
Public-domain ebook
Goena-Goena: Oorspronkelijke roman
by P. A. Daum
Language: nl457 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #66666.

Public-domain ebook
by P. A. Daum
Language: nl457 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #66666.
The opening · free to read
DOOR MAURITS.
Tweede Druk.
LEIDEN.—A. W. SIJTHOFF.
GOENA-GOENA.
Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit.
Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het zweet van z’n voorhoofd veegde—het pleiten voor eigen zaak maakt zoo warm!—drukte hij de zwart leeren portefeuille, die hij onder den arm droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost den notaris over te halen, geld te steken in de nieuwe koffie-onderneming; doch nu het gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw genoeg bijeenkomen; er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen een jaar of vier......
Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook ìn gegaan. Hij kende Prédier als een goed planter en flink administrateur; als een echte half bloed Europeaan, die in de sociëteit blufte met champagne, homberde tegen hoog tarief en mooier paarden hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes paste, en wat men noemt op ’n cent doodbleef.
De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de welwillende tusschenkomst van een zwager te Batavia, en van een tante, die veel bij den resident aan huis kwam, was de canon laag gesteld, de gronden waren prachtig; van bladziekte was in die streek geen sprake,—het was in één woord ’n goudmijn.
Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel optimist was hij niet meer. Al wat hij had „verdiend” in Indië, stak in landelijke ondernemingen. De vooruitzichten, zeiden de administrateurs, waren prachtig, maar voor het oogenblik zag hij geen cent van zijn geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn vertrouwen niet geschokt, anders zou hij zich nu niet weer hebben laten „lijmen” door Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het reeds financiëel, in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe was hem de fortuin niet meegeloopen, sedert hij twaalf jaren geleden benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats! Toen was het daar vrij wel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen en been, dat er zoo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst gekomen of de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn koffers. Waar vroeger slechts rijstvelden waren, wuifden nu de sierlijke pluimen van ’t bloeiend suikerriet; waar vroeger lang uitgeschoten klapperboomen het „hoogste goed” vormden, daar waren die nu vernederd door de hoogere witte fabriekschoorsteenen, die in den maaltijd nacht en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte openingen. En dwars door de vroeger ongerepte velden lagen thans onafzienbare rails, hier roestig, ginds door de wrijving als gepolijst, en in eindelooze uitgestrektheid dof glimmerend in ’t felle zonlicht. Er was geld gekomen onder de bevolking, en met ’t blanke „slijk der aarde” kwam nog ander „slijk”, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het spoorwegstation woonden nu Chineezen en Arabieren, die handel dreven, warongs hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen hielden; ’t was de legertros der Westersche beschaving in het Oosten.
Maar het notaris-kantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal gelaten zooals het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij; hoe ouderwetscher, vuiler en wormstekiger zoo’n kantoor er uit zag, des te solieder scheen het; alleen was het personeel uitgebreid; hij hield er een candidaat op na en ’n paar klerken, terwijl zijn voorganger het niet verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiïst achter ’n schutsel.
„Hoe is het Jean, kom je eten?”
„Is het al zóó laat?”
„Er is al lang opgedaan: de kinderen schreeuwen van den honger.”
De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van het bijgebouw, waarin kantoor werd gehouden, naar ’t woonhuis, en de vergulde hakken harer slofjes klik-klakten op de steenen der galerij, vertelde hij haar ’t bezoek van Prédier, diens plannen en het aandeel, dat hij er in had genomen.
Zij hoorde ’t wel, maar het ging haar het eene oor in, het andere uit; ze begreep alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te maken, maar veel verder dan dit primitief begrip kwam zij niet; ze was nu reeds acht jaar in Indië—Bronkhorst had haar getrouwd, toen hij wegens ziekte ’n jaar met verlof naar Europa was geweest—maar zij was met hart en ziel een totok gebleven, die slecht brabbelmaleisch sprak, geen inlandsche bedienden langer dan een maand kon houden, voor de détails van het echt Indisch leven geen oog had, en er daarvoor ook nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in de cultures vertelde, dan zei ze maar „Ja en amen”; geloofde, dat het erg gelukkig zou wezen, als ’t groote winsten opbracht, en..... dacht er verder niet aan.
Hem kon zoo iets dagen lang bezig houden, en dat deed het ook nu. Het maakte hem stil aan de rijsttafel; het hinderde hem ’s middags op ’t kantoor onder het andere werk, en toen hij ’s avonds naar gewoonte in een wipstoel op het schabelletje een havanna rookte na het diner, wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten.
Naast hem stonden op een marmeren knaap twee kopjes koffie; zijn vrouw zat tegenover hem; hij keek naar buiten en dacht hardop, voor de gezelligheid en meenende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke winsten maakten hem warm.
„Jongens, als het dien kerel toch eens lukte!” riep hij. „Wat zou dat een heerlijk zaakje zijn!”
Marie was opgeschrikt door den luideren toon. Onder het exposé zijner geldelijke illusiën was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar haar kopje, en zei op ’n toon alsof ze zijn beschouwingen aandachtig had gevolgd: „Ja, heerlijk, hè?”
Hij snapte het wel.
„Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.”
„Wel neen; het gaat nogal!”
Bronkhorst lachte.
„Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van den slaap. Ik kan het me best voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; ’s morgens vroeg op en ’s middags niet slapen.... ga jij gerust naar bed, hoor.”
„Wil je niet nog iets drinken?”
’t Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets vriendelijks moest zeggen of eenige zorg voor hem aan den dag moest leggen. Want het was wel ’n beetje onaangenaam voor hem, dat ze ’s avonds na het eten altijd uitging als een nachtkaars. Maar ze kon er niets tegen doen; met den besten wil der wereld niet.
En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam,—al drong hij er ook opaan, dat ze zou gaan slapen,—als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd.
Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zoo weinig lust in uitgaan, en thuis hield na halfnegen alle conversatie op. Weer terugkeerend tot zijn à propos, de nieuwe koffieonderneming, zag hij, in gedachten verzonken, naar de schitterende lichtpuntjes op den zwart-blauwen achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht werd afgeleid door den toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die richting over den pagger; dat was weer bij de Borne’s; die hadden ook altijd twist; en dan zoo luidruchtig; ze moesten zich schamen!
Hij stond op, knoopte zijn kabaja zorgvuldig dicht en wandelde het erf af, naar den grooten weg; voortdurend klonk hem ’t heftig geluid der twistende stemmen in de ooren; wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Borne’s waren reeds twee jaren zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich er mee bemoeid; als ’n goed notaris, die zich altijd interesseert voor andere zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te mengen in geschillen tusschen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het zoo’n vaart niet liep; groote woorden, anders niet. Juist passeerde hij hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten kwam.
Ze liepen samen op.
„Die vrouw van me,” zei de kapitein, die commandant was van het kleine garnizoen, „is in staat ’n mensch razend te maken.”
„Bah! Ze is zoo kwaad niet.”
„Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze ’n man moest hebben, zooals jij er een bent!”
„Was het dan weer over de sociëteit?”
„Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik ’s middags in de kroeg ’n paitje nemen, en ’t wordt wat laat—dat kan toch gebeuren!—dan is sinjeur de duivel los. Wil ik ’s avonds nog ’n partijtje maken, vlan! dan heb je de poppen aan het dansen.”
„Maak je het niet werkelijk wat te druk?”
„Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf ik van chagrijn. Ik ben dat nooit gewoon geweest.”
„Daarbij is het op den duur ’n kostbare aardigheid.”
„Het is waarachtig,” riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een hoogst dubbelzinnige overdrachtelijke uitdrukking, „het is waarachtig of jullie onder één deken liggen.”
Zij lachten beiden, zóó gek vonden ze het idée.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.