Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

Rotterdam Uitgevers-maatschappij „elsevier” 1884

VOORWOORD.

Na de verschillende aanvallen, die mijn „Borneo van Zuid naar Noord” te verduren heeft gehad, en waarbij men hoofdzakelijk nevenzaken aangetast heeft, met het kennelijk, zelfs eens met het erkend doel om de waarheidsliefde omtrent de hoofdzaak in verdenking te brengen, zal een klein woord vooraf niet ondienstig zijn.

Toen ik met den Directeur der Uitgevers-Maatschappij „Elsevier” dezen mijn nieuwen arbeid „Een kwart eeuw tusschen de Keerkringen” besprak, vroeg hij mij of die eene autobiographie zoude worden, en antwoordde ik hem, dat het leven van één mensch, hoe veelbewogen het ook geweest zij, hoogst zelden voldoende stof leverde om ook maar één boekdeel te vullen. Dat er zoo iets dus in mijn arbeid niet mocht gezocht worden! „Neen,” voegde ik er bij, „ik wil uit veler leven een greep doen, ook hier en daar uit het mijne, waar mij dat gepast zal voorkomen. Die grepen zal ik door middel van een lichten romantischen draad tot een geheel trachten te verwerken, waardoor een aanschouwelijk beeld ontstaan zal—zoo hoop ik althans—van wat het leven in Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt. Ik zou mijn werk op het voetspoor van Alfred de Vigny: „Grandeurs et servitudes dans l’armée des Indes Orientales Néerlandaises” hebben willen betitelen, hadde ik daardoor geen plagiaat gepleegd en ware het mij mogelijk geweest dien titel naar mijn zin in goed Nederlandsch over te brengen.”

Het doel van den arbeid, waarmede ik ander maal voor het publiek treed, is daarbij voldoende omschreven en heb ik bij de mededeeling daarvan niets te voegen, dan alleen de betuiging, dat ik—om mijne krachten niet te verspillen in een afmattenden strijd,—geene enkele recensie zal beantwoorden, die zich ten doel mocht stellen de geloofwaardigheid van de geleverde verhalen aan te vallen of verdacht te maken. Om de recensenten bij hun arbeid dadelijk te gemoet te komen, verklaar ik dat die verhalen verdicht zijn en dat het derhalve noodelooze moeite zal zijn, zich in gissingen omtrent namen of omtrent andere bijzonderheden te verdiepen. Overigens hoop ik dat de welwillende lezers in die bladzijden zullen vinden, wat ik getracht heb er in neer te leggen: het aanschouwelijk beeld namelijk van wat het leven in Nederlandsch-Indië den krijgsman aanbiedt, waarvan ik hier boven sprak en eene aansporing voor hen, die leeken zijn op koloniaal gebied, om met onze zoo schoone Koloniën meer bekend te geraken.

Den Haag, 20 November 1883.

DE SCHRIJVER.

INHOUD.

Voorspel: VAN PASTOOR SOLDAAT.

I. Op Slavante Bladz. 3 II. Te Rolduc 22 III. Een man over boord 44 IV. Bij het Koloniaal Werfdepôt 65

NAAR DEN EQUATOR.

I. Naar zee 97 II. In de Noordzee—Kennismaking 115 III. Verdere kennismaking.—In het Kanaal 134 IV. De Atlantische Oceaan 153 V. Eene stortzee 172 VI. Dobberende bij de Canarische eilanden 191 VII. Tusschen de keerkringen 210 VIII. De muiterij 230 IX. Eene lijkplechtigheid aan boord 249 X. Naar Brazilië’s hoofdstad 268 XI. Weer naar zee 287 XII. Een onderhoud.—Bruinvisschen 306 XIII. Storm.—Om de zuid 324 XIV. Kaapsche duiven en Albatrossen 340 XV. In den Zuidoostpassaat 354 XVI. Straat Sunda 367

Op een zonnigen namiddag in de laatste helft van Juli des jaars 185., was het in den omtrek van den bouwval van het slot Lichtenberg, in de nabijheid van Maastricht op den Sint Pietersberg gelegen, bijzonder levendig.

Op Slavante, die lieve buitensocieteit, welke op de helling van den genoemden berg verrijst, gaf dien dag de kapel van het 28ste Pruisische linie-regiment—daartoe uit het naburige Aken overgekomen—een matinée musicale en de élite van Limburgs hoofdstad was daar vereenigd om de heerlijke melodiën te genieten; terwijl een dartel zuidewindje door het hoog geboomte voer, hetwelk zich op de berghellingen achter het Casino verhief, en met zijn eigenaardig suizen in het gebladerte een zacht maar wondervol lispelen aan de akkoorden toevoegde, waardoor eene liefelijkheid te meer aan die fraaie muziek bijgezet werd.

Statig, maar toch gezellig waren eene menigte dames en heeren op het lommerrijk plateau, hetwelk het schilderachtige Casino-gebouw omgaf, rondom kleine tuintafels gezeten. Op sommige dier tafeltjes prijkte het traditioneele Nederlandsche theeservies, waarbij dan de ruischende waterketel aan de voeten der minst jonge dame van het gezelschap niet ontbrak. Meer aan den Limburgschen landaard getrouw, was op andere de koffiepot te ontwaren, waarin in die streken gewoonlijk een afschuwelijk brouwsel van zeer weinig koffie met zeer veel chicorei—„soekerei”, zooals de inboorlingen zeggen,—vervat was; maar die, als bij vergoeding, geflankeerd werd door een paar borden met zeer dunne boterhammetjes van blanke „mik” en van een of meer „pruimen- of kersen-vlaas”, die onwillekeurig aan een wagenrad deden denken. De meesten der aanwezigen vergastten zich evenwel aan Maastrichter bier, dat zoo overheerlijk smaakt; zoodat dan ook verreweg de meeste tafeltjes met een eerbiedwaardig aantal flesschen prijkten, op welker etiquetten in groote letters het woord „schuimbier” te lezen was.

Die daar zaten, waren de meer bedaagden, de stemmigen van de aanwezigen: de papa’s en mama’s, de ooms en tantes. Ook enkele dochters, nichten en zusters, arme wezens reeds in den dalenden tak van het leven, waren rondom die tafeltjes blijven zitten. Levendigheid, ging de laatstbedoelden niet meer zoo goed af, en.... men kon toch niet weten, wellicht dat onder dat loofdak, de een of andere rondkuierende van het sterkere geslacht, smachtende naar een gevoelig hart, eene bevalligheid in het oog kreeg, die helaas! tot nu toe onopgemerkt bleef.

Op de ruimte evenwel, die zich beneden aan de helling van dat plateau uitstrekte, langs de wandelwegen, die slingerend en steil klimmend en dalend, door dichte boschjes van „meibloem”-struiken (seringen), die reeds uitgebloeid waren, of van jasmijnen, die de lucht met heerlijke geuren vulden, van dat plateau naar die ruimte voerden, krioelde eene dartele jeugd van beiderlei kunne, hier stoeiend en plagend, daar elkander vervolgend, elders weer in den hoogen schommel wiegelend, maar overal met den frisschen blos van gezondheid, genoegen en levenslust op de koonen, op die koonen, die, vooral bij het teedere geslacht in ons Limburg, met haar zacht dons, lief en bevallig zoo veel overeenkomst met eene heerlijk ontwikkelde perzik hebben.

En daar dartelden lieve meisjesgroepen, snoeperige bakvischjes en meer ontwikkelden, met bruine haarlokken, die hen een bevalligen diadeem vormden; met lelieblanke voorhoofden, als ware het marmer; met fijn gevormde neusjes, die wel iets van den stijven Griekschen vorm afweken, en eenige overeenkomst met een kaarsendompertje vertoonden; met dunne maar toch tot zoenen gevormde lipjes; met ronde kinnetjes, die van een bewegelijk onderkaaksvermogen getuigden; met donkere vlammende oogen, die aan de naburige Waalsche type deden denken; met fraaie en weelderig ontluikende bustes, die een beeldhouwer in verrukking moesten brengen;—daar dartelden en stoeiden die lieve wezentjes te midden van jongelingsgroepen, die den krachtigen Limburgschen grondvorm in zijne volle ontwikkeling vertoonden.

Maar bij stoeien en dartelen bleef het niet.

Sloeg toch de opmerker de paden in, die langs de grensmuren van het Casinoterrein voerden, dan zag hij heel wat anders. Langs die muren, die, van mergelblokken opgetrokken, door haar in puin vallend kanteelwerk of door hare ogiefvormige versieringen aanduidden, dat zij eenmaal eene Gode gewijde plaats omheinden, wandelde menig jeugdig paartje, dat zich van het gejoel daar ginds afgezonderd had. Langs die muren, die vroeger vrome lofzangen ter verheerlijking van den Schepper, of treurige psalmen tot boetedoening weerkaatst hadden, klonk nu zacht gefluister van jeugdige harten, als waren zij bevreesd hunne stemmen onder het lommerrijke dak, dat hun pad overwelfde, te verheffen. Langs die muren, die weleer slechts in zwart gehulde vrouwengedaanten, met het brevier in de hand en het kruisbeeld aan den gordel, voorbij hadden zien sluipen, werden nu hier en daar—ja waarom zou zulks verheeld worden? het is toch zoo natuurlijk—achter beschermende „konkernollen” struiken, of vooruitspringende muurgedeelten, zachte en verrukkelijke geluiden vernomen, als b.v. van het luchtledige op eene wang veroorzaakt.

De jeugd blijft altijd jeugd! Zij kan het—het luchtledige op eene wang veroorzaken, wel te verstaan—nooit jonger doen.

Aan een der tafeltjes op het bovenbedoeld plateau zat eene Maastrichter familie, bestaande uit man, vrouw en een zoon, die ter wille van het volgende verhaal voor een oogenblik onze aandacht moet bezighouden. Eenige tuinstoeltjes, die, voorover gebogen, tegen den tafelrand leunden, duidden aan, dat het gezin talrijker was; maar dat de afwezigen tot de dartelende, wellicht tot de pneumatische pompen van straks behoorden, hetgeen voor den loop dezer geschiedenis minder belangwekkend is.

Het zij hier ter loops gezegd, dat de familie Riethoven een gezin was van gegoede burgerlieden, die met een vrij talrijk kroost gezegend waren. De beide ouders waren de vijftig vrij wel genaderd, en leverden overigens weinig opmerkenswaardigs op, om ons mee bezig te houden.

De zoon, die bij hen was blijven zitten, was een jongeling van achttien of negentien jaren, die een frisch blozend gelaat bij een flink ontwikkelden lichaamsbouw vertoonde. Over het algemeen had hij geen ongunstig uiterlijk; alleen zijn oogopslag was minder aangenaam. Bijna nooit durfde hij den persoon aan te zien, met wien hij sprak. Hij hield dan den blik schuchter ter neergeslagen, en waagde het alleen de oogen op te slaan, wanneer hij meende, dat zijn toespreker hem niet aankeek, en diens aandacht elders gevestigd was. Daarbij had hij het hoofdhaar zeer kort en zoodanig afgeknipt, dat de haarlijn in een halven boog zonder inspringende hoeken boven dat hooge voorhoofd welfde van het eene oor tot het andere, waardoor hij in zijn uiterlijk wel iets van het terugstootende van een kwakerhoofd vertoonde. Hij was daarenboven in een zwart lakensche jas met lange afhangende panden gekleed, waaronder een dito vest zichtbaar werd, dat tot hoog bij den hals zonder borstomslagen te vertoonen, dichtgeknoopt was; zoodat geen ander linnengoed te zien was dan een heel smal boordje, dat boven een vrij breede zwart zijden das uitstak. Aan de handen, die het spoor droegen van niet veel zorg te erlangen, waren geen manchetten te bespeuren. Zij zouden ook overbodig geweest zijn, want met hunnen eigenaardigen snit omsloten de mouwen den arm bij het polsgewricht zoo nauwkeurig, als wilden zij ijdele blikken afweren.

Het was in één woord een beeld van den seminarist, van den Christelijken jonkman, zooals dergelijken in die dagen genoemd werden. Hij was dan ook een der studeerende jongelingen van Rolduc, van die kweekschool van jonge priesters, op de grenzen van Nederland en Pruisen gelegen. Het was thans vacantie, en het had den vader veel moeite gekost om zijn vromen zoon over te halen, zoo’n wereldsch vermaak als een matinée musicale is, in tegenwoordigheid zijner ouders bij te wonen. Toen hij niet meer weigeren kon, had hij het „vademecum”, dat hij van zijn biechtvader meegekregen had, geraadpleegd en toen hij daarin geschreven vond, dat hij, die het gevaar zoekt, in het gevaar vergaan zal, had hij het boekje met een zekeren weemoed dichtgeslagen. Hij kantte zich nog wel tegen den wensch zijns vaders aan, maar gaf toch eindelijk toe, en troostte zich met de gedachte, dat hij het niet was, die het gevaar opzocht. Hij werd tegen zijn wil in het gevaar gebracht. Als aanstaande strijder van de Kerk, zou hij evenwel weten pal te staan. Intusschen prevelde hij op de wandeling naar Slavante met vuur: „In viam pacis.... In nomine Domini!” [1] een gebed, dat hem als „itinerarium”, als marschorder op het pad des levens gedurende de vacantie verstrekt was.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Adventures of Sherlock HolmesIllustrated scene from FrankensteinIllustrated scene from The Great Gatsby

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.