
Public-domain ebook
Hilda van Suylenburg
by C. Goekoop-de Jong van Beek en Donk
Language: nl523 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #65536.

Public-domain ebook
by C. Goekoop-de Jong van Beek en Donk
Language: nl523 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Novels
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #65536.
The opening · free to read
DOOR C. GOEKOOP-DE JONG VAN BEEK EN DONK.
3e DRUK.
AMSTERDAM, SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL. 1898.
Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis, tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten, alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang terug-verlangen naar huis.
Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween, zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar was. Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken. Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten moest.
Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom.
Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om die vragende, strakke oogen.
Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het hartewoord.
Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader, die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven.
„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.”
Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het met uw gezondheid tegenwoordig?”
„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.”
Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en scherp kritische oogen.
„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den coupé?”
„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden.
„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren gekomen zijn?”
„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad willen geven wat ik hier aanschaffen moet.”
„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?”
Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt....”
„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa wel es een season meegemaakt?”
Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik eigenlijk nog nooit bijgewoond.”
„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe oud ben je nou?”
Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna.
„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden gevonden.
Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende oogen.
Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen.
Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt, moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover haar kon aanzien.
Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid.
„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd uitziet.”
Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór.
„Daar zul je de meisjes hebben.”
En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven.
De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend, met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee bewegelijke figuurtjes.
„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van haar te vreezen is.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.