Storieta
English
Save & sign up

The opening · free to read

Personen:

Koning Hendrik de Vijfde. Humphrey, hertog van Gloster, } John, hertog van Bedford, } broeders des Konings. De Hertog van Exeter, oom des Konings. De Hertog van York, neef des Konings. De Graven van Salisbury, Westmoreland en Warwick. De Aartsbisschop van Canterbury. De Bisschop van Ely. De Graaf van Cambridge, } Lord Scroop, } Saamgezworenen. Sir Thomas Grey, } Sir Thomas Erpingham, } Gower, Fluellen, } krijgsoversten in ’s konings leger. Macmorris, Jamy, } Bates, Court, Williams, soldaten in ’s konings leger. Pistool, Nym, Bardolf, en een Jongen, hun bediende. Een Heraut.

Karel de Zesde, koning van Frankrijk. Louis, de Dauphijn. De Hertogen van Bourgondië, Orleans en Bourbon. De Connetabel van Frankrijk. Rambures en Grandpré, Fransche edellieden. Montjoye, een Fransch heraut. De Commandant van Harfleur. Fransche Gezanten aan het Engelsch hof.

Isabella, Koningin van Frankrijk. Catharina, dochter van Karel en Isabella. Alice, hofdame bij Prinses Catharina. Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap, gehuwd met Pistool.

Chorus.

Edellieden, Edelvrouwen, Officieren, Engelsche en Fransche soldaten, Boden en Dienaars.

Het Tooneel is in Engeland, later in Frankrijk.

EERSTE BEDRIJF.

Chorus treedt op.

CHORUS. O, stond een Muze mij ten dienst, van vuur, Die tot der vinding lichtsten hemel steeg! Een rijk als schouwtooneel, voor ’t spelen vorsten, Voor ’t zien van ’t prachtig schouwspel koningen! Dan trad, gelijk hij was, held Hendrik op In Marsgestalte; voor zijn voeten kropen, Als honden aangekoppeld, vuur en zwaard En honger rond om werk. Doch o! vergeeft, Geëerden, dat een ongewiekte geest Op zulk een planken vloer zoo groot een stof U voor te stellen waagt! Dit hanenstrijdperk, Omvat het Frankrijks vlakten? bergt deze O Met houten wand de helmen slechts, waar eens Bij Agincourt de lucht voor heeft gesidderd? Vergeeft, ja! kan een kromme cijfertrek Niet in een klein bestek millioenen gelden? Dat wij dan, nullen bij een groot bedrag, Verbeeldings macht bij u hier laten werken! Denkt in den gordel dezer muren thans Twee groote monarchieën ingesloten, Elk de andre dreigend met verheven voorhoofd, Gescheiden door een woeste, smalle zee. Vult aan, door uwen geest, wat ons ontbreekt, Verdeelt in duizend stukken elken man; Dat uw verbeelding hier een leger scheppe; Als wij van paarden spreken, denkt, gij ziet hen, In ’t weeke land hun trotsche hoeven prentend; Uw geest leen’ koningstooi aan onze vorsten, Verplaats’ hen hier en daar, spring’ tijden over, Vatte in een uurglas samen, wat door jaren Gewrocht werd. Laat, opdat uw geest dit doe, Als Chorus mij bij dit geschiedstuk toe, Die als Proloog hier smeek: hoort onze kunst Toegevend aan en oordeelt dan in gunst.

(Chorus af.)

EERSTE TOONEEL.

Londen. Een voorzaal in het koninklijk paleis.

De Aartsbisschop van Canterbury en de Bisschop van Ely komen op.

CANTERBURY. Voorwaar, mylord, de wet is weer aanhangig, Die in het elfde jaar des voor’gen konings Waarschijnlijk tegen ons waar’ doorgegaan, Zoo niet de woeste en onrustvolle tijd De verdere overweging had verhinderd.

ELY. En hoe, mylord, voorkomen wij haar nu?

CANTERBURY. Dit moeten we overleggen. Gaat zij door, Dan neemt ze ons ruim de helft van onze have. Want al het grondbezit, door vrome leeken Bij testament ooit aan de kerk vermaakt, Wil men ons nemen,—wat, naar ’t wordt geschat, Zou onderhouden, voor des konings luister, Ruim vijftien graven, vijftienhonderd ridders, Zes duizend en tweehonderd wakk’re knapen, En dan, tot troost van zieken en verzwakten, Voor schaam’le zieken, de’ arbeidstijd voorbij, Een honderd armenhuizen, wel voorzien,— En verder ’s konings koffers stijven zou Met duizend ponden ’s jaars. Zoo luidt de wet.

ELY. Een diepe teug!

CANTERBURY. Die kelk en al zou slikken!

ELY. Doch hoe dit te verhind’ren?

CANTERBURY. De koning is genadevol en billijk.

ELY. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk.

CANTERBURY. De wandel van zijn jeugd deed dit niet hopen. Nauw blies zijns vaders borst den adem uit, Of ook zijn woestheid scheen, in hem verstikt, Te sterven; ja, in ’t eigen oogenblik Verscheen Bezonnenheid, gelijk een engel, En zweepte uit hem den zondige’ Adam weg, En liet zijn lichaam als een paradijs, Dat hemelgeesten opnam en omsloot. Zoo plots’ling werd geen kweek’ling ooit gevormd; Zoo, als een vloed, kwam nooit bekeering op, Zoo driftig stroomend, feilen met zich sleepend; Zoo ras heeft hydrakoppige eigenlust Zijn troon nooit opgegeven, zoo in eens, Als nu in dezen koning.

ELY. Ons ten zegen!

CANTERBURY. Hoor hem met godgeleerden in gesprek, En, gansch bewondring, zult ge inwendig wenschen, Dat hij, de vorst, prelaat geworden waar’; En hoor hem over staatsbelangen hand’len, Die waren, zweert gij, steeds zijn een’ge lust; Hij spreek’ van oorlogvoering, gij verneemt Een schrikb’ren veldslag, op muziek gezet; Leg een geval van staatsmanskunst hem voor, En hij ontwart den Gordiaanschen knoop, Als waar’ ’t zijn knieband; waarlijk, als hij spreekt, Is zelfs de lucht, de vrije woest’ling, stil, En stom verbazen loert in ieders oor Om zijner reed’nen honingzeem te buiten, Zoodat de hand’ling, ’t practisch deel des levens, Zich leermeest’resse toont der theorie. Een wonder is ’t, hoe onze vorst dit oplas, Daar al zijn lust een ijd’le wandel was, Zijn makkers ruw, onwetend, zonder diepte, Zijn tijd bezet door brassen, zwieren, tieren, En hij geen zweem van studiegeest ooit toonde, Of zucht tot eenzaamheid en tot ontwijken Der menigte en haar openbaar gewoel.

ELY. De aardbezie ziet men onder netels groeien, En nevens vruchten van geringer aard Gezonde beziën best tot rijpheid komen; Zoo was zijn wildheid voor den prins een sluier, Zijn overpeinzing dekkend, die bij nacht, Gewis, als zomergras, het snelst gedijde, Onopgemerkt, doch krachtig in haar groei.

CANTERBURY. Zoo moet het; want der wond’ren tijd is over; En dus, er moeten midd’len zijn, waardoor Volkomenheid ontstaat.

ELY. Doch, waarde lord, Wat is te doen tot temp’ring dezer wet, Die de gemeenten eischen? Is de koning Er voor of tegen?

CANTERBURY. Naar het schijnt, nog weiflend Maar toch, naar onze zijde eer overhellend, Dan dat hij onze weêrpartijders steunt; Want ik heb hem een aanbod kunnen doen Van de vergaad’ring onzer geestlijkheid,— En ’k heb daarbij zijn hoogheid in den breede De hangende geschillen toegelicht, Frankrijk betreffend,—om een grooter som Te geven, dan de geestlijkheid nog ooit In eens aan vorsten vóór hem heeft bewilligd.

ELY. Hoe, dunkt u, stond den koning ’t aanbod aan?

CANTERBURY. ’t Vond bij zijn majesteit een heusche ontvangst; Alleen ontbrak de tijd om aan te hooren,— Gelijk hij blijkbaar gaarne had gedaan,— Die vele, voor een elk onwraakb’re rechten, Die hij op enk’le hertogdommen heeft, Ja, in ’t geheel, op Frankrijks kroon en troon, Als erfgenaam zijns oudgrootvaders Edward.

ELY. Wat was de stoornis bij uw onderhoud?

CANTERBURY. Frankrijks gezant vroeg op dat oogenblik Juist om gehoor; en ’t uur is daar, vermoed ik, Voor zijn ontvangst bestemd. Is ’t reeds vier uur?

ELY. Dat is ’t.

CANTERBURY. Laat ons dan gaan, en hooren wij zijn boodschap, Die ik naar gissing licht u melden kon, Aleer de Franschman er een woord van uit.

ELY. Ik volg u; zeer verlang ik haar te hooren.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een staatsievertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Gloster, Bedford, Exeter, Warwick, Westmoreland en Gevolg komen op.

KONING HENDRIK. Waar is de eerwaarde lord van Canterbury?

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.