Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Personen:

De Doge van Venetië. De Prins van Marocco, } De Prins van Arragon, } dingende naar Portia's hand. Antonio, de koopman van Venetië. Bassanio, zijn vriend. Solanio, } Salarino, } vrienden van Antonio en Bassanio. Gratiano, } Lorenzo, minnaar van Jessica. Shylock, een rijke Jood. Tubal, een Jood, zijn vriend. Lancelot Gobbo, Shylocks knecht. De oude Gobbo, vader van Lancelot. Leonardo, bediende van Bassanio. Balthazar, } Stefano, } bedienden van Portia. Portia, een rijke erfgename. Nerissa, haar kamerjuffer. Jessica, dochter van Shylock.

Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg.

Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont, het landgoed van Portia.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Venetië. Een straat.

Antonio, Salarino en Solanio komen op.

ANTONIO. 'k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben; Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook; Maar hoe 't mij aanwoei, hoe ik er aan kwam, Van welken aard het is, en hoe ontstaan, Dat is me een raadsel; Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd, Dat ik te nauwernood mijzelf herken.

SALARINO. Uw geest wordt op den oceaan geslingerd, Waar uw galjoenen, fier het zeil in top, Als eed'len en grootburgers van de zee, Door statigheid hun hoogen rang verkonden En neerzien op de kleine handelsluî, Die needrig buigend hem begroeten, als Zij langs hen vliegen met geweven vleug'len.

SOLANIO. Geloof mij, stond voor mij zoo veel op 't spel, Het beste deel van mijn gedachten waar' Ginds met mijn hoop aan 't dwalen. Telkens zou ik Gras plukken om de windstreek na te gaan, Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden; En alles, wat mij onheil kon doen duchten Voor schepen of voor lading, zou gewis Mij somber maken.

SALARINO. Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg Me een koude koorts op 't lijf, als ik bedacht, Wat schade op zee een sterke wind kan doen. Ik zag het zand niet loopen in het uurglas, Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken, En zag mijn rijken Andries omgeslagen, Den masttop lager dan de zijde in 't zand, Als om zijn graf te kussen. Ging ik op Ter kerke, zou het heilig steengevaart' Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen, Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan, Haar specerijen op den vloed verstrooien, Mijn zijde als mantels spreiden over 't diep, Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling Als niets doen zijn? Is 't denkbaar, dat mijn geest Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen? Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt.

ANTONIO. Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk, Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd, Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt Niet af van 't slagen in een enkel jaar; Daarom, 't is niet mijn handel, die me ontstemt.

SALARINO. Nu, dan zijt gij verliefd.

ANTONIO. Foei, foei!

SALARINO. Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig, Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij Ook lachen, springen, zeggend: "ik ben vroolijk, Wijl ik niet treurig ben." Bij Janus' dubb'len kop, Natuur brengt soms toch rare snuiters voort: Die knijpt voortdurend de oogen toe van 't lachen, Als bij een doedelzak een papegaai; En de ander heeft zoo'n uitzicht van azijn, Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont, Al deed een grap ook de' ouden Nestor schaat'ren.

(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.)

SOLANIO. Ziedaar Bassanio, uw eed'len neef, Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel; Wij laten u in 't best gezelschap achter.

SALARINO. 'k Had willen blijven, tot ge monter waart, Maar thans, nu beter komt, moog' minder wijken.

ANTONIO. Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog, Maar reken, dat uw zaken thans u roepen, En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan.

SALARINO. Vaartwel dan, eed'le heeren.

BASSANIO. Vrienden, zegt, Wanneer weer eens een prettig samenzijn? Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit?

SALARINO. Als 't u gelegen komt, wij zijn bereid.

(Salarino en Solanio af.)

LORENZO. Daar gij Antonio nu gevonden hebt, Bassanio, willen wij u thans verlaten; Maar denk op 't etensuur present te zijn.

BASSANIO. Daar kunt gij vast op reeknen.

GRATIANO. Gij ziet er niet goed uit, Antonio, Gij trekt te veel u 's werelds zaken aan; Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust. Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd.

ANTONIO. Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is, Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt; De mijne is somber.

GRATIANO. Ik speel dan den Nar. 'k Wacht dartlend, lachend, rimplige' ouderdom, En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden, Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt. Waarom, als 't warme bloed nog stroomt, te zitten Als grootvaârs marm'ren beeld? waartoe te slapen, Als 't wakenstijd is? en de geelzucht zich Op 't lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor, Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde: Er is een slag van lieden, wier gelaat Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water, Die eigenzinnig zwijgen altijd door, Met doel om zich een dunk en roep te geven Van wijsheid, waardigheid en diepen zin, Als zeiden zij: "Ik ben 't orakel zelf, En open ik den mond, dan blaff' geen hond"; Die daarom slechts den naam van wijzen dragen, Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten, Wijl deez' hun broeders "dwazen" zouden noemen. Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel Dus niet met uw droefgeestigheid als aas Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn. Kom mee, Lorenzo.--Houd zoolang u goed; Na 't eten krijgt gij 't einde van mijn toespraak.

LORENZO. Ja, wij verlaten u tot na den noen; Ik moet nu wel zoo'n wijze zwijger zijn, Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.

GRATIANO. Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang, Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer.

ANTONIO. Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater.

GRATIANO. Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt, Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd.

(Gratiano en Lorenzo af.)

ANTONIO. Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd?

BASSANIO. Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van 't zoeken niet waard.

ANTONIO. Hoe 't zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw Gij in 't geheim die beêvaart zwoert te doen, Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt?

BASSANIO. Antonio, 't is u al te wel bekend, Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild, Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren, Dan mijn gering fortuin verduren kon. Maar 'k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu Met eer die groote schulden af te doen, Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was, Mij heeft verstrikt; Antonio, 'k ben aan u Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde; Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik U oop'ning doen mag van mijn plan, om al Die schulden, die mij drukken, af te werpen.

ANTONIO. Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee, En kan het, even als gijzelf steeds doet, Voor 't oog der eer bestaan, wees dan verzekerd, Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag, 't Is alles 't uwe, voor uw dienst gereed.

BASSANIO. Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl, Dan schoot ik hem een tweeden van die soort, Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht, Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past, Omdat wat volgt, ook louter onschuld is. Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap, Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij 't nu, Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten, Den eersten achterna, ik maak mij sterk, Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden, Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr, En blijf uw dankb're schuldnaar voor het eerste.

ANTONIO. Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd, En neemt een kronklende' omweg tot uw vriend; Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt, Of ik voor u het uiterst wel zou doen, Dan als gij heel mijn have hadt verspild. Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt, Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen; Ik ben bereid en daad'lijk; zeg het dus.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.