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu weer de oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam daar: op den boomstam onder de linde, 's avonds; opweg naar de kerk, aan 't putten van een emmer water, of stond gebogen aan 't groensel plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al de natuurlijke plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar zoo onzeggelijk schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders dan bij dage in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, heelegansch: heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val van heur nijdlijken blauw-netten voorschoot,--maar die dunne nevelsmoor kwam heur weer omwinden, zoodat hij niets meer duidelijk herkennen kon. Hij zag enkel heur twee zwartbruine oogen--de blik die hem vanavond zoo doorkeken had--die blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden een vreemde klaarte uit zoodat 't werd te zonneglinsteren onder de linde met zoo'n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote witte bloemen schoten overal tusschen--vlakronde zonnebloemen met roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten die traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze zat daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit haar hoogte op hem neêr. Op 't laatst werd die lichtschittering te fel voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op een rolwagentje met zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom hij in een grijze zee, wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een groote zon gedoken zat, en een beeld ievers, maar 't was alles zoo overgroot dat hij verzwolg in 't opademen van de veelte van genot. En zachte zonk hij neer in een smachtend gevoel van kriewelende kitteling die hem zeer gelukkig miek.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and Prejudice

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.