
Public-domain ebook
Vrouwenleven in de Dessa
Language: nl409 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #64987.

Public-domain ebook
Language: nl409 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #64987.
The opening · free to read
Het was middernacht, de strandkampong lag in diepe rust; in de kleine inlandsche woningen geen geluid of beweging, alles sliep. Hier en daar schitterde een lichtpuntje door de bilikwanden der huisjes, waarmee de palita, het primitieve olielampje, de duisternis in zijn naaste omgeving verbrak.
Aan het eind van het dorp, door een vrij groot erf van de andere gescheiden, lag een huisje, dat niet in de algemeene rost deelde. Een zacht rumoer van stemmen drong naar buiten door, af en aanloopende menschen, meest oudere vrouwen, traden de woning binnen of verlieten haar en, bij het openen der deur, teekende zich even een helder lichtvlak op den grond, dat de duisternis rondom nog zwarter deed schijnen.
Er had een belangrijke gebeurtenis plaats gegrepen achter de vier muren: er was een kindje geboren; een aardig, mollig meisje had er zoo even haar intree gedaan. In een duister, beschut hoekje lag het jonge moedertje, doodstil, met wijd geopende oogen, voor zich uit te staren. Zij was zoo doodelijk vermoeid, de kleine Kamisah, het arme, afgestreden lichaam verlangde zoo vurig naar rust. Maar zij mocht de groote, donkere oogen niet sluiten, zij moest strijden tegen de alles overweldigende begeerte, want als de slaap langer dan een oogenblik haar de oogen look, dan kwamen de booze geesten om haar en heur kind in het ongeluk te storten. Hardnekkig hing haar blik aan het flikkerend licht van het lampje, terwijl zij trachtte te luisteren naar de vermanende stem der over haar heengebogen vrouw. „Niet slapen, Kamisah, denk aan het kindje, morgen kun je volop rusten, nu moet je waken, de kwade geesten waren rond.”
„Ja, ja.” Kamisah wist het wel, zij kende haar plicht en gaarne wilde zij haar kindje beschermen tegen booze invloeden. Met een korte opflikkering van levenskracht strekte zij de hand uit naar het kleine schepsel, dat men naast haar had neergelegd. Voor het eerst doortrilde de jonge moeder een gelukkig, dankbaar gevoel: dat warme, levende lichaampje aan heur zijde behoorde haar toe, ’t was haar eigen kindje, dat zij, ten koste van veel smart en lijden, het leven had gegeven.
’t Moedertje betastte de teere leedjes, liefkoosde het ronde kopje, toen zonk de hand machteloos neer, de lange wimpers daalden op de vaalbleeke wangen. Doch daar klonk weer de waarschuwende stem aan haar oor: „niet slapen, Kamisah, niet slapen.” Zij sloeg de oogen op met een uitdrukking in den blik als van een gewonde ree. Naast moeder boog zich nu ook haar man over Kamisah heen en wischte de groote zweetdroppels af, die haar op het voorhoofd parelden.
Moeder drong hem op zijde, een trek van onrust vertoonde zich eensklaps op het oud, gerimpeld gelaat en haastig wenkte zij de doekoen. Deze scheen de onrust der oude wouw te deelen; diep over Kamisah heengebogen, begon zij het roerlooze lichaam van het jonge vrouwtje te streelen en te wrijven onder het prevelen van geheimzinnige woorden.
Op eens richtte de zieke zich op; greep met de bruine handjes om zich heen, opende den mond als om te spreken en zonk kreunend neer........
De hanen kraaiden den morgen te gemoet, de vogels ontwaakten, de dag werd geboren en, in het kleine huisje aan zee, lag het vijftienjarig moedertje stijf en koud: zij had het leven van haar kindje met het hare betaald.
Onbewust, dat zij, bij hare geboorte, het beste verloren had wat een mensch in het leven wordt gegeven: moederliefde en moederzorg, schreeuwde en kraaide kleine Wagini er lustig op los. Zij was een mooi, sterk kindje, al moedertjes levenskracht had zij meegekregen. Grootmoeder zorgde met trouwe toewijding voor ’t jonge leven, dat geheel van haar afhing. De eerste dagen leefde Wagini van rijstwater met suiker, maar zij was nog geen week oud, toen grootmoeder reeds fijngeknede pisang met dunne rijstepap vermengd in het begeerige mondje stopte. Het kleintje gedijde: vol trots vertoonde de oude vrouw haar pleegkind; had men ooit flinker, aardiger meisje gezien voor haar leeftijd?
Vader keek niet veel om naar zijn dochtertje; hij; was een stil, stug man, die liefst alleen zijn gang ging. Wanneer hij zich den dood van zijn jong, mooi vrouwtje had aangetrokken en haar betreurde, droeg hij zijn leed in stilte. Hij uitte zich tegen niemand en, werd de naam der doode genoemd, dan was er op zijn gelaat geen spoor van gemoedsaandoeningen te lezen.
Wagini telde nog geen twee jaar, toen haar vader op zekeren dag aan grootmoeder meedeelde, dat hij van plan was elders heen te trekken, naar een of andere groote stad, om daar werk te zoeken. Nénéh verdiende genoeg voor zich zelve en Wagini beiden, en naderhand zou de kleine meid haar kunnen helpen.
Na een kalm afscheid van zijn familie, verliet Kerto-Sadji dus op zekeren dag zijn woning en er zouden vele jaren voorbijgaan eer hij haar weder betrad. Af en toe kreeg grootmoeder bericht, altijd bij mondelinge boodschap, dat het haar schoonzoon goed ging; ook deed hij haar nu en dan wat geld toekomen, dat door de oude vrouw steeds dankbaar in ontvangst werd genomen. Zij dacht er niet over na, en het ergerde haar dus ook niet, dat de vader in het geheel niet naar zijn kind verlangde. Kerto-Sadji was altijd eenzelvig geweest, het kleine meisje ontbeerde zijn liefde niet. Neen, Wagini wist niet beter of Grootmoeder—„nénéh” zooals de inlander haar noemt—was de eenige bloedverwant, die zij bezat.
Dat oude gerimpelde gezicht, die magere, bruine armen vertegenwoordigden voor ’t kind àl wat zij aan ouderliefde en ouderzorg behoefde. Van nénéh kreeg zij eten en drinken met menig snoeperijtje bovendien; tot nénéh vluchtte zij bij denkbeeldige gevaren, nénéh knorde en strafte, maar liefkoosde haar toch nog meer.
Van een lief, mollig kindje werd zij al gauw een bijdehand, klein ding, wijs boven haar jaren, met een fijn gevormd, rank figuurtje en mooi gezichtje. Heur zwart haar sprong en krulde om ’t effen voorhoofd, in ’t aardig nekje en beschaduwde de groote ernstige oogen, waaraan de lange wimpers iets zwaarmoedigs gaven. Grootmoeder bedierf het mooie kindje en schikte haar op wat zij kon. De fraaie zilveren bandjes om hare polsjes, het halskettinkje van blauwe kralen, waar ze zoo grootsch op was, het vergulde sieraad in de kleine kondeh, alles kwam van nénéh. Maar, ze deed dan ook flink haar best, zesjarige dreumes die ze was, en hielp reeds, met parmantige wijsheid aan allerlei in het huishouden. Met een oud-vrouwtjesachtige bedrijvigheid liep ze af en aan, sjouwde met de waterkruik, die zij verderop aan de rivier vulde, waschte de rijst, zocht brandhout bijeen en spoelde het vaatwerk af.
Ze moest nu ook spoedig leeren batikken, had grootmoeder gezegd, doch dit vooruitzicht leek Wagini verre van pleizierig. Zij hield niet van stil zitten; met de vriendinnetjes spelen, hard loopen en springen, dat was haar grootste lust. Als de anderen huisjes van karang [1] bouwden, dan keek ze ongeduldig toe. Het was wel aardig om naderhand het lichtje te zien blinken tusschen de openingen der karang muurtjes, maar het loonde toch de moeite niet, zooveel tijd aan het opbouwen te besteden.
Van het onderwijs op de godsdienstschool, waar zij een uurtje per dag heen ging, profiteerde Wagini niet bijster veel. Met groote moeite leerde zij de arabische letterteekens van elkaar onderscheiden, de kunst van lezen en schrijven werd zij nooit machtig. ’t Kon niet anders, niemand lette er op of zij ál of niet naar school ging en Wagini had dikwijls weken achtereen allerlei werk, dat haar veel nuttiger en noodiger toescheen dan schoolbezoek. In een strandkampong geboren, was zij bevoorrecht kind boven velen; aan het strand spelen was zoo prettig. Het schoon der zee trok maar zelden haar aandacht, zij lette er niet op of deze, in feesttooi gehuld, het heerlijk blauwe kleed met goud en diamanten overdekt, hare golven zacht tegen het strand stuwde, of wel diezelfde golven, met boos gebrul, hoog tegen den oever opjoeg, zoo gulzig naar het land happend, als wilde zij het verslinden. Wanneer het water zoo heel woest te keer ging, was zij alleen wel eens bang, dat het de kampong zou binnenstormen en in razende vaart alles meesleepen. Doch, daar Wagini dit nooit zag gebeuren, verdween deze angst met de jaren en leerde zij den oceaan als een kameraad beschouwen, die haar en den haren het noodige gaf om te leven. Als dreumes van vijf, zes jaar, trok zij al voordeel van de zee op hare wijze. De kleine sarong hoog opgeschort, liep zij het water in om vischjes en garnalen te vangen, en verdiende daarmede menig snoepduitje. Dikwijls stond Wagini aan het strand met een vuil handje boven de oogen, zooals zij het de zeelui in hare omgeving zag doen. Dan keek ze uit of de visschersprauwen in aantocht waren. Werden zij spoedig verwacht, dan was het kleine ding in haar element. Naast grootmoeder zat zij al lang van te voren aan het strand, gretig starend naar de blanke zeilen, die achtereenvolgens aan den horizon opdoemden. En, wierp de vloot haar zilveren zeebuit op het land, welk een genot om de groote visschen te bewonderen, ze te helpen voortsleepen naar de kampong, de mannen achterna te loopen, die de volle manden wegdroegen, er bij te zitten als de voorraad verdeeld werd onder de koopers, bij het eentonig tellen der vrouwen.
Vader had jaren geleden ook op een groote prauw gevaren, vertelde grootmoeder.
„Net zoo een als van Roestiman?” vroeg Wagini.
„Nog veel grooter,” verzekerde nénéh, „zij was bemand met wel twintig koppen en zoo mooi versierd met schelletjes, stukjes blik en spiegeltjes, die helder in de zon fonkelden, tusschen het tuigwerk.”
Vader had altijd een goede verdienste gehad met de visscherij, maar hij was ongedurig van aard, hij kon nooit lang bij hetzelfde werk blijven.
„Waar is die schuit nu?” vroeg Wagini, die meer belang stelde in de prauw dan in vaders wedervaren.
„Gestrand, kind, daar ver weg bij poeloe padjang; een tegenwind dreef haar op de karang, waar zij verging.” En de oude vrouw strekte den dorren wijsvinger uit naar een witte plek in de verte, waar de golven in heftige branding gistten en woelden tusschen de koraalriffen, die mijlen ver in zee het vaarwater onveilig maakten.
Grootmoeder werd oud en sukkelend, de arbeid viel haar zwaar. Wagini deed bijna al het werk in huis en hielp nénéh bovendien bij die bezigheden, waar wel is waar weinig verdiensten op zat, als garen spinnen, matten vlechten, batikken enz., doch die de nijvere, oude handen bezighielden. Het jonge meisje droeg de zware vischmanden, grootmoeder de lichte vracht als zij passarwaarts gingen.
’t Kostte het oudje veel inspanning ver te loopen, doch zij liet haar kleindochter niet graag alleen gaan; Wagini telde bijna veertien jaar en was het mooiste meisje uit de kampong.
„Kind,” sprak nénéh op zekeren dag, „ik zal niet lang meer leven, je moet maar spoedig trouwen, dan kan je man voor je zorgen en grootmoeder het hoofd rustig neerleggen.”
II.
Zacht en volgzaam van aard, sprak Wagini niet veel tegen; dat paste haar niet tegenover de oude vrouw, doch het vooruitzicht van een huwelijk vervulde het meisje met heftigen afkeer. Zij wist, dat moeder, even vijftien jaar oud, bij hare geboorte gestorven was. Wat had die arme moeder van het leven genoten? Neen, Wagini wilde niet, als zij, jong sterven, ze had het veel te goed, ze was gezond en krachtig, het leven lachte haar toe. Al moest zij flink de handen uitsteken, al viel het sjouwen met de vischmanden haar wel eens zwaar, er was toch veel, dat vergoeding gaf voor het harde werken, menig feestje in de kampong of daar buiten kwam den eentonigen dagelijkschen arbeid afwisselen.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.