Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.
XXII. HOOFTSTUK.
Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel.--Alarm aan de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis veröorzaakt.--De Oppossum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug..
XXIII. HOOFTSTUK.
Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende Plantgewassen.--De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De Zee-koe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De Malaky en Markoury boomen.--Doornhaag-wormen
XXIV. HOOFTSTUK.
Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van Visschen.--Arrowoukas-Indianen.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen.--De Ratel-slang--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het krygsvolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting van Surinamen.--Beschryving eener Cacao-Plantagie.--Heldendaad van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.
XXV. HOOFTSTUK.
Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.
XXVI. HOOFTSTUK.
Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe byzonderheden betrekkelyk de Negers.
XXVII. HOOFTSTUK.
De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen van straföeffening.--Onverschrokkenheid der Negers.--Verschillende zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene Indigo Plantagie.--Kaneel-Appel.
XXVIII. HOOFTSTUK.
De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewoone hitte, die alle de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.
REIZE NAAR SURINAMEN, EN DOOR DE BINNENSTE GEDEELTEN VAN GUIANA.
TWINTIGSTE HOOFTSTUK.
Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier.--Het wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.
De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND opgeblazen, waren daarënboven door hunne Spions onderrigt, dat de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid, om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken, en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en beslissenden slag.
Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben afgelegd, het geen in een land, waar onöphoudelyk door het weghakken van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer eene afteekening aan, verbeeldende één van hun, die op schildwacht staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen, die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt, hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.
De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten, en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende, niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne vyanden konden afmaken.
Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils de slaven der Plantagiën belet, om dezelven te verdedigen, wanneer deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden, na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting in brand liet steken.
Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege, in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden, en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen, noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst: maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen moeras opkwamen, van één gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer, dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid, zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven, om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik, en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.
Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers, welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs hooren konde.
Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht; maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte, men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen, dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen, of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren, dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.