Storieta
Sign up

The opening · free to read

In dit geval dienden er wel vier:

1o. Ik zou, dacht me, een Nederlandsch boek schrijven, dat niet, zooals de meeste vertaalde boeken doen, de jongelui een droomenleven liet leven ergens vèr over de grenzen, zoodat zij voor het leven in hun eigen land en zijn te veel miskende koloniën geen oog krijgen.

2o. Niettemin mocht ik geen voedsel geven aan dien rampzaligen geest, welke de eigen nationaliteit tracht te verheffen door het antichristelijk „Raka!” uit te spreken over wie van een ander ras of gelaatstype is.

3o. Het moest een boek van onzen tijd zijn, en waar ik een stukje Geschiedenis gaf, daar mocht dit niet te ver achter onzen leeftijd liggen. De grijsheid moge leven in het verleden,—het heden behoort aan de jeugd.

4o. Ik zou schrijven voor jongelui, die al zoo ver zijn, dat ze hun oogen beginnen open te doen voor hun bestemming, en die al bij zichzelven gaan vragen: Waartoe dient het leven en waartoe zal ik het mijne besteden?

Ik heb hun den raad willen geven, het niet toe te wijden aan zichzelf en aan de wereld, maar aan Hem, wiens dienst ons alleen waarlijk gelukkig kan maken. Daartoe heb ik geen gebruik gemaakt van lange, stichtelijke redeneeringen, maar getracht hun het onderscheid tusschen wie God dient en wie Hem niet dient te laten zien.

Dit boek geeft de heele ontwikkelingsgeschiedenis weer van den knaap tot den volwassen jongeling en kàn, dunkt mij, tot allen, die zich in dit levensstadium bevinden, iets te zeggen hebben.

Ik heb mij echter voorgesteld het woord te richten tot een ontwikkelden leerling, die van school ging en die nu een avondje bij mij kwam, om afscheid te nemen. O, dat is een geduchte overgang, als men een laatsten blik werpt door de poort der school en, nieuwsgierig, voor de eerste maal tuurt door de poort van ’t werkelijke leven! Ik zag, dacht mij, hoe mijn lieve, jonge bezoeker zijn heele jongelingsleven vóór zich zag liggen in wonderschoonen, doch geheimzinnigen nevel; en met schitterende oogen mat hij, meende ik, den afstand die daar ligt tusschen de schoolfrak en het bruigomsgewaad! En zoo zaten wij dan tegenover elkaar: hij vol hoop en ik vol vrees. Want ik dacht aan de talrijke gevaren, die hem op zijn lange reis konden bejegenen. En toen nam ik de pen op en teekende hem de twee wegen, waarlangs hij zou kunnen gaan, nu voor de laatste maal nog eens liefderijk en duidelijk en ten einde toe voor.

Moge onder Gods zegen deze teekening er een weinig toe bijdragen om vele jongelui, die op ’s levens tweesprong staan, te brengen tot een vroege, vaste en—vroede keuze!

HILBRANDT BOSCHMA.

INHOUD.

Bladz. Hoofdstuk I, waarin de lezer kennis maakt met „Blank” en „Bruin” en voorts met een tweetal vogels en een aap. 1 Hoofdstuk II, waarin de jongens van Weverstede kennis maken met moordtuigen en afgoden, en de vreemde knaap met een kool 9 Hoofdstuk III, waarin Bamboe zich brandt aan ijs en sneeuw, en de jongens van het Wed een fort bouwen 16 Hoofdstuk IV. Een gevecht in de sneeuw. Bamboe meent, dat er in sneeuwballen steenen groeien, en dat de engelen een bruine kleur hebben 28 Hoofdstuk V, waarin Bamboe de ondervinding opdoet, dat de rivieren in Holland ’s winters heet water bevatten, en Kees, de aap, dat een bedsteêplank een hard voorwerp is, om er zijn woede tegen te luchten 42 Hoofdstuk VI, waarin Leo dertig centen en dertig sterren telt, en Dirk Drijver zeven „heidens” gevangen neemt 57 Hoofdstuk VII. Leo gaat rupsen zoeken en vangt een hollend paard 71 Hoofdstuk VIII, waarin iets verhaald wordt uit de geschiedenis van de familie Van Dintelburg 84 Hoofdstuk IX, waarin de leer der „tropen” wordt behandeld en een leeraar als zijn meening te kennen geeft, dat de Bijbel geen vertaald boek is 94 Hoofdstuk X. Leo en Rudolf zijn voor een oogenblik goede vrienden, ’t geen echter voor den eerste slechte gevolgen heeft 104 Hoofdstuk XI. Bamboe spreekt van een verbrande padi-schuur en ondervindt dat een Christen een zacht sterfbed heeft 111 Hoofdstuk XII. Leo installeert zich ten huize van zijn oom. 120 Hoofdstuk XIII, waarin het oude spreekwoord bevestigd wordt, dat een ongeluk nooit alleen komt 125 Hoofdstuk XIV. Rudolf raakt in ’t gedrang en vertrekt naar Duitschland 135 Hoofdstuk XV. Leo maakt een plan voor de toekomst, en dat van zijn oom wordt in duigen geworpen 144 Hoofdstuk XVI, waarin een gevecht wordt geleverd van man tegen man 148 Hoofdstuk XVII, waarin blijkt, dat de liefde eindelijk machtiger is dan de haat 163 Hoofdstuk XVIII, waarin op één dag vijf feesten worden gevierd 170 Woordenlijst 181

Wat men leest, kan nu allemaal geen „gesneden koek” zijn.

’t Kan dus best gebeuren, dat er in dit boekje hier en daar een gedeelte voorkomt, waarvan de jonge lezer zegt: „Kijk, dat begrijp ik niet goed!” ’t Best is om het dan nòg eens te lezen. Zelfs hebben wij hier en daar wel eens een vreemd woord gebruikt.—Luiaards slaan zoo iets natuurlijk maar over, doch flinke jongelui vragen: „Wat beteekent dat?” Nu, de meeste dezer woorden—’t zijn er niet veel—hebben wij met een * gemerkt en achter in ’t boek kortelijk verklaard.

„Zeg, zeg! Kijk e’s, wat ’n leelijkerd!” zei jonker Rudolf van Dintelburg, terwijl hij driftig zijn kameraads tegen den arm stiet, „kijk dan,—dáár,—achter dien vent, met dien koffer op z’n rug! Kijk, nou kun-je hem weer zien!”

Alle jongens keken in de aangewezen richting het Stationsplein op, waar zij te midden van de schare reizigers, die van den trein kwam, een man zagen voortschrijden, die werkelijk—tenminste in de oogen van een Hollandschen schooljongen—geen aanspraak kon maken op den naam, „mooi” te zijn, al was ’t alleen maar om de kleur van zijn gelaat en om het vreemdsoortige van zijn kleeding.

„Willen we eens gaan kijken?” stelde Frits Wildering voor.

„Nee, nee,” zei Pauw van Lockhoff. „Nee jongens, ’t is al vier uur, en als commissaris van „Achilles” zeg ik, dat wij dadelijk moeten beginnen te trappen.”

„Wel, wel, Pauwtje, wat pronk je met je nieuwe veeren!” gaf Frits spottend ten antwoord, „’t Lijkt wel of je commissaris van politie bent, in plaats van commissaris van een voetbal-club. En hoe lang bekleed je die waardigheid al?—Een hééle week!”

„Wel, ja,” ondersteunde Prosper van den burgemeester, „laten we eens gaan zien! ’t Is toch nog zoo warm, we kunnen best een half uurtje wachten, vóór we beginnen.” En om aan te toonen, hoe warm hij het wel had, haalde hij zijn zakdoek te voorschijn en veegde met een zwaren zucht het zweet van zijn blozend gelaat. Prosper was een korte, dikke jongen, die, naar de uitdrukking zijner makkers, gemaakt was uit „vet zonder beentjes” en die daarom niet oneigenaardig steeds werd aangesproken als „Prop”.

„Ik ben er tegen,” hield Pauw vol, „het reglement zegt van vier uur en dan moeten we beginnen óók.”

„Tenminste, als ik het wil!” zei Rudolf van Dintelburg, terwijl hij het hoofd met een zelfbewust gebaar in den nek wierp en op elk woord een koninklijken nadruk legde.

„En ik verkies,” vervolgde hij op denzelfden toon van gezag, „dat wij dien vreemden snoeshaan met dat leelijke jongetje eens wat nader in oogenschouw nemen.”

„Gelukkig!” zuchtte Prop, terwijl hij den president van de voetbal-club „Achilles” een dankbaren blik toewierp.

Pauw zweeg, want Dolf van Dintelburg regeerde over zijne makkers als een autocraat*, zoowel in de voetbal-club als overal elders.

De knapen maakten derhalve op het pad naar de Blinde-Wei, waar zij gewoonlijk het balspel beoefenden, rechts-om-keert, staken het Stationsplein weer over en hadden de reizigers, waartusschen zij zulk een zonderlinge verschijning hadden opgemerkt, al spoedig ingehaald, en bleven ze, hoewel vooreerst nog op eerbiedigen afstand, volgen.

Vreemdelingen nieuwsgierig aan te gapen of na te loopen is een onbeleefdheid, waaraan de jeugd in Nederland zich, helaas, veel meer schuldig maakt dan die van andere landen. Maar in dit geval hadden onze jongens toch eenige verontschuldiging voor hun gedrag, want ook oudere menschen bleven allerwegen met verbazing staan, om de vreemde reizigers nieuwsgierig aan te staren.

De Weversteders, die nog nooit veel verder dan hun geboorteplaats waren geweest, hadden zulk een slag van menschen dan ook nooit te voren aanschouwd.

De oudste was kort van gestalte, doch had in zijn loopen iets bijzonder lenigs. Zijn gelaatskleur was koffiebruin; zijn kortgeknipt haar blauwachtig zwart. Zijn voorhoofd was reeds gerimpeld, maar zijn oogen glinsterden nog als gitten, terwijl, als hij sprak, twee rijen parelwitte tanden tusschen de breed-geteekende lippen te voorschijn kwamen. Hij droeg een gewonen Europeeschen, breedgeranden, vilten hoed van zilvergrijze kleur en, hoewel het in de heetste dagen van Augustus was, een met wol gevoerde demi-saison. Onder dit kleedingstuk had hij een soort van kort buis, waaronder een veelkleurige voorschoot tot op zijn knieën afhing. Om zijn middel droeg hij voorts een kleurigen, geplooiden doek, waarover een smalle, platte band, die met gespen was aangehaald.

De jongste was een knaap van een jaar of elf. Hij was eenvoudig, doch netjes, en geheel op Europeesche wijze gekleed. Zijn gezicht was vrij wat blanker dan dat van zijn geleider, maar toch ook vrijwat donkerder van tint dan dat van een blonden Hollandschen jongen. En ofschoon hij niet den platten neus en de breede lippen van zijn geleider had, en zijn fijn besneden gelaat en zijn hoog en breed voorhoofd zijn Europeesche afkomst teekenden,—de fraaie, licht-olijfkleurige tint van zijn gezicht, die op zijn wangen overging in een blos van liefelijk rood, en bovenal zijn fonkelend-zwarte oogen en glanzend-zwarte krullen duidden genoegzaam aan, dat de wieg van dezen knaap niet gestaan had aan het kille strand van de Noordzee.

Maar wat nog het meest de belangstelling van jong en oud gaande maakte, was, dat de oudste, die in de linkerhand een net reistaschje droeg, in de rechterhand een vreemdsoortig bewerkte kooi torste, die in twee afdeelingen was verdeeld, en waarin twee papegaaien waren gezeten, terwijl de jongste een aapje in zijn armen hield.

Vooral de laatste omstandigheid gaf aanleiding, dat de jongens weldra hun eerste schuchterheid op zij zetten en als echte brutaaltjes vlak naast de vreemdelingen gingen loopen. Het duurde niet lang of ook andere jongens, die niet tot „Achilles” behoorden, kwamen hun verwarde gelederen versterken, en in het gevoel, dat zij nu door hun groot aantal overmachtig waren, meenden zij het recht te hebben daarenboven ook nog overmoedig te mogen zijn.

De verschillende op- en aanmerkingen, die eerst op fluisterenden toon en onder zacht gegrinnik waren geuit, werden thans met groote vrijmoedigheid luid-op elkaar toegeschreeuwd.

„Ik geloof stellig, dat het een Hottentot is,” zei Dolf, „kijk maar eens naar zijn platten mopsneus!”

„Neen,” meende Prop, „’t is een menscheneter!”

„Dan mag je wel oppassen, dat hij niet met jou begint, Proppie,” spotte Frits, „want er zit nog al bout aan je.”

„Nee,” bromde Prop, „hij houdt van mager en dan kan hij bij jou terecht.”

„Ik weet het, jongens,” besliste Pauw, „’t is een Atsjinees,—ik heb laatst in „Eigen Haard” een plaatje gezien van een Atjeher, en die zag er net eender uit.”

The book keeps going

Keep reading, and see it illustrated

Reading is free forever. Sign up and watch scenes appear while you read.

Illustrated scene from Pride and PrejudiceIllustrated scene from Alice's Adventures in WonderlandIllustrated scene from The Adventures of Sherlock Holmes

Scenes Storieta drew for other classics.

New illustrated classics

A new classic, drawn, in your inbox.

Once or twice a month: the latest books to get full character casts, scene art, and free comic editions. No account needed.