Storieta
English
Sign up

The opening · free to read

TWEE VOORSPELLINGEN.

EEN STUK LEVENSBESCHRIJVING VAN SELMA LAGERLÖF.

Men kan wel begrijpen, dat ze het druk en moeilijk hebben op de oude hoeve Mårbacka, den 2en November 1858. Er is daar dien dag vrij laat in den avond een kind geboren, en zooiets brengt immers altijd onrust en opschudding te weeg, zelfs op een plaats, waar men gewoon is het leven kalm op te nemen en niet meer beweging over iets te maken dan noodig is.

Tegen den avond, als het donker is, komt de dominésvrouw, die op de naastbijzijnde hoeve woont en steekt het hoofd om de keukendeur. ’t Is een klein, oud vrouwtje, een familielid en vriendin, die door alle menschen „Tante Wennervik” wordt genoemd. Ze kon niet rustig thuis blijven, maar heeft een shawl over het hoofd geslagen, een lantaarn in de hand genomen en voor zich uit lichtend den weg gezocht langs het smalle dwarspad, dat achter den tuin om loopt, om te hooren hoe het nu is.

De dominésvrouw wordt dadelijk in de kamer achter de keuken gelaten. Daar woont de oude mevrouw Lagerlöf, weduwe van den regimentssecretaris Lagerlöf, nog op den dag van heden, zoo als ze daar haar leven lang gewoond heeft, als getrouwde vrouw èn als jong meisje. Zij zit daar, 70 jaar oud en met grijze haren in haar hoekje op de canapé, kousen te breien voor haar kleinkinderen, zooals zij altijd doet. Bij haar in de kamer is alles rustig, en zij is zelf kalm, omdat haar zoon, luitenant Lagerlöf, die bij den dood van zijn vader de hoeve heeft overgenomen, zoo juist bij haar is geweest en haar verteld heeft, dat het ergste nu voorbij is, en dat het kind ter wereld is gekomen.

Hoewel ’t al laat op den dag is, zet de huishoudster de koffie op en komt al gauw de kamer in met een gevuld koffieblad. Daarna blijven tante Wennervik en de oude mevrouw alleen en drinken samen koffie. Tante Wennervik hoort, dat er een meisje is geboren, en de twee oudjes, die aan de grens van het leven staan, zitten er over te praten hoe dat kindje, dat zoo pas gekomen is, het wel in haar leven zou hebben.

„Ze zal het krijgen zooals ze verdient,—niet beter en niet slechter,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Dat hangt ook wel een beetje van het geluk af, moet ik zeggen,” antwoordt tante Wennervik.

Juist toen de dominésvrouw die woorden uitspreekt, buigt de oude mevrouw Lagerlöf zich voorover en voelt aan de reticule, die tante Wennervik altijd aan den arm heeft hangen. Daar zit van alles in, want tante Wennervik is iemand, die overal raad op weet en die er daarom ook voortdurend op bedacht moet zijn, dat de menschen haar om hulp komen vragen. Ze is eerst, toen zij al oud was, getrouwd met dominé Wennervik, die een broer van mevrouw Lagerlöf is; vóór dien tijd heeft ze op veel groote hoeven aan het hoofd van de huishouding gestaan. Daarom heeft zij overal verstand van, van het klaarmaken van een bruiloftsmaal en het opzetten van het fijnste driedraads weefwerk tot het verzorgen van zieken en het opvoeden van jonge boerendochters tot goede huismoeders toe. Nu mevrouw Lagerlöf aan de reticule voelt, merkt ze al gauw, dat daarin, behalve de bril, en de sleutelbos, en het naaigerei, en de hoestpastilles, en de medicijnflesch en het weefboek en het reukdoosje, ook nog een hard vierkant voorwerp is.

„Ik voel, dat je de kaarten bij je hebt,” zegt ze.

Tante Wennervik’s verbleekte wangen worden een beetje rood. Ze kan voorspellen en ze legt nooit de kaart of al wat ze voorspelt, komt uit.

Ze is er een beetje gevoelig voor, dat men zich tot haar wendt om haar kunst te vertoonen; maar dat wil ze niet weten. Ze betuigt dat ze in ’t geheel niet vermoedde, dat ze de kaarten bij zich had. Ze kan heelemaal niet begrijpen hoe ze in haar reticule gekomen zijn.

„Maar nu je ze toch bij je hebt, kun je ze toch wel even leggen voor dat stumpertje, dat juist op de wereld is gekomen,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

Tante Wennervik maakt wat complimentjes, maar ze laat zich niet heel lang bidden, en dus wordt de koffiekan op zij gezet en de oude dominésvrouw begint de kaart te leggen. Zij hanteert ze met groote vaardigheid en terwijl de oude mevrouw Lagerlöf haar zit aan te kijken kan ze niet laten te denken, dat haar schoonzuster er als een echte kaartlegster uitziet. Ze heeft een bruine gezichtskleur, donkere, vonkelende oogen en een langen neus zoo krom als een haak. Op ’t hoofd heeft ze een zwarte kanten muts, die met een punt over het voorhoofd hangt, en bij de slapen hangen drie groote krullen. Ze heeft nog geen enkel grijs haar en ze heeft geen plekje in haar gezicht, dat niet één en al rimpels is.

Tante Wennervik legt de kaarten uit in vier rijen van negen kaarten, en als ze dat gedaan heeft, zet ze haar wijsvinger op de eerste kaart en begint te tellen: één, twee, drie, vier—tot zestien toe. Ze telt op en neer, vooruit en achteruit en verzet haar vingers onder het tellen, tot ze aan de zestiende kaart komt. Dan mompelt ze wat in zich zelf, alsof ze niet recht tevreden is.

„Nu, wat zie je?” vraagt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze is wat ziekelijk,” antwoordt de dominésvrouw, „en ik geloof, dat ze dat haar heele leven houden zal.”

„Iedereen moet zijn kruis dragen. Anders wordt je niet flink,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf. Zij is opgewekt van natuur en wil altijd van alles het beste zien. „Als ze ziekelijk is, moet ze een rustig leven leiden en dat is ook ’t beste voor een mensch.”

Tante Wennervik zet weer den wijsvinger op de kaarten en begint te tellen.

„Er staan haar vele en lange reizen te wachten,” zegt ze, en kijkt schalks haar schoonzuster aan. „En verscheiden keeren moet ze verhuizen.”

„Op een rollenden steen groeit geen mos,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf. Zij, die haar heele leven op dezelfde hoeve heeft gewoond, vindt het niet zoo heel prettig, dat haar kleinkind iemand worden zal, die door ’t heele land zwerft.

„Maar ik kan wel begrijpen, dat ze, als ze ziekelijk wordt, haar eigen brood niet verdienen kan, maar van den een naar den ander wordt gezonden in de familie. ’t Is niet zoo gemakkelijk door de wereld te komen voor iemand, die niet werken kan en zich nuttig maken.”

„Ze moet werken en zwoegen haar leven lang,” verkondigt tante Wennervik na weer een poos geteld te hebben. „Daar hoeft ze dus niet bang voor te wezen.”

„Zoo?—dan beteekent dat zeker, dat zij haar brood bij anderen moet verdienen en dikwijls van betrekking veranderen,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf en zucht. Zulk een leven komt haar, die nooit bij een ander in dienst is geweest, als het ergste voor wat er is. „Maar met jou ging het toch goed,” zegt ze en haar gezicht klaart op. „Als ze maar zoo’n flink mensch wordt als jij!”

„Ze zal haar heele leven geen weefsel opzetten,” zegt tante Wennervik, met den neus over de kaarten gebogen; en zóó is ze verdiept in het uitvorschen van de toekomst, dat zij er in ’t geheel niet over denkt of ze iets aangenaams of onaangenaams voorspelt. „Ze zal veel met boeken en papieren te maken hebben, dat zul je zien.”

De oude mevrouw Lagerlöf buigt zich ook over de kaarten, alsof ze wil trachten uit deze verwarring wijs te worden.

„Zal zij veel te maken hebben met boeken en papieren?” zegt ze verwonderd. „Je meent misschien, dat ze met een armen dominé trouwen zal, die steeds van de eene gemeente naar de andere zal verhuizen en nooit tot rust komen. Maar als hij maar een braaf mensch is, die goed voor haar is...”

Tante Wennervik steekt een vinger in de lucht en valt haar in de rede.

„Wil je dat ik ’t zeggen zal zoo als het is?”

„Ja zeker wil ik dat,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze trouwt nooit.”

„Zoo, trouwt ze nooit?” zegt de oude mevrouw Lagerlöf en nu moet ze zichzelf goed beheerschen om niet te toonen hoe verschrikt ze is. „Ja, ze wordt misschien op die manier voor veel verdriet bewaard. Maar je kunt misschien wel zien of ze een braaf en goed mensch wordt?”

„Lief en bescheiden wordt ze wel,” zegt tante Wennervik en buigt zich weer over de kaarten om nog meer geheimen na te speuren, maar nu wordt ze in de rede gevallen door de oude mevrouw Lagerlöf, die wat droog zegt:

„Nu moet je maar liever niets meer zeggen. Ik ben blij, dat ik te weten kwam, dat ze een goed mensch wordt. Dat is eigenlijk het eenige wat van belang is.”

Er is een boek, dat Oceola heet—ja ’t is ook wel mogelijk, dat ik het me verkeerd herinner en dat het een anderen mooien vreemden naam heeft. Het is een Indianenboek, zooals men het nu noemt, maar het is zeker niet oorspronkelijk voor kinderen geschreven, maar voor groote menschen bestemd. Ik weet niet wie het geschreven heeft en ook niet wanneer het geschreven is; maar zeker is het heel oud, want het is meer dan veertig jaar geleden, dat ik het voor het eerst zag. Ik kan niet zeggen hoe het kwam, dat dit boek zijn weg vond naar mijn ouderlijk huis in Wermeland; het hoorde niet tot de boeken van het huis, die meest gedichten bevatten en maar heel enkele romans. ’t Kan zijn, dat een bezoeker het meebracht, of de zuster van mijn vader, die veel romans verslond, heeft het van een van de buren geleend. Maar hoe dat ook was, het is zeker, dat het op een mooien dag toen ik zeven à acht jaar oud was, thuis op een tafel lag en ik het in ’t oog kreeg.

Ik houd veel van lezen en ik zit gewoonlijk iederen dag op een laag stoeltje naast moeder als zij zit te naaien en lees haar voor uit „Nösselts algemeene geschiedenis voor vrouwen”. We zijn alle zeven deelen doorgekomen, maar ik begrijp het eerste deel, met al die vele sagen, het best. Ik vind het iederen keer weer heerlijk als Odysseus thuiskomt en de aanbidders van zijn vrouw doodschiet; maar het afscheid van Hektor en Andromache sla ik liefst over, omdat ik het niet lezen kan zonder te schreien.

De Fritjofssage, de sprookjes van Andersen, de verhalen van Stål, de vaandrig, hooren ook tot mijn goede vrienden, maar een roman heb ik nog nooit onder de oogen gehad. Ik denk er ook niet aan dat dikke boek te lezen, dat er uitziet alsof men jaren noodig zou hebben om er door te komen, ik blader er alleen maar in. Maar het geluk wil, dat ik het juist dáár opensla, waar de heldin van het boek, de jonge, schoone dochter van een plantage-eigenaar, midden onder het baden overvallen wordt door een alligator. Ik lees hoe zij vlucht en vervolgd wordt en in levensgevaar verkeert. Nog nooit heb ik iets gelezen, dat me zóó in spanning bracht. Ik sta ademloos te lezen tot de jonge heldhaftige Indiaan tot hulp komt aansnellen en na een vreeselijken strijd met den alligator zijn mes in het hart van het dier steekt.

Daarna lees ik de eene bladzij na de andere, zoo lang ik met rust gelaten word. En zoodra ik een vrij oogenblik heb en niet aan de schooltafel moet zitten om te leeren schrijven, rekenen en lezen, sluip ik weg naar Oceola, die steeds op dezelfde plaats blijft liggen en lees verder.

Ik ben heelemaal bekoord, betooverd! Dag en nacht denk ik aan dat boek! ’t Is een nieuwe wereld, die ik plotseling heb ontdekt. ’t Is de heele rijkdom van het leven, die mij voor het eerst wordt geopenbaard. Daar zijn liefde, heldendaden, schoone, edele menschen, laaghartige schurken, gevaren en vreugden, geluk en nederlaag. En vooral is er een kunstig in elkaar geslingerde rij gebeurtenissen, die spanning en verwachting wekken. Van dat alles heeft een klein zevenjarig meisje, dat op een stil landgoed opgroeit, nog nooit eenig vermoeden gehad.

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from The Great GatsbyIllustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in Wonderland

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.