
Public-domain ebook
Ingrid
Language: nl239 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Romance·Novels·Nobel Prizes in Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76739.

Public-domain ebook
Language: nl239 downloads on Project Gutenberg
Subjects
In: Romance·Novels·Nobel Prizes in Literature
Public-domain ebook sourced from Project Gutenberg #76739.
The opening · free to read
Het was een heerlijke herfstdag omstreeks 1838. In dien tijd stond er in Upsala een hoog, geel geschilderd huis,—verdeeld in een boven- en benedenhuis—, wonderlijk eenzaam op een kleine weide, ver weg, aan den buitenkant van de stad. ’t Was een vuil, somber huis, maar ’t werd versierd door een massa wilde wingerd, die er tegen op groeide en aan de zonzij zóó hoog tegen den gelen muur op gekropen was, dat hij de drie vensters van de bovenwoning geheel omlijstte.
In een kamer achter een van die vensters zat een student te ontbijten. Hij was een groote, knappe, jonge man met een aristocratisch uiterlijk. Hij droeg het fraai krullend haar hoog opgestreken boven ’t voorhoofd en één lok gleed telkens neer over zijn oogen; hij was gekleed in een gemakkelijke losse jas, die toch zeer elegant was. Hij had zijn kamer keurig ingericht. Er stond een sofa, men vond er gecapitonneerde stoelen, een groote schrijftafel, een prachtige boekenkast—maar bijna geen boeken.
Vóór hij nog met zijn ontbijt gereed was kwam een student binnen; dat was een man van een geheel ander type: een kleine, breedgeschouderde gestalte, forsch en sterk, leelijk, met een groot gezicht, dun haar en grof vel.
„Wel Hede,” zei hij, „ik ben gekomen om eens een ernstig woordje met je te spreken.”
„Is er iets wat je hindert?”
„Och neen, mij niet,” antwoordde de andere, „’t is meer iets wat jou raakt.”
Hij bleef een poos zwijgend zitten en zag voor zich neer. „’t Is verduiveld vervelend om ’t je te zeggen.”
„Zeg het dan niet,” stelde Hede voor. Hij vond dien plechtigen ernst zeer vermakelijk.
„Ja dat is ’t juist! ik kan het niet laten,” antwoordde zijn gast. „Ik had al lang geleden moeten preken, maar ’t past me zoo slecht, begrijp je wel? Mij dunkt je moet aldoor denken: „Die Gustaaf Alin, een zoon van één van onze ondergeschikten, vindt nu, dat hij een heele kerel is en komt me de les lezen.”
„Neen Alin,” zei Hede, „meen nu nooit, dat ik zoo iets denk. Mijn grootvader was immers ook een boerenzoon.”
„Ja, maar daar denkt nu niemand meer aan,” zei Alin. Hij zat daar log en traag voor Hede en hernam steeds meer van zijn boerenmanieren, alsof dat hem uit de verlegenheid kon helpen.
„Zie je, als ik denk aan den afstand tusschen jouw familie en de mijne, dan vind ik, dat ik zwijgen moet; maar als ik me herinner, dat je vader me indertijd geholpen heeft, zoodat ik studeeren kon, dan vind ik dat ik spreken moet.”
Hede zag hem aan met een zachte uitdrukking in de oogen.
„Spreek nu, zoodat je van die zorg afkomt,” zei hij.
„’t Is dit,” zei Alin, „dat ik de lui hoor zeggen, dat je niets uitvoert. Ze zeggen, dat je haast niet in een boek gekeken hebt in dit jaar, dat je aan de academie geweest bent. Je doet niets dan den heelen dag op de viool spelen. En dat lijkt me niet onwaarschijnlijk, want je hebt vroeger nooit iets anders willen doen, toen je in Falun op school ging, behalve als je tot werken gedwongen werdt.”
Hede was wat stijf in zijn stoel gaan zitten. Alin werd hoe langer hoe ongelukkiger, maar ging nu vastbesloten voort:
„Je denkt natuurlijk, dat hij, die een landgoed als de Monnikshut bezit, kan doen wat hij wil: werken of niet werken, al naar ’t hem aanstaat. Doet hij een examen dan is ’t goed. Doet hij ’t niet, dan is ’t bijna even goed. Want je wilt toch niet anders doen, dan je mijnen exploiteeren en je heele leven op de Monnikshut wonen.—Ik begrijp best, dat je zoo denkt.”
Hede zweeg en Alin vond, dat hij zich met denzelfden muur van voornaamheid omgaf, die in zijn oogen altijd Hede’s ouders, den ouden raadsheer en zijn vrouw, omringde.
„Maar ’t is nu zoo, dat de Monnikshut niet meer ’t zelfde goed is als vroeger, toen de ijzermijn nog rendeerde,” ging hij voorzichtig voort. „Dat wist mijnheer de raadsheer wel en hij bepaalde zeker daarom vóór zijn dood, dat je zoudt studeeren. En Mevrouw weet het ook wel, ’t arme mensch en de heele gemeente weet het. De eenige, die ’t niet weet, ben jij, Hede.”
„Meen je,” zei Hede, wat koel, „dat ik niet weet, dat in de ijzermijn niet meer gewerkt kan worden?”
„O neen, dat weet je wel,” zei Alin, „maar zie je, wat je niet weet, is dat ’t heelemaal uit is met de Monnikshut. Denk zelf nu eens na. Dan kun je toch wel inzien, dat men niet alleen van landbouw leven kan in de Westerdalen. Ja, ik weet niet waarom je moeder dat voor je geheim gehouden heeft. Maar bij jelui heeft nog geen boedelscheiding plaats gehad, dus zij hoeft je nergens in te raadplegen. Iedereen thuis weet, dat zij het krap heeft; zij leent hier en daar geld, zegt men. Zij heeft je niet willen plagen met haar zorgen, denk ik, maar meent, dat ze alles wel gaande kan houden, tot je je examens gedaan hebt. Ze wil niet verkoopen, vóór je klaar bent en een eigen huis hebt.”
Hede stond op en begon de kamer op en neer te loopen. Toen bleef hij voor Alin staan.
„Hoor eens kerel, je zit me hier wat wijs te maken. We zijn immers rijk!”
„Ik weet wel, dat jelui bij ons thuis nog altijd tot de grootelui gerekend wordt,” zei Alin. „Maar je begrijpt wel, dat ’t niet gaat als er alleen uitgegeven wordt en er geen inkomen is. ’t Was wat anders toen jelui de ijzermijnen nog hadt.”
Hede ging weer zitten. „Mijn moeder had me dat toch moeten zeggen,” sprak hij. „Ik dank je, Alin, maar je hebt je door praatjes in de war laten brengen.”
„Ja, dat dacht ik wel, dat je er niets van wist,” zei Alin; „thuis op de Monnikshut zit Mevrouw te sparen en te werken om je geld te kunnen zenden opdat je het prettig en goed zoudt hebben in de uren, dat je op je kamer komt. En intusschen zit jij hier en voert niets uit, omdat je niet weet, dat er onraad is. Ik kon ’t niet langer aanzien, dat jelui elkaar bedrogen. Zij meende, dat je werkte en jij meende, dat zij rijk was. Ik kon je niet je toekomst laten bederven zonder iets te zeggen.”
Hede zat een poosje zwijgend na te denken. Toen stond hij op en reikte Alin de hand met een droevigen glimlach.
„Je begrijpt immers wel, dat ik weet, dat je de waarheid spreekt, al wil ik ’t ook niet gelooven. Ik dank je.”
Alin schudde hem de hand, stralend van geluk. „Je begrijpt wel, Hede, dat er nog niets verloren is, als je maar aan ’t werk gaat. Met jouw kop kun je immers binnen twee jaar klaar zijn.”
Hede richtte zich op. „Wees maar gerust, Alin,” zeide hij, „ik zal nu voortmaken.”
Alin stond op en ging naar de deur. Maar eer hij die bereikt had, keerde hij om. „Ik had nog een ander verzoek,” zei hij en werd weer heel verlegen. „Ik wou je vragen, of je mij je viool niet wilt leenen, tot je op gang met je studie gekomen zijt.”
„Eer ik de deur uit was zou je weer gaan spelen. Je bent er nu zoo aan gewend, dat je ’t niet zoudt kunnen laten, als je hem hier hieldt. Zoo iets kan een mensch niet overwinnen zonder hulp. Dat werd je te machtig.”
Hede was onwillig. „Dat is immers onzin,” zei hij.
„Och neen, dat is geen onzin. Je weet immers wel, dat je ’t van je vader geërfd hebt. ’t Zit je in ’t bloed, dat vioolspelen. En zoodra je je eigen baas was hier in Upsala, heb je niet anders gedaan. Je woont hier immers zoo ver buiten de stad, alleen om niemand met je spel te hinderen. Je kunt hiermeê heusch jezelf niet helpen. Laat mij nu de viool meênemen.”
„Ja, vroeger,” zeide Hede, „heb ik ’t spelen niet kunnen laten. Maar nu geldt het de Monnikshut. Daar geef ik meer om dan om de viool.”
Maar Alin bleef staan en hield aan en vroeg om de viool.
„Maar waar dient dat voor?” vroeg Hede. „Als ik spelen wil, hoef ik niet ver te gaan om een andere viool te leenen.”
„Ja, dat weet ik wel,” antwoordde Alin, „maar ik geloof niet, dat een andere viool zoo gevaarlijk is. Het is die oude italiaansche viool, die ’t ergste is voor jou. En dan wou ik je ook voorstellen: laat je de eerste dagen opsluiten. Alleen maar tot je op streek met je werk bent.”
Hij smeekte Hede toe te geven, maar tevergeefs. Hede wilde zich niet aan zulk een belachelijken maatregel onderwerpen. Je op je kamer te laten opsluiten!
Alin werd vuurrood.
The book keeps going
Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.



Scenes Storieta drew for other classics.
New illustrated classics
Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.