Naar het Fransch van Pierre Sixemonts.
I. Het oud-Fransche „Departement des Forêts”.—Een gewoon middeleeuwsch kasteel wordt de wieg van een beroemd ras van keizers en koningen.—Jan, de Blinde, snelt naar Crécy en laat zich dooden voor Frankrijk.—Het land van de wolven.—Een klein Zwitserland op een paar kilometers afstands van Longwy.—Victor Hugo te Vianden.—Het Gibraltar van het Noorden.—De fee Mélusine.—De asch van een groot vorst.—De Chouans van Oesling.—De nationale dichters zingen liederen ter eere van Luxemburgs onafhankelijkheid, terwijl Duitschland bezig is, het te germaniseeren.
Daar ligt aan de poort van Frankrijk achter de golvende vlakten van de Ardennen een merkwaardig landje, rijk aan schilderachtige landschappen, die hier en daar een grootsch karakter aannemen, waar een aantal Belgen en Duitschers hun zomerkwartieren betrekken, terwijl de meeste Franschen van tegenwoordig er nauwelijks het bestaan van vermoeden. Nu is het waar, dat de naam Luxemburg—want over dat land gaat het—bij ons, om zoo te zeggen, is doodgezwegen sinds het diplomatieke incident van 1866, dat den fatalen oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland bijna vier jaren vroeger zou hebben doen uitbreken.
Het luxemburgsche land, waarvan de geschiedenis meer dan eens met die van Frankrijk samenviel, is de wieg geweest van machtige heeren, die dikwijls gestreden hebben in onze gelederen of aan de zijde van onze koningen. Onze nationale historie verhaalt van groote wapenfeiten van die dappere strijders, die voor Frankrijk hun leven offerden, en hun namen zijn met roem vermeld op de velden van Bouvines, Crécy en Azincourt. Tweemalen heeft Luxemburg deel uitgemaakt van het fransche grondgebied, eerst onder Lodewijk XIV na de groote veldtochten van maarschalk Créqui en daarna later weer tot 1815 onder den naam Département des Forêts. Toen de levée en masse door het Directoire was voorgeschreven, moesten de Luxemburgers tweehonderd duizend man onder de wapens brengen, een contingent van jonge, krachtige mannen, van wie velen hun bloed voor Frankrijk hebben gestort. Uit den gemeenschappelijken strijd en eenzelfde streven was groote sympathie ontstaan voor al wat Fransch was, en die voorkeur, die door een scheiding van reeds een eeuw niet is verminderd, is duidelijk aan den dag gekomen in den oorlog van 1870, toen de inwoners van Luxemburg bedreigd werden door de duitsche regeering, een bedreiging die gelukkig niet tot daden leidde.
Na Waterloo werd het vroegere fransche departement tot een onafhankelijken staat verheven. Nog niet lang geleden werd Luxemburg neutraal verklaard in geval van een oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland. Frankrijk ziet in het groothertogdom thans niet anders dan een bufferstaatje, dat zijn noordoostgrens beschermt. Het koestert geen andere ambitie, dan den status quo te handhaven met de neutraliteit van het luxemburgsche land, al mag men wel sceptisch gestemd zijn in zake de strenge handhaving dier neutraliteit van duitschen kant in geval van oorlog.
Duitschland heeft inderdaad sinds 1870 meer dan eens pogingen gedaan, om Luxemburg in zijn sfeer te halen. Door het groothertogdom in zijn tolverbond op te nemen, heeft het de douanegrens doen vallen, die aan die zijde belemmerend was voor den handel; maar had het daarbij niet nog een andere reden dan enkel de ontwikkeling van het handelsverkeer? Hoopte Duitschland misschien niet, dat de economische betrekking tot den kleinen staat nog eens zou leiden tot de politieke vereeniging? Sedert 1872 beheert Duitschland in vredestijd de luxemburgsche spoorwegen. Zou de verzoeking niet groot zijn, ze in oorlogstijd te gebruiken?
Groothertog Adolf had tot op zekere hoogte het opdringen van den buurman weten tegen te gaan. Zijn zoon, groothertog Willem, die een wankele gezondheid heeft en die door een tweeden aanval van beroerte werd getroffen slechts eenige dagen na zijn bestijging van den troon van Luxemburg, kan ieder oogenblik sterven. Hij heeft zes dochters, die door de Salische Wet nu nog van den troon verre worden gehouden. Men moet dus denken aan een zeer gevaarlijke quaestie, namelijk die der opvolging, en het is niet onwaarschijnlijk, dat Duitschland zal willen profiteeren van die omstandigheden, om van Luxemburg een nieuwen duitschen staat te maken.
Evenals België, waarvan Luxemburg slechts is gescheiden door een aangenomen, niet door een natuurlijke grens, is het een neutraal gebied tusschen de beide naburige groote staten; maar, gelukkiger dan België, dat het voorrecht van de neutraliteit alleen kon verkrijgen na het slagveld van Europa te zijn geweest en een der grondgebieden, waar het felst om is gestreden, is het luxemburgsche land integendeel een terrein, waar de groote legers zelden zijn verschenen. Bergachtig en vroeger zeer boschrijk, doorstroomd door kronkelende rivieren, door rotsen ingesloten, was het niet uitlokkend voor veroveraars en maakte de veldtochten daar tot lastige ondernemingen. De onbepaalde grenzen, die telkens wisselden naar de fluctuaties van de algemeene politiek, de vele veranderingen in het bestuur, als het nu eens bij den eenen, dan weer bij den anderen staat werd ingelijfd, eerst aan Spanje toegewezen, daarna aan Oostenrijk, dan weer afhankelijk van Frankrijk en later weer van Nederland, maakten, dat er iets onduidelijks en verwards in onzen geest komt, als we aan het landje denken, dat even moeilijk tot klaarheid is te brengen als zijn geschiedenis zelve.
Toen in het jaar 56 de veroveraar van Gallië onder de muren van Trier kwam, dat tot een Tweede Rome worden zou, werd al het omringende land van Gallië bewoond door een klein volk, waarschijnlijk van keltischen oorsprong. Hun hoofdbron van bestaan was de veeteelt, vooral die van paarden en varkens. Het leenstelsel verschijnt eerst in Luxemburg na het uiteenvallen van het rijk van Karel den Groote. Het was eerst niet veel meer dan een heerlijkheid met tot middelpunt een kasteel, door Siegfried opgericht op de afgelegen rotsen, den Grooten en den Kleinen Bock, die thans nog bestaan, en dit kasteel zou in het vervolg de onneembare citadel worden van Luxemburg.
Siegfried werd de vader van een nageslacht, dat groote mannen voortbracht, want het heeft vijf keizers geleverd aan Duitschland, vier koningen aan Boheme en zes koningen, zonder nog te rekenen de prinsessen, wier huwelijk den luister van een aantal beroemde geslachten verhoogde. Welk kind op onze scholen heeft niet met belangstelling geluisterd naar de heldendaden van Jan van Luxemburg, beter bekend onder den naam van Jan den Blinde? De regeering van de Republiek heeft nog niet lang geleden voor dien ridderlijken koning een prachtig monument opgericht te Crécy op dezelfde plaats, waar hij, strijdend voor de glorie van onze wapens, viel onder een aanval van de engelsche boogschutters.
Toen hij door zijn huwelijk met Elisabeth van Boheme koning van dat land was geworden, had hij zijn legers tot in Polen doen doordringen, waar hij in een veldslag een oog verloor. Er gaan heel wat verhalen rond omtrent de oorzaken van en de omstandigheden, waaronder dat eerste ongeluk verergerde en eindelijk leidde tot de volslagen blindheid van koning Jan. Volgens authentieke bescheiden was zijn gezicht vanaf zijn geboorte zwak. Gedurende den tweeden veldtocht in Litouwen zouden de dichte nevels van de moerassige vlakten een ontsteking hebben veroorzaakt, die naar geen behandeling luisterde. De koning beproefde beterschap te vinden bij een geneesheer te Breslau; maar de aan hem bestede zorg verergerde slechts de kwaal. Door toorn meegesleept, liet hij den ongelukkigen stadsesculaap in een zak naaien en in de Oder verdrinken. Eenigen tijd later ging hij incognito naar Montpellier, om genezing te zoeken bij de beroemde dokters van die universiteitsstad, en de legende verhaalt, dat een joodsche dokter hem door onhandigheid het tweede oog deed verliezen. De blindheid belette hem niet, toch nog ten oorlog te gaan en Filips van Valois te helpen te Crécy, door hem versterking te leveren. „Breng mij vooraan in het gevecht,” zei hij tot zijn leenmannen, „opdat ik mijn degen kan gebruiken.” Hij had zijn paard laten vastmaken aan den teugel van een zijner dappere ruiters en reed inderdaad zoo ver in het strijdgewoel, dat hij er den dood vond.
Keizer Karel IV verhief het graafschap Luxemburg tot een hertogdom, dat tot in het jaar 1795 steeds van eigenaar verwisselde, in welk jaar de Franschen zich van de citadel meester maakten na een beleg van acht maanden. Twintig jaren later werd ons Woudendepartement tot Groothertogdom verheven en kwam bij den Duitschen Bond met den koning der Nederlanden, Willem I, tot groothertog. Na Sadowa en de ontbinding van den Duitschen Bond moest de vesting Luxemburg worden ontmanteld, en het pruisische garnizoen, dat er verblijf hield, trok zich uit het Groothertogdom terug. Het luxemburgsche leger, herleid tot een compagnie vrijwilligers, telt, als alles compleet is, honderd-vijftig man en vier officieren.
Het Groothertogdom bestaat uit twee zeer uiteenloopende gedeelten, die verschillen in geologische formatie, algemeen aanzien, klimaat, landbouw en niet minder door de zeden der bewoners. De streek grenzende aan Lotharingen en die verreweg het grootst is, is bekend onder den naam van Goedland en verschilt veel van Oesling of Eisling, het luxemburgsche Siberië, dat in het Noorden ligt. Goedland, waarin de hoofdstad is gelegen met het dal van de mooie, sierlijke Alzette, is zoo goed als overal met boomen bedekt, vruchtboomen vooral, en met wijngaarden; enkele van de daar gewonnen wijnsoorten, o.a. die van Wormeldange, worden gerekend tot de goede europeesche wijnen. De bodem, die door de waterloopen doorgroefd is, vertoont golvende heuvels, uitmuntend door vruchtbaarheid en geschikt voor allerlei culturen. Daarentegen heeft Oesling met zijn steenachtigen, scherpen en onvruchtbaren grond een grillig aspect van romantische dalen en vreemd gevormde rotsen, met veel bruggen en tunnels. Het primitieve en woeste had een diepen indruk gemaakt op de soldaten van de Republiek, die met het oog op den hardnekkigen weerstand, hun door natuurlijke hindernissen geboden, Luxemburg hadden bestempeld met de benaming van Land der Wolven.
Welnu, ondanks dien onsierlijken en afschrikkenden naam is het Wolvenland veel aantrekkelijker en rijker aan natuurschoon dan de meeste bergstreken van Europa, waarheen de mode de toeristen doet stroomen, om origineele natuur waar te nemen. Een aantal dalen liggen tusschen hooge rotsen met steile hellingen. Verscheiden kloven zijn zoo smal en diep, dat men van den eenen naar den anderen kant met elkander kan spreken, zonder dat men door den plantengroei van de hellingen het water kan zien, dat door de kloof vloeit. Op vele plaatsen schijnt het, alsof de rotsen met elkander in strijd raken in een gevecht van reuzen en tot elkander naderen, als om in hun omstrengeling de treinen te vermorzelen, die voorbij moeten gaan. Op veel punten heeft men een weg door de bergen moeten aanleggen, en de tunnels zijn talrijk, waar men bij het uitkomen vergast wordt door steeds nieuwe en mooie panorama’s.